Zouaven uit Raamsdonk in het leger van de paus
Door: H. Waas en J.C. Thijssen in De Dongebode van 2002
Wat voorafging
Na de Napoleontische oorlogen werd Italié, zoals we dat nu kennen, met instemming van het Congres van Wenen (1815) opnieuw een onsamenhangend geheel van staatjes.
Een ervan was de Kerkelijke Staat waarover de paus sinds eeuwen wereldlijke macht uitoefende en daarom ook wel Pauselijk Staat werd genoemd. Het omvatte landstreken in Midden-Italié van de oost- tot de westkust, in oppervlakte iets groter dan Nederland.
Nadat in 1815 het pauselijk gezag over het gebied zonder omhaal opnieuw was erkend enhersteld, werd het vrijwel meteen door nationalistisch gezinde groeperingen bedreigd.
Voor de paus als koning en voor de Kerkelijke Staat voorlopig nog zonder gevolgen.
Omstreeks 1850 ontstonden er twee sterke stromingen die gesteund door een groot deel van de bevolking streefden naar staatkundige eenwording. De republikein, vrijbuiter en vrijheidsstrijder Giuseppe Garibaldi (1807-1882) stond een republiek Italié voor ogen.
Koning Victor Emanuel II van Sardinié-Piemonte werkte, krachtig gesteund door zijn minister-president graaf Cavour, aan een koninkrijk Italié. Voor zowel Victor Emanuel als Garibaldi stond vast dat het grondgebied van de Kerkelijke Staat in de toekomst deel zou uitmaken van een verenigd Italié. Rome zou de hoofdstad worden.
Met uit tactische overwegingen gegeven steun van keizer Napoleon III kon paus Pius IX zijn wereldlijke macht tegenover het aanzwellende Italiaanse nationalisme staande houden, maar de keizer kneep regelmatig een politiek en militair oogje, zeg maar oog, dicht. Op sympathie van veel Italianen kon de paus niet meer rekenen nadat hij in 1848 geen partij wenste te kiezen toen de Oostenrijkers het noorden van Italié binnentrokken.
In april 1859 brak een door Cavour uitgelokte oorlog tussen Oostenrijk en het koninkrijk Sardinié-Piemonte uit. Frankrijk steunde de ideeén van het koninkrijk en kwam militair te hulp. Voor een aantal steden in het noordelijke deel van de Kerkelijke Staat was dat de gelegenheid om in opstand te komen tegen het bestuur vanuit Rome.
Het verzet broeide daar al langer maar het werd al jaren in bedwang gehouden door Oostenrijkse troepen die op verzoek van de paus de rust handhaafden. Nu Oostenrijk zijn troepen elders nodig had, zag men in het meest welvarende deel van de Kerkelijke Staat dé kans zich aan te sluiten bij het koninkrijk Sardinié-Piemonte. Na de nederlaag van de Oostenrijkers werd het noordelijke deel van de Kerkelijke Staat - Romagna en een deel van Toscane - met instemming van de Fransen inderdaad bij het koninkrijk gevoegd. Het pauselijke leger dat optrok naar de Romagna kwam door massale desertie van zijn manschappen niet eens in de buurt van de afgescheiden staat.
Paus Pius IX begreep dat hij niet onvoorwaardelijk en blijvend op Franse steun kon rekenen. Hij had een betrouwbaar, krachtig en goed georganiseerd leger nodig om het grondgebied van de Kerk te verdedigen en zo mogelijk te heroveren. Monseigneur Xavier de Merode (1820-1874) werd aangesteld om het pauselijke leger te reorganiseren.
Deze prelaat, telg uit een adellijk Belgisch geslacht, deed van 1838 tot 1847 dienst als beroepsofficier in een Belgische eliteregiment. De Merode verbleef ook enige tijd bij Franse troepen in Algerije en leerde daar de Franse Generaal De la Moriciére kennen.
Deze generaal met een imposante staat van dienst werd als bevelhebber van het pauselijke leger aangetrokken. Hij bracht een aantal Franse, meest adellijke, vrijwilligers mee. Rooms-katholieke jongemannen werden opgeroepen de paus als vrijwilliger te hulp te komen. In Belgié werd als een der eerste een centrum opgezet waar men zich kon aanmelden als vrijwilliger.
In het voorjaar van 1860 werd een tirailleurscompagnie opgericht, ‘tirailleurs Franco-Belges’ genaamd, omdat de compagnie voornamelijk bestond uit Franse en Belgische vrijwilligers. Op 1 juni van datzelfde jaar was de compagnie tot een klein bataljon uitgegroeid en kwam de leiding ