De stadSiegen en het omliggende Siegerland was een van de oudste bezittingen van het Huis Nassau. In een oorkonde uit 1079/1089 wordt Rupert vermeld als voogd in Siegen van de aartsbisschop van Mainz. Deze Rupert is een van de oudst bekende voorouders van de latere graven van Nassau. [1] Bij de Prima divisio uit 1255 kwam het Siegerland in bezit van graaf Otto I van Nassau. [2] Diens oudste zoon Hendrik I van Nassau-Siegen kreeg van zijn neef rooms-koningAdolf van Nassau in 1298 de ijzer- en zilvermijnRatzenscheid bij Wilnsdorf en de overige groeven in het Siegerland waar zilver gewonnen kon worden. Daarmee werd de grondslag gelegd voor de Bergregal (de rechten op de bodemschatten in hun gebied) van de graven van Nassau. [3]Slot Siegen bleef onder de opvolgers van graaf Hendrik I lange tijd de belangrijkste residentie. Pas in de zestiende eeuw nam Slot Dillenburg die functie over, maar de stad Siegen bleef wel het economische zwaartepunt van het graafschap.
Bij het overlijden van graaf Johan VI ‘de Oude’ van Nassau-Siegen op 8 oktober 1606 werd hij opgevolgd door zijn zoons Willem Lodewijk, Johan VII ‘de Middelste’, George, Ernst Casimir en Johan Lodewijk. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>[4] waarbij Johan ‘de Middelste’ het Siegerland verkreeg. [5]
Graaf Johan VII ‘de Middelste’ van Nassau-Siegen (Slot Siegen,Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> 7 juni 1561 [6] – aldaar, Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> 27 september 1623 [7] ) was de tweede zoon van graaf Johan VI ‘de Oude’ van Nassau-Siegen en diens eerste echtgenote Elisabeth van Leuchtenberg. [8] Johan ‘de Middelste’ bezocht eerst de gravenschool in Siegen en ging daarna – in 1576 Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> Johan werkte zich al vroeg in de administratie, financiën en militaire zaken van zijn vaders graafschap in. [9]
Johan ‘de Oude’ had plannen om de financiën van het graafschap Nassau-Siegen te saneren door een rijk huwelijk van zijn zoon, maar toen Johan ‘de Middelste’ verklaarde dat hij zijn hart al geschonken had, deed de vader niet de minste poging om de politieke rede te laten zegevieren over de wens van de zoon. Door zijn huwelijk in 1581 met Magdalena van Waldeck-Wildungen (net als zijn grootmoeder Juliana van Stolberg-Wernigerode weduwe van een graaf van Hanau-Münzenberg) versterkte Johan ‘de Middelste’ de verhoudingen binnen de Wetterauer Grafenverein en droeg zo – ook zonder wezenlijke financiële bijdrage – bij tot de versterking van het Huis Nassau. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>
Het beleg van Groenlo (1597).
Verhoudingsgewijs laat, namelijk pas in 1592, betrad Johan het Nederlandse oorlogstoneel. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>[10] Met prins Maurits had hij eerder een band als broer dan als neef, omdat zij hun jeugd samen hadden doorgebracht in Dillenburg en Siegen. Toen Johan hem en zijn broer Willem Lodewijk zijn aantekeningen met zijn gedachten over een militaire opleiding liet zien, werd dat ‘nun wol im anfang ein solches veracht und für Superfluum gehalten’. Spoedig echter moest Maurits inzien dat de Ausschußmänner uit het graafschap Nassau-Siegen en de gelijk opgeleide boeren uit het Westerwald beter waren dan de Nederlandse soldaten. Onmiddellijk werd de aanpak van Johan in alle garnizoenen van de verenigde provincies ingevoerd. Een nieuw type mortier dat door Johan was uitgevonden, samen met de bijbehorende brandkogels, die hij beide in Siegen had laten gieten, werd in 1597 uitgeprobeerd bij het beleg van Groenlo en had een verwoestend effect. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> Johan was een van de belangrijkste militaire theoretici uit zijn tijd en zijn reputatie reikte tot ver buiten de grenzen van het Heilige Roomse Rijk. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>
Op het grote operatieterrein van de contrareformatie had koningSigismund III, de katholieke Wasa, Polen en Zweden in zijn hand verenigd. Diens oom, de calvinistischehertogKarel van Södermanland leidde de oppositie tegen Sigismund. Johan vond het een zaak voor protestanten om Karel te ondersteunen. Daarom reisde hij, met toestemming van de Wetterauer Grafenverein, naar het strijdtoneel in Lijfland. Karel bood Johan onmiddellijk het opperbevel aan, [11] dat hij ‘trotz der geringen Lusten’ aannam, maar slechts voor de duur van drie maanden, want het Zweedse leger verkeerde in een meer dan slechte staat. Na drie maanden, waarin Johan verschillende schermutselingen had gewonnen en veel materiaal van de Polen had buitgemaakt, maar het beleg van Riga niet tot een goed einde had kunnen brengen, smeekte Karel hem om in Lijfland te blijven en het opperbevel te blijven voeren. Johan liet zich overhalen. Onmiddellijk daarna brak zo'n felle koude uit dat binnen zes weken 40.000 mensen doodvroren en verhongerden, waaronder 4500 van de 6000 voetsoldaten uit Nassau. En weer, na drie maanden, werd Johan overgehaald om te blijven. Toen werden echter door eerst de invallende dooi en daarna een muiterij alle militaire operaties tenietgedaan. Johan schreef tevergeefs om geld te krijgen om de troepen te betalen. Hij had zijn kettingen en juwelen al lang verpand voor soldij. Uiteindelijk nam hij echt afscheid. Karel stelde voor de reis naar Lübeck een Zweeds oorlogsschip ter beschikking, dat wegens hevige stormen lange tijd op Bornholm moest blijven. Johans soldij van 18.000 gulden was 29 jaar later nog steeds niet door de Zweden betaald. En toch had de zware noordse reis Johan iets goeds gebracht. Hij ontmoette de jongste dochter van hertog Johan van Sleeswijk-Holstein-Sonderburg (een broer van koning Frederik II van Denemarken) en trouwde in 1603 met haar, hoewel hij al een zoon had die een jaar ouder was dan deze Margaretha. Johans eerste vrouw was al in 1599 overleden. Citefout: Onjuist label <ref>; refs zonder naam moeten inhoud hebben
Slot Siegen.
Bij het overlijden van zijn vader op 8 oktober 1606 volgde Johan zijn vader op samen met zijn broers Willem Lodewijk, George, Ernst Casimir en Johan Lodewijk.[12] Op 30 maart 1607 deelden de broers hun bezittingen,[13][14] waarbij Johan de stad Siegen, Freudenberg, Netphen, Hilchenbach, Ferndorf en het Haingericht[noot 2]) was de oudste zoon van graaf Johan VII ‘de Middelste’ van Nassau-Siegen en diens eerste echtgenote, gravin Magdalena van Waldeck-Wildungen. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> en daarna in Genève. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> Later verbleef hij bij zijn oom Willem Lodewijk in Leeuwarden. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> Johan Ernst werd op 22 september 1603 benoemd tot kapitein. Bij het Beleg van Sluis in 1604 kreeg hij een schot in zijn been. [44] Op 6 mei 1606 werd hij benoemd tot kolonel van het regimentWalen. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> waar hij als tweede bevelhebber werd aangesteld. [45] Hij nam in 1615 deel aan de tocht van Frederik Hendrik van Nassau naar de HanzestadBrunswijk, Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> De vader van Johan Ernst, Johan ‘de Middelste’, wist daarna een overeenkomst tussen de hertog en de stad te sluiten. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> beruchte zeerovers in de Adriatische Zee. Het verzoek betrof voetvolk en ruiterij. [46] Johan Ernst verkreeg in een resolutie van 3 oktober 1616 toestemming van de Staten-Generaal om met een regiment voetvolk in dienst van de Republiek Venetië te treden. [47] De toestemmig betrof een verlof van een jaar uit Staatse dienst om het bevel over 3000 man op zich te kunnen nemen. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> De doge van Venetië had hem tevoren reeds de rang en titel van Generaal der Hollanders of van het Hollands Krijgsvolk verleend. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> Van daaruit werd zijn lichaam op kosten van de Republiek Venetië overgebracht naar Siegen, waar het op 19 april 1618 onder het koor van de Nicolaaskerk werd bijgezet. Johan Ernst werd op 29 april 1690 herbegraven in de Fürstengruft in Siegen. [48]
Gravin Elisabeth van Nassau-Siegen (Slot Dillenburg, Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> ) was de oudste dochter van graaf Johan VII ‘de Middelste’ van Nassau-Siegen en diens eerste echtgenote, gravin Magdalena van Waldeck-Wildungen. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> in november 1604 Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> }} met graaf Christiaan van Waldeck-Wildungen (Slot Eisenberg, 24/25 december 1585 – Burcht Waldeck, 31 december 1637 [49] ). Uit dit huwelijk werden 15 kinderen geboren. [50]
Graaf Adolf van Nassau-Siegen (Slot Dillenburg, 8 augustus 1586 Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>[51] Hij werd op 23 november 1608 begraven in de Sint-Stevenskerk in Nijmegen. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>
Adolf en zijn oudere broers Johan Ernst en Johan ‘de Jongere’ hadden de reputatie gokkers te zijn en een volstrekt ongepaste pracht en praal in hun kleding en voorkomen te vertonen. Hun vader schreef de jonge graven brieven vol vaderlijke vermaningen, waarin hij hen aanmaande zuinig te zijn, omdat hij niet wist wat hij met zijn zorgen en schulden aan moest. In een brief van 8 december 1608 beschouwde hij zelfs het sneuvelen van Adolf als straf van God en vermaande hij beide anderen, die met ‘einem ärgerlichen Leben mit Verschwendung fast allem, was ich in der Welt habe, durch Ehebrechen und Hurerei, Plünderung und Beraubung armer, unschuldiger Leute hoch und niederen Standen’ het graafschap Nassau-Siegen ruïneerden, om een ander, beter, en de naam Nassau waardig, leven te leiden. [52]
Landgravin Juliana van Hessen-Kassel, geboren gravin van Nassau-Siegen, met haar jongste dochter. Detail van schilderij van August Erich, 1618–1628, Gemäldegalerie Alte Meister, Museumslandschaft Hessen Kassel.
Gravin Juliana van Nassau-Siegen (Slot Dillenburg, Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> }} Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>
Aangezien Maurits uit zijn eerste huwelijk drie zonen had, trachtte Juliana spoedig inkomsten en eigendomsrechten op haar kinderen te doen overgaan. Uiteindelijk zorgde zij ervoor dat een kwart van het landgraafschap Hessen-Kassel – het zogenaamde Rotenburger Quart – aan haar nakomelingen werd overgedragen om hen in overeenstemming met hun status te onderhouden. Nadat haar oudste zonen Herman en Frederik zonder erfgenamen waren gestorven, ontstond hieruit de door landgraaf Ernst gestichte zijlinie Hessen-Rheinfels-Rotenburg. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>[53][54]
Gravin Anna Johanna [60] van Nassau-Siegen (Slot Dillenburg, 2 maart 1594Jul.[61][noot 4] – Den Haag, Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>[63][64] december 1636 Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> }}) was de vierde dochter van graaf Johan VII ‘de Middelste’ van Nassau-Siegen en diens eerste echtgenote, gravin Magdalena van Waldeck-Wildungen. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> Sinds 29 juli 1612 verbleef ze in de adellijke abdijen van Keppel en Herford. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>
Anna Johanna huwde op Slot Broich bij Mülheim an der Ruhr[65] op 19 juni 1619 Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> 12 juni 1599 Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> 3 september 1655 Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> Uit dit huwelijk werden twaalf kinderen geboren. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>[66]
Op 16 maart 1620 werd hun eerste kind geboren, een dochter Sofia Theodora. De grootvader, Johan ‘de Middelste’, feliciteerde in zijn brief van 4 april 1620 uit Rheinfels de ouders met de geboorte van hun dochter, maar zelf zou hij een zoon geprefereerd hebben. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>
De Brederodes resideerden gewoonlijk op Kasteel Batenstein in de noordwesthoek van de stad Vianen. [67] Het kasteel was fraai gemeubileerd en de wanden waren behangen met tapijten en goudbehang. Het echtpaar ontving in Vianen veelvuldig gasten, waaronder prins Frederik Hendrik en Amalia van Solms-Braunfels, de graven van Nassau en Solms, de burggraven van Dohna en leden van de Staten van Holland, die er vorstelijk onthaald werden. [68]
Omdat Johan Wolfert vanwege zijn functies veelvuldig in Den Haag moest zijn, kocht hij in 1626 van Emilia van Nassau een representatief pand aan de Lange Vijverberg nr. 3. [69]
Nadat Johan Wolfert op 27 januari 1630 benoemd werd tot gouverneur van de stad ʼs‑Hertogenbosch en de Meierij, betrok het gezin het college van de Jezuïeten als ambtswoning. [70] De magistraat van de stad schonk in 1631 kostbare tapijten voor het paleis en droeg bij in de reiskosten van Anna Johanna, elegant verpakt in een fraaie beurs, als zij de stad aandeed. [71]
Het jaar 1630 was voor het echtpaar een moeilijk jaar. Anna Johanna bracht in maart en oktober doodgeboren kinderen ter wereld. Bovendien overleed in augustus Theodora van Haaften, de moeder van Johan Wolfert. In oktober 1631 bracht Anna Johanna opnieuw een doodgeboren kind ter wereld. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>
Frederik Lodewijk
Graaf Frederik Lodewijk van Nassau-Siegen (2 februari 1595 Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>
Gravin Magdalena van Nassau-Siegen (23 februari 1596[38] – 6 december 1662[72][noot 5]Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>
Uit de erfenis van haar ouders kon Magdalena 6875 gulden vorderen, waarover Oranje-Nassau 343 gulden aan rente betaalde, alsmede: 100 gulden aan jaarlijkse kosten tot haar huwelijk, en 200 gulden na haar huwelijk. Ze vorderde 4000 gulden aan huwelijksgeld, 1000 gulden aan bruidsschat, en 1500 gulden voor hoedkoorden, trouwring, koets en paard. Al deze gelden werden echter zeer traag uitbetaald en Magdalena zag zich genoodzaakt de Nassause raadsheren bijna voortdurend aan te manen om haar geld te krijgen. In het algemeen geeft haar leven een triest beeld van de interne verhoudingen van de kleine vorstenhuizen tijdens de Dertigjarige Oorlog – een beeld van verarming en hulpeloosheid. Citefout: Onjuist label <ref>; refs zonder naam moeten inhoud hebben
Het landgoed Grevenburg, weduwengoed van Magdalena. Schilderij van Alexander Duncker, 1857–1883.
In de zomer van 1634 stierf haar zwager Rab Arnd von Oeyhausen, aan wiens sterfbed zij stond, waardoor Magdalena de laatste mannelijke beschermheer werd ontnomen. Tegelijkertijd ontstonden de hevigste geschillen over het verkregen deel van Grevenburg, dat zowel door de gravin en haar schoonmoeder en schoonzusters, deze gesteund door hun beschermvrouwe, de gravin van Schaumburg, geboren gravin van Lippe-Varenholz, als ook Adam Arnd von Oeynhausen als volgende en rechtmatige opvolger van het leengoed in bezit werd genomen. Beide partijen wendden zich nu tot Simon Lodewijk van Lippe-Detmold, die via zijn moeder nauw verwant was met Magdalena, [75] maar die tevens leenheer van Grevenburg was. Ook landgraaf George II van Hessen-Darmstadt deed in mei 1635 een beroep op hem ten gunste van de erfgenamen van de inmiddels overleden Adam Arnd von Oeynhausen. [76]
Uit de brieven van Magdalena spreekt overal haar diepe liefde voor haar overleden echtgenoot, ‘mit dem sie nur sechs Monate zu Grevenburg gewohnt habe’ en in een vertrouwelijke brief aan Simon Lodewijk van Lippe-Detmold, waarschijnlijk gedateerd 20 november 1635, schrijft zij: ‘Ich bin so von ganzem Herzen betrübt, ich weiß mir keinen Rath mehr. Heute ist der unglückselige Tag der Jahrzeit, daß ich in den elenden Stand meiner Trübseligkeit getreten bin und mit dem, so ich in der Welt über Alles geliebet, alles meines Glückes und Wohlfahrt beraubet bin, und keinen andern Trost weiß ich zu finden, als in Glauben und Hoffnung zu leben, der liebe Gott werde uns in ewiger Freude wieder zusammenbringen’. Tegelijkertijd toonde Magdalena echter ook tegenover haar verwanten de beste wil om de geschilpunten in der minne te schikken en betreurde zij oprecht de dood van Adam Arnd von Oeynhausen in april 1635. Kort daarna, op 20 juni 1635, werd Grevenburg door de Zweden grondig geplunderd en werden Magdalena en haar nicht Louise van Waldeck-Wildungen[77] beroofd van al hun bezittingen. Voor de daaropvolgende jaren ontbreekt nadere informatie over haar. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> met Philipp Wilhelm Freiherr von Innhausen und Knyphausen (20 maart 1591 Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>
Graaf Willem Otto van Nassau-Siegen (Slot Dillenburg,Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> }}) was de derde zoon van graaf Johan VII ‘de Middelste’ van Nassau-Siegen en diens tweede echtgenote, hertogin Margaretha van Sleeswijk-Holstein-Sonderburg. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> onder hertog Bernhard van Saksen-Weimar. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>
Gravin Louise Christina van Nassau-Siegen (Slot Siegen,[22] 8 oktober 1608[82] – Château-Vilain bij Sirod (Jura), 29 december 1685Greg.[82][noot 9]Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> Uit dat huwelijk was één dochter geboren: Maria Magdalena van Limburg-Stirum. Die dochter was in 1646 gehuwd met Sophia Margaretha’s jongere broer Hendrik. [85] Het huwelijk van Sophia Margaretha en George Ernst bleef kinderloos, Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>
Sophia Margaretha werd eerst begraven in Kasteel Wisch in Terborg en op 17 juli 1669 Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> herbegraven in de Fürstengruft te Siegen. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>
Gravin Maria Juliana van Nassau-Siegen (Slot Siegen, Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>[86][87] – Neuhaus an der Elbe, 21 januari 1665Jul.Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> }}) was de derde dochter van graaf Johan VII ‘de Middelste’ van Nassau-Siegen en diens tweede echtgenote, hertogin Margaretha van Sleeswijk-Holstein-Sonderburg. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>
Amalia huwde eerst in Alt-Stettin op 23 april 1636[82][noot 12] met Herman Wrangel af Salmis[noot 13] (in Lijfland, 29 juni 1587 – Riga, 11 december 1643[89][90]) en hertrouwde in Stockholm[82][89][90] op 27 maart 1649[82][noot 14] met paltsgraafChristiaan August van Sulzbach (Sulzbach, 26 juli 1622 – aldaar, 23 april 1708[89][90]). Uit het eerste huwelijk werden zeven kinderen geborenCitefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> 18 november 1614 Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> 16 juli 1616 Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> }} Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> Het huwelijk bleef kinderloos.
In 1642 ging Christiaan over naar het keizerlijke leger en werd kolonel van de kurassiers. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>
Catharina bleef ongehuwd en woonde bij haar moeder in de Nassauischer Hof. Ze werd op 12/22 september 1645 begraven onder het koor van de Nicolaaskerk in Siegen.[92] Op 29 april 1690[92]Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>
Graaf Johan Ernst van Nassau-Siegen (1618-1639). Detail van een schilderij in het Stadhouderlijk Hof, Leeuwarden.
Graaf Johan Ernst van Nassau-Siegen (Slot Siegen, Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>
Elisabeth Juliana
Gravin Elisabeth Juliana van Nassau-Siegen (Slot Siegen,[22][94] 1 mei 1620Jul.Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> herbegraven in de Fürstengruft te Siegen.[22][95][94]
Aa, A.J. van der, ʻAdolf van Nassau de Jongeʼ in: Biographisch Woordenboek der Nederlanden, bevattende levensbeschrijvingen van zoodanige personen, die zich op eenigerlei wijze in ons vaderland hebben vermaard gemaakt. Eerste deel, J.J. van Brederode, Haarlem (1852), p. 78-81.
Aa, A.J. van der, ʻBrederode (Joan Wolfert van)ʼ in: Biographisch Woordenboek der Nederlanden, bevattende levensbeschrijvingen van zoodanige personen, die zich op eenigerlei wijze in ons vaderland hebben vermaard gemaakt. Tweede deel. Tweede stuk, J.J. van Brederode, Haarlem (1855), p. 1265-1268.
Aa, A.J. van der, ʻJan Ernst graaf van Nassau-Siegenʼ in: Biographisch Woordenboek der Nederlanden, bevattende levensbeschrijvingen van zoodanige personen, die zich op eenigerlei wijze in ons vaderland hebben vermaard gemaakt. Negende deel, J.J. van Brederode, Haarlem (1860), p. 91-92.
Aa, A.J. van der, ʻWillem graaf van Nassauʼ in: Biographisch Woordenboek der Nederlanden, bevattende levensbeschrijvingen van zoodanige personen, die zich op eenigerlei wijze in ons vaderland hebben vermaard gemaakt. Twintigste deel, J.J. van Brederode, Haarlem (1877), p. 269-270.
(de) Aßmann, Helmut, Menk, Friedhelm (1996). Auf den Spuren von Nassau und Oranien in Siegen. Gesellschaft für Stadtmarketing Siegen e.V., Siegen.
(de) Becker, E. (1983). Schloss und Stadt Dillenburg. Ein Gang durch ihre Geschichte in Mittelalter und Neuzeit. Zur Gedenkfeier aus Anlaß der Verleihung der Stadtrechte am 20. September 1344 herausgegeben, Neuauflage. Der Magistrat der Stadt Dillenburg, Dillenburg [1950].
(de) Dek, A.W.E. (1962). Graf Johann der Mittlere von Nassau-Siegen und seine 25 Kinder. Krips Repro, Rijswijk.
Dek, A.W.E. (1968). De afstammelingen van Juliana van Stolberg tot aan het jaar van de Vrede van Münster. Spiegel der Historie. Maandblad voor de geschiedenis der Nederlanden 1968 (7/8): 288-303
Dek, A.W.E. (1970). Genealogie van het Vorstenhuis Nassau. Europese Bibliotheek, Zaltbommel.
(de) Ehrenkrook, Hans Friedrich von, Förster, Karl; Marchtaler, Kurt Erhard (1928). Ahnenreihen aus allen deutschen Gauen. Beilage zum Archiv für Sippenforschung und allen verwandten Gebieten. Verlag für Sippenforschung und Wappenkunde C.A. Starke, Görlitz.
(sv) Elgenstierna, Gustaf (1936). Den Introducerade Svenska Adelns Ättartavlor IX. P.A. Norstedt & Söners Förlag, Stockholm.
(de) Haarmann, Torsten (2014). Das Haus Waldeck und Pyrmont. Mehr als 900 Jahre Gesamtgeschichte mit Stammfolge, Deutsche Fürstenhäuser Heft 35. Börde-Verlag, Werl. ISBN 978‑3‑981‑4458‑2‑4.
(de) Hæutle, Christian (1870). Genealogie des erlauchten Stammhauses Wittelsbach: von dessen Wiedereinsetzung in das Herzogthum Bayern (11. Sept. 1180) bis herab auf unsere Tage. Hermann Manzʼsche Hofkunsthandlung und Buchhandlung, München.
Heniger, J., ʻGenealogische tabellenʼ in: Koenhein, A.J.M. e.a. (red.), Johan Wolfert van Brederode 1599-1655. Een Hollands edelman tussen Nassau en Oranje, Historische Vereniging Het Land van Brederode, Vianen/Uitgeversmaatschappij Walburg Pers, Zutphen (1999), p. 133-135. ISBN 90‑5730‑034‑6.
(de) Hoffmeister, Jacob Christoph Carl (1883). Historisch-genealogisches Handbuch über alle Grafen und Fürsten von Waldeck und Pyrmont seit 1228. Verlag Gustav Klaunig, Cassel.
(fr) Huberty, Michel, Giraud, Alain; Magdelaine, F. & B. (1976). l’Allemagne Dynastique. Tome I: Hesse-Reuss-Saxe. Alain Giraud, Le Perreux.
(fr) Huberty, Michel, Giraud, Alain; Magdelaine, F. & B. (1981). l’Allemagne Dynastique. Tome III: Brunswick-Nassau-Schwarzbourg. Alain Giraud, Le Perreux.
(fr) Huberty, Michel, Giraud, Alain; Magdelaine, F. & B. (1987). l’Allemagne Dynastique. Tome V: Hohenzollern-Waldeck-Familles alliées A-B. Alain Giraud, Le Perreux-sur-Marne.
(de) Joachim, Ernst, ʻJohann der Mittlere von Nassau-Siegenʼ in: Allgemeine Deutsche Biographie. Band 14, Duncker & Humblot, Leipzig (1881), p. 265-266.
(de) Knetsch, Carl (1931). Das Haus Brabant. Genealogie der Herzoge von Brabant und der Landgrafen von Hessen. II. Teil: Die Nachkommen Philipps des Grossmütigen. Historischer Verein für das Großherzogtum Hessen, Darmstadt.
Koenhein, A.J.M.; Heniger, J., ʻJohan Wolfert van Brederode 1599-1655 – ʻIn Opbloey neergetoghenʼʼ in: Koenhein, A.J.M. e.a. (red.), Johan Wolfert van Brederode 1599-1655. Een Hollands edelman tussen Nassau en Oranje, Historische Vereniging Het Land van Brederode, Vianen/Uitgeversmaatschappij Walburg Pers, Zutphen (1999), p. 9-46. ISBN 90‑5730‑034‑6.
(de) Lück, Alfred (1981). Siegerland und Nederland, 2. Auflage. Siegerländer Heimatverein e.V., Siegen [1967].
(de) Lück, Alfred, Wunderlich, Hermann (1956). Die Fürstengruft zu Siegen. Verkehrsverein Siegen e.V., Siegen [1952].
(de) Menk, Friedhelm, ʻJohann der Mittlere, Graf zu Nassau-Siegen (1561–1623) und seine zweite Gemahlinʼ in: Siegerland, Band XLIV, Heft 1, Siegen (1967), p. 1-28.
(de) Menk, Friedhelm, ʻWilhelm Graf zu Nassau-Siegen (1592–1642)ʼ in: Siegerland, Band XLIV, Heft 2, Siegen (1967), p. 53-59.
(de) Menk, Friedhelm (1971). Quellen zur Geschichte des Siegerlandes im niederländischen königlichen Hausarchiv. Stadt Siegen/Forschungsstelle Siegerland, Siegen.
(de) Menk, Friedhelm, ʻJohann Moritz Fürst zu Nassau-Siegenʼ in: Siegerland, Band LVI, Heft 1-2, Siegen (1979), p. 1 e.v.
(de) Menk, Friedhelm, ʻDie nassauischen Begräbnisstätten in der ev. Stadtkirche zu Dillenburgʼ in: Pletz-Krehahn, Hans-Jürgen (Hg.), 650 Jahre Stadt Dillenburg. Ein Text- und Bildband zum Stadtrechtsjubiläum der Oranierstadt, Verlag E. Weidenbach GmbH + Co. KG, Dillenburg (1994), p. 119-125.
(de) Menk, Friedhelm, ʻDie Fürstengruft zu Siegen und die darin von 1669 bis 1781 erfolgten Beisetzungenʼ in: Burwitz, Ludwig u.a. (Redaktion), Siegener Beiträge. Jahrbuch für regionale Geschichte 9, Geschichtswerkstatt Siegen – Arbeitskreis für Regionalgeschichte e.V., Siegen (2004), p. 183-202.
(de) Pletz-Krehahn, Hans-Jürgen, ʻBeisetzungen in den 15 Grabstellen der Dillenburger Nassauergruftʼ in: Pletz-Krehahn, Hans-Jürgen (Hg.), 650 Jahre Stadt Dillenburg. Ein Text- und Bildband zum Stadtrechtsjubiläum der Oranierstadt, Verlag E. Weidenbach GmbH + Co. KG, Dillenburg (1994), p. 115-118.
Spliethoff, M.E., ʻFamiliereünie in Vianen. Portretten van Johan Wolfert van Brederode en zijn gezin herenigdʼ in: Koenhein, A.J.M. e.a. (red.), Johan Wolfert van Brederode 1599-1655. Een Hollands edelman tussen Nassau en Oranje, Historische Vereniging Het Land van Brederode, Vianen/Uitgeversmaatschappij Walburg Pers, Zutphen (1999), p. 75-84. ISBN 90‑5730‑034‑6.
(de) Textor von Haiger, Johann (1617). Nassauische Chronik. Christoph Raab, Herborn.
Vorsterman van Oyen, A.A. (1882). Het vorstenhuis Oranje-Nassau. Van de vroegste tijden tot heden. A.W. Sijthoff en J.L. Beijers, Leiden en Utrecht.
↑“Dek (1962) en Dek (1968) schrijven dat hij in Slot Dillenburg werd geboren, maar Dek (1970) corrigeert dat en geeft Siegen als geboorteplaats, hetgeen wordt bevestigd door Menk (1971), p. 18. Dek (1962) geeft als geboortedatum zondag 21‑10‑1582, hetgeen overeenkomt met de Juliaanse kalender.”[43]
↑“Het Haingericht bevond zich zeker rond het kasteel van Hainchen, dat met zijn afhankelijkheden in 1313 aan het Huis Nassau overging. Zie Historische Stätten Deutschlands III, 245.”Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> Bij deze overeenkomst werd het de erfgenamen van de broers uitdrukkelijk verboden over te gaan naar een ander geloof dan de gereformeerde belijdenis. [15] Sinds de verdeling had Johan zijn residentie op Slot Siegen, dat rond die tijd door hem vernieuwd werd. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>
In september van 1610 onderhandelde Johan als gezant van de protestantse standen met de leider van de Katholieke Liga, hertog Maximiliaan I van Beieren, waarbij ze een voor beide partijen bevredigende overeenkomst sloten. [16] In 1615 bemiddelde hij in Brunswijk een overeenkomst tussen de stad en hertog Frederik Ulrich van Brunswijk-Wolfenbüttel. [17]
Johans idee om de protestantse zaak goede leiders van een volksleger te geven, was de reden voor de in 1616 in Siegen gestichte Kriegsschule, waarschijnlijk de eerste militaire academie ter wereld. De vorsten die Johan om financiële hulp vroeg, gaven hem geen stuiver. Maar ondanks dat hij door het steunen van de Nederlandse Opstand zo in de schulden zat dat hij een tijdlang overwoog zijn residentie in Siegen op te geven en bij zijn broer Willem Lodewijk te gaan wonen, richtte hij niettemin de school op. Zijn vrouw Margaretha schreef in die tijd een brief aan koning Christiaan IV van Denemarken, waarin ze vroeg om de betaling van een oude schuld. Mogelijk heeft Deens geld gediend om de Kriegsschule te openen. De Dertigjarige Oorlog brak echter zo vroeg uit dat de Kriegsschule in Siegen geen effect kon sorteren en spoedig ophield te bestaan. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>
Regeling van de opvolging bij testamenten van 1607, 1618 en 1621
Graaf Johan VIII ‘de Jongere’ van Nassau-Siegen. Atelier van Jan Antonisz. van Ravesteyn, ca. 1614-1633, Rijksmuseum Amsterdam.
Toen Johan in 1607 het graafschap Nassau-Siegen had gekregen, besloot hij dat zo’n klein land (het had ongeveer 9.000 inwoners en bracht jaarlijks ongeveer 13.000 gulden op) niet opnieuw verdeeld moest worden. Om dat te voorkomen had hij een testament gemaakt, waarin stond dat alleen de oudste zoon zou regeren, en de andere kinderen met geld of ambten moesten worden gecompenseerd. Als een van de meest overtuigde voorvechters van het protestantisme, was het voor Johan bijzonder pijnlijk dat zijn tweede zoon, Johan ‘de Jongere’, zich in 1613 bekeerde tot de katholieke kerk. In een codicil van 8 oktober 1613 legde Johan ‘de Middelste’ uitdrukkelijk vast dat zijn erfgenamen het land in de gereformeerde belijdenis moesten laten. Aan dit bij testament vastgestelde huisrecht veranderde de bekering van Johan ‘de Jongere’ tot het katholicisme aanvankelijk niets, omdat hij niet de oudste zoon was. Dat was namelijk Johan Ernst.[18]
Tot grote verrassing van zijn verwanten trad Johan ‘de Jongere’ in 1617 in dienst bij de Spanjaarden en sloot zich dus aan bij de tegenstanders van het Huis van Nassau en de Republiek der Verenigde Nederlanden. In hetzelfde jaar sneuvelde zijn oudere broer Johan Ernst in dienst van de Republiek Venetië. De overgang van Johan ‘de Jongere’ naar de politieke vijand trof zijn vader even hard als destijds de bekering tot het katholicisme. Deze nieuwe situatie dwong Johan ‘de Middelste’ zich af te vragen of een vijand van Nassau en de Nederlanden überhaupt zijn erfgenaam kon blijven.Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> Afschaffing van de primogenituur, d.w.z. het eerstgeboorterecht, zou echter een verdeling van het kleine land hebben betekend, en daarom verzette Johan ‘de Middelste’ zich tegen alle voorstellen in die richting. In plaats daarvan liet hij, in een minnelijke overeenkomst, zijn zoon op 31 december 1617 een verklaring ondertekenen, waarin deze verklaarde dat, hoewel hij zelf katholiek was en bleef, hij zijn onderdanen niet tot een andere dan de bestaande geloofsbelijdenis zou dwingen. Al zijn broers raadden Johan ‘de Middelste’ aan het eerstgeboorterecht te wijzigen, maar hij vertrouwde vast op het woord, de brief en het zegel van zijn zoon. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>Vorst Johan Maurits van Nassau-Siegen. Atelier van Jan Antonisz. van Ravesteyn, ca. 1620-1630, Rijksmuseum Amsterdam.Graaf Willem van Nassau-Siegen. Atelier van Jan Antonisz. van Ravesteyn, ca. 1620-1630, Rijksmuseum Amsterdam.
Waarom Johan ‘de Middelste’ toch een diep wantrouwen tegen zijn zoon koesterde, ondanks diens bevestigingen, kunnen niet meer volledig opgehelderd worden. Misschien omdat Johan ‘de Jongere’ overal luidkeels verkondigde dat geen macht ter wereld hem kon beletten de erfenis in Nassau-Siegen te aanvaarden, omdat de macht van de keizer en de koning van Spanje achter hem stond. Misschien kende Johan ‘de Middelste’ ook de invloed van de familie de Ligne en de katholieke geestelijkheid op zijn zoon. Het is zeker dat dergelijke geruchten van alle kanten aan hem werden overgebracht, en dat zijn verwanten en andere protestantse standen hem keer op keer voor zijn zoon waarschuwden.[19] Pas toen hij ervan overtuigd was geraakt dat zijn zoon onder invloed van de jezuïeten stond en dat de mogelijkheid van een katholiek gebied binnen de Nassause landen een gevaar voor de protestantse inwoners betekende, liet hij zich overhalen tot het maken van een nieuw testament.[18] Op 3 juli 1621 stelde hij een derde testament op, waarin hij iets vastlegde dat hij tot dan toe altijd als volslagen onzinnig had beschouwd, namelijk om het kleine graafschap Nassau-Siegen, dat nauwelijks in staat was om één heer te onderhouden, in drie delen te splitsen.[19] Zijn drie oudste zoons, Johan ‘de Jongere’, Willem en Johan Maurits, zouden elk een derde deel krijgen.Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>
Voor Johan ‘de Jongere’ was in het derde testament dus slechts een derde van het graafschap voorzien. Op 6 augustus 1621 werd hij hiervan op de hoogte gesteld met een nauwkeurige opgave van de redenen die zijn vader tot deze stap hadden bewogen. Pas op 9 mei 1623, dat wil zeggen twee jaar later, protesteerde Johan ‘de Jongere’ hiertegen met een brief vanuit Frankfurt aan de raadsheren van Siegen. Natuurlijk had hij intussen niet stilgezeten en had hij niet geschroomd om zijn vader bij de keizer aan te klagen. Ten tijde van zijn protestbrief was hij zeker al op de hoogte van het Poenale mandatum cassatorium, dat keizer Ferdinand II enige tijd later, op 27 juni 1623, officieel uitvaardigde en waarmee Johan ‘de Middelste’ meegedeeld werd dat hij ten tijde van het opmaken van zijn derde testament als medestrijder van de vogelvrij verklaarde Winterkoning niet gerechtigd was een testament op te maken. Hij moest dit testament dus intrekken en zich binnen twee maanden voor een keizerlijk gerechtshof verantwoorden. Het heeft er alle schijn van dat Johan ‘de Jongere’ er daarna voor teruggeschrokken is het keizerlijk decreet aan zijn ernstig zieke vader te laten bezorgen. Citefout: Onjuist label <ref>; refs zonder naam moeten inhoud hebben
Johan ‘de Middelste’ overleed op 27 september 1623 op Slot Siegen. Geen van de drie in het testament genoemde zoons was bij het overlijden van hun vader aanwezig. Op 13 oktober arriveerden Willem en Johan Maurits in Siegen, en op 26 oktober Johan ‘de Jongere’.[20] Johan ‘de Middelste’ werd op 5/15 november 1623[21] begraven in de Nicolaaskerk in Siegen.[21][22]Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> Op 29 april 1690 Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> werd Johan ‘de Middelste’ samen met zijn beide echtgenotes herbegraven in de Fürstengruft in Siegen. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>Prins George Frederik van Nassau-Siegen. Anoniem portret, 1636, Rijksmuseum Amsterdam.Graaf Hendrik van Nassau-Siegen. Prent van Paulus Pontius naar een schilderij van Joannes Meyssens, Rijksmuseum Amsterdam.
Strijd om de opvolging en splitsing in een katholieke en protestante linie
Iedereen wist dat er ruzie zou komen bij de voorlezing van het testament op 11 december 1623. Johan ‘de Jongere’ liet het keizerlijke decreet voorlezen, en toen zijn broers daar niet erg van onder de indruk waren, zei hij bij het opstaan: ‘Der Kaiser wird uns scheiden!’. Hij had de voorzorg genomen om een volgend keizerlijk decreet van 20 november 1623 te verkrijgen tegen gravin-weduwe Margaretha en haar zoons, waarin de keizer ten strengste verbood om de regeringsaanvaarding van Johan ‘de Jongere’, zijn inbezitneming van het land en zijn huldiging te belemmeren. Johan ‘de Jongere’ kon op 12 januari 1624 de huldiging van de stad Siegen aanvaarden, maar alleen omdat hij tevoren in een hevige sneeuwstorm heimelijk een eskadron geselecteerde ruiters door de kasteelpoort (dus niet door een stadspoort) de stad had binnengelaten, zodat zij door de stadswachten niet gezien of gehoord konden worden.[20]
Johan ‘de Jongere’ kreeg dus de hele erfenis. Maar op 13/23 januari 1624 stond Johan ‘de Jongere’ vrijwillig de soevereiniteit over het ambt Hilchenbach met de Burcht Ginsburg en enkele plaatsen die tot de ambten Ferndorf en Netphen behoorden, aan Willem af.Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> Gravin-weduwe Margaretha wendde zich door bemiddeling van Lodewijk Hendrik tot Gustaaf Adolf en vroeg om hulp tegen de machinaties van haar stiefzoon Johan ‘de Jongere’. Bijgevolg zond de Zweedse koning op 14 februari 1632 vanuit Frankfurt een bevel aan Lodewijk Hendrik om zijn verwant Johan Maurits militaire steun te verlenen. Lodewijk Hendrik bezette toen de stad Siegen met zijn regiment bestaande uit Nederlandse en Zweedse soldaten. Een dag later, op 29 februari, arriveerden Johan Maurits en zijn broer Hendrik in Siegen. Zoals acht jaar eerder Johan ‘de Jongere’ zijn ruiterij in reserve had gehouden, zo onderhandelden nu Johan Maurits en Hendrik, gesteund door de aanwezigheid van het Zweedse regiment, met de burgers, die zich gebonden voelden door de eed die zij aan Johan ‘de Jongere’ hadden gezworen. Op 4 maart, na lange en moeizame onderhandelingen, huldigden de burgers Johan Maurits en Hendrik. [23] Johan Maurits verkreeg voor zichzelf niet alleen het ambt Freudenberg, dat zijn vader in het testament van 1621 voor hem bestemd had, maar ook Netphen, dat in hetzelfde testament voor Johan ‘de Jongere’ bestemd was. Willem werd niet alleen bevestigd in het bezit van Hilchenbach, maar kreeg ook Ferndorf en Krombach, zoals het testament van zijn vader had bepaald. De stad Siegen bracht alleen hulde aan Willem en Johan Maurits, die pas in 1635 hun oudere broer Johan ‘de Jongere’ weer tot de mede-soevereiniteit toelieten. Deze herstelde echter spoedig de oude orde: in 1636 werd hij opnieuw de enige eigenaar van de bezittingen van zijn vader, met uitzondering van Hilchenbach, dat hij aan Willem liet, en bestuurde hij de stad Siegen weer alleen. Johan Maurits werd opnieuw uitgesloten van de soevereiniteit over het graafschap. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>
Vorst Johan Frans Desideratus van Nassau-Siegen. Österreichische Nationalbibliothek.
Johan ‘de Jongere’ overleed op 27 juli 1638 in Ronse. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> Die had, na zijn terugkeer uit Brazilië, op 22 januari 1645 met zijn broers George Frederik en Hendrik en met 80 man gevolg met geweld Slot Siegen bezet, en had op 15 februari de hernieuwde huldiging van de burgers ontvangen, zij het ditmaal slechts voor twee derde van het graafschap. [24] Johan Maurits wilde zich, om een einde te maken aan het voortdurende geruzie, strikt houden aan het testament van zijn vader uit 1621 en zijn neef Johan Frans Desideratus het hem toekomende derde deel laten. Reeds voor zijn vertrek naar Brazilië had hij zijn onderdanen op 25 oktober 1635 uitdrukkelijk gemachtigd de toen nog levende Johan ‘de Jongere’ als medelandsheer te erkennen. [25] In 1645 deed Johan Maurits afstand van zijn rechten op het ambt Freudenberg, verleend bij het testament uit 1621, ten gunste van zijn broer George Frederik. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>
Gravin Magdalena van Waldeck-Wildungen (1558 [26] – Slot Idstein, Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> 9 september 1599 [27] ) was de jongste dochter van graaf Filips IV van Waldeck-Wildungen en diens derde echtgenote gravin Jutta van Isenburg-Grenzau. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>[28]
Magdalena huwde op Slot HanauCitefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> – Hanau, 4 februari 1580 Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> Filips Lodewijk volgde zijn vader in 1561 op en stond eerst onder regentschap van zijn oom graaf Johan VI ‘de Oude’ van Nassau-Siegen [29] (Filips III van Hanau-Münzenberg en Johan VI ‘de Oude’ van Nassau-Siegen waren allebei zoons van gravin Juliana van Stolberg-Wernigerode Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> Uit het huwelijk van Magdalena en Filips Lodewijk werden vier kinderen geboren. [30]
Magdalena werd op 13 september 1599 begraven in de grafkelder in de Evangelische Stadskerk in Dillenburg. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> Op een tot nu toe onbekend tijdstip werd Magdalena bij haar echtgenoot Johan ‘de Middelste’ in de Nicolaaskerk in Siegen bijgezet. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> werden Magdalena en Johan overgebracht naar de Fürstengruft aldaar. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>Hertogin Margaretha van Sleeswijk-Holstein-Sonderburg. Anoniem portret, 1611, Siegerlandmuseum, Siegen.
Johans idee om de protestantse zaak goede leiders van een volksleger te geven, was de reden voor de in 1616 in Siegen gestichte Kriegsschule, waarschijnlijk de eerste militaire academie ter wereld. De vorsten die Johan om financiële hulp vroeg, gaven hem geen stuiver. Margaretha schreef in die tijd een brief aan koning Christiaan IV van Denemarken, waarin ze vroeg om de betaling van een oude schuld. Mogelijk heeft Deens geld gediend om de Kriegsschule te openen. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> werden Margaretha en Johan overgebracht naar de Fürstengruft aldaar. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>Graaf Johan Ernst van Nassau-Siegen. Atelier van Jan Antonisz. van Ravesteyn, ca. 1609-1633, Rijksmuseum Amsterdam.
Graaf Johan ErnstCitefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>[noot 1] – Udine, 16/17 september 1617Jul.Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>
↑“Dek (1962) en Dek (1970) zeggen dat hij in Dillenburg is geboren op 9‑2‑1590. De geboorteplaats lijkt inderdaad voor de hand te liggen, aangezien de doop plaatsvond in Dillenburg (zie Koninlijk Huisarchief 3/1047) op 22 februari. In feite was de geboortedatum niet de 9e, maar de 8e. In het Koninlijk Huisarchief (4/1331 II) vinden wij documenten betreffende de erfenis van de eerste echtgenote van Johan ‘de Middelste’, geboren gravin van Waldeck: er is sprake van de eerste van de broers die in 1590 overleed «der erste mit Todt abgegangen Anno 1590 … Herrchen Hanns Albrecht … geboren den 8 Februar 1590, auch in demselben Jahr wieder mit Todt abgangen». In hetzelfde dossier bevindt zich een briefwisseling tussen Johan ‘de Middelste’ en zijn dochter Elisabeth. In de brief van 25‑2‑1619 noemt de graaf Johan Albert, zijn zoon, die in 1590 werd geboren en in datzelfde jaar overleed.”[57]
↑“Ze is gedoopt te Siegen op zondag 17‑3‑1594 (zie Staatsarchief Wiesbaden 170III), brief van graaf Wolfgang Ernst I van Ysenburg-Büdingen. Uit een andere kennisgeving die bewaard is gebleven in het archief van de vorsten van Isenburg-Büdingen-Birstein op Slot Büdingen blijkt duidelijk dat de datum 23‑2‑1594, aangegeven door Dek (1962) en alle gedrukte genealogieën, onjuist is. In de brief, gedateerd Dillenburg 3 März 1594, staat dat Anne geboren is «verschiedenen Tag … und Sonntag Judicae den 17ten Marty … getauft». De verwijzing naar zondag 17 maart geeft duidelijk aan dat de schrijver van de brief de oude stijl gebruikte en dat, wanneer hij spreekt over een geboorte die de dag ervoor plaatsvond, dit alleen een geboorte kan zijn die plaatsvond op 2 maart, oude stijl. De vergissing kan te wijten zijn aan het feit dat in Holland (waar de gravin later woonde) de nieuwe stijl in gebruik was. Waarschijnlijk dacht men dat haar geboortedatum berekend was volgens de nieuwe kalender en herleidden Duitse auteurs deze tot de oude kalenderdatum, wat inderdaad de foutieve datum van 23 februari is.”[62]
↑“De overlijdensdatum, opgegeven door Europäische Stammtafeln, lijkt zeer plausibel. Anderzijds kunnen wij de aanwijzing van Dek (1970) dat de gravin op 31‑7‑1661 in Bremen is overleden, niet aanvaarden. Wij vonden in het Staatsarchief Marburg (115, Waldeck 2, Nassau 343) een kopie van het testament met codicil. De gravin testeerde in Verden op 4‑4‑1658 en op 29‑11‑1662. Er is dus alle reden om aan te nemen dat zij in die stad is overleden.”[73]
↑“Het lijkt erop dat Dek (1970) hem ten onrechte de titel van graaf heeft gegeven. In Von Oeynhausen & Grotefend (1889) wordt hij baron van het keizerrijk genoemd.”[73]
↑“Zie Textor von Haiger (1617). De auteur schrijft dat Johan Frederik is geboren op 10‑2, tussen elf en twaalf uur ’s avonds.”[73]
↑“Zie Textor von Haiger (1617): «ist von dieser Welt im selbigen Jahr wiederumb abgeschieden und in die Pfarrkirche zu Dillenburg begraben». Er is dus alle reden om aan te nemen dat geboorte en overlijden plaatsvonden in Dillenburg, dat in die tijd ook de residentie van de familie was. Dek (1970) plaatst het overlijden in 1598.”[73]
↑“Zie het overlijdensregister van de parochie van Sirod (Jura), waar Château-Vilain, de residentie van de familie de Watteville, onder viel: «1685 Nobilis L.C. de Nassau, Marchionissa de Conflan, Annorum octoginta et amplius animam deo reddidit die vigesima nona decembris, cuius corpus in templo sepultum est». We zijn er vrijwel zeker van dat het overlijden plaatsvond in Château-Vilain.”Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>[83][84] Ze werd begraven in Sirod. Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref> 16 april 1610 Citefout: Na het label <ref> ontbreekt het afsluitende label </ref>
↑“Volgens Hæutle (1870) zegt de grafinscriptie dat zij op 12‑9‑1615 in Siegen is geboren, terwijl Dek (1962) Siegen, 2‑9‑1613 vermeldt (net zoals Europäische Stammtafeln). Het lijkt erop dat deze laatste datum moet worden aangehouden, hoewel de aanwijzingen die wij over deze geboorte hebben van elkaar verschillen. De grootmoeder van vaderskant, weduwe van Johan ‘de Oude’, schrijft: «vor einer halben Stunde diese Nacht zwischen 12 u. 1 Uhr», en, ongetwijfeld omdat zij om ongeveer 1 uur ’s nachts schrijft, dateert zij haar brief op 1 september (zie Staatsarchief Wiesbaden 170III). De vader dateert zijn brief op 2 september 1613 (Siegen), maar hij plaatst het tijdstip van de bevalling anders: «diese Nacht zwischen 11 und 12 Uhren», wat zou betekenen dat de geboorte plaatsvond op de eerste ’s avonds (Staatsarchief Wiesbaden 170III). Echter, in de Lebensbeschreibung van Johan ‘de Middelste’ (Koninlijk Huisarchief (4/1318a), is de officiële geboortedatum, vermeld voor Amalia, 2 september 1613, ’s nachts, tussen één en twee uur. Dit is de datum die we hebben gekozen.”[88]
↑“Zie Rigsarkivet Kobenhaven, Tyske, Kancelli II, Pfalz Sulzbach A I. 15 augustus 1669, Sulzbach, kennisgeving van overlijden: «gestern als den 14ten dieses, abends zwischen 6 u. 7 Uhren». Hæutle (1870) zegt: overleden te Sulzbach op 24‑8‑1669, met de vermelding dat dit de nieuwe stijl is, en hij citeert het grafschrift op de tombe.”[88]
↑“Europäische Stammtafeln vermeldt 20‑4‑1636. Dek (1962), gebaseerd op het huwelijkscontract, dateert het huwelijk in Stettin op 28‑4‑1636. Elgenstierna (1936): 18‑4‑1636. Echter, wij hebben de datum 23‑4 gekozen vanwege een kennisgeving die de bruidegom zelf aan zijn schoonmoeder, de weduwe van Johan ‘de Middelste’, stuurde: vanuit Stralsund meldt hij op 7 juli 1636 het huwelijk «jüngsthin den 23 Aprilis … zur christlichen copulation auff der Fürstl. Residentz zu A(lten) Stettin». Zie ook Menk (1971), p. 27.”[88]
↑“Hæutle (1870) noemt hem graaf von Wrangel. Dit is een vergissing. Zie Taschenbuch der uradeligen Häuser (1924), p. 812-813. Het was zijn zoon die pas in 1651 graaf werd in Zweden. In de kennisgeving van het overlijden van haar man, noemt Amalia zichzelf «veuve d’Hermann Wrangel af Salmis».”[88]
↑“Gehuwd in Stockholm, 3‑4‑1649, bij Hæutle (1870) en Dek (1962); op 4‑4‑1649, volgens Elgenstierna (1936). Maar Behr (1854), p. 194, zegt dat volgens de kennisgeving het huwelijk plaatsvond op 27‑3‑1649. Europäische Stammtafeln geeft deze datum weer in zijn eerste deel, zowel in tabel 35 (Pfalzgrafen von Sulzbach) als in tabel 117 (Nassau-Siegen).”[88]
↑ Johan ‘de Middelste’ werd daarmee de stamvader van het huis.
↑Alle bronnen die een volledige geboortedatum vermelden, noemen deze geboortedatum.
↑Op een na alle bronnen die een volledige overlijdensdatum vermelden, noemen deze overlijdensdatum. Alleen Glawischnig (1974) vermeldt overleden op 7 oktober 1623. Het is niet duidelijk of de auteur bedoeld heeft om de door de andere bronnen vermelde datum om te rekenen naar de Gregoriaanse kalender, noch of die door de andere bronnen vermelde datum volgens de Juliaanse kalender is.
↑Alle bronnen die beide ouders vermelden, noemen deze ouders.
↑Volgens Dek (1970), p. 86 en Dek (1968), p. 234 werd Johan door Karel benoemd tot veldmaarschalk. Volgens Lück & Wunderlich (1956), p. 32 en Vorsterman van Oyen (1882), p. 115 benoemde Karel Johan tot generaal en veldmaarschalk. Glawischnig (1974) en Joachim (1881), p. 266 vermelden net als Lück (1981), p. 95 geen rang, maar alleen dat het ging om het opperbevel.
↑Citefout: Onjuist label <ref>; er is geen tekst opgegeven voor referenties met de naam huberty219
↑Citefout: Onjuist label <ref>; er is geen tekst opgegeven voor referenties met de naam dek1970-86
↑Citefout: Onjuist label <ref>; er is geen tekst opgegeven voor referenties met de naam vorsterman115
↑ 37,037,1Citefout: Onjuist label <ref>; er is geen tekst opgegeven voor referenties met de naam menk194
↑ 38,038,138,2Citefout: Onjuist label <ref>; er is geen tekst opgegeven voor referenties met de naam geboortedatum
↑Op een na alle bronnen die een volledige huwelijksdatum vermelden, noemen deze huwelijksdatum. Alleen Glawischnig (1974) vermeldt gehuwd op 6 september 1603. Het is niet duidelijk of de auteur bedoeld heeft om de door de andere bronnen vermelde datum om te rekenen naar de Gregoriaanse kalender, noch of die door de andere bronnen vermelde datum volgens de Juliaanse kalender is.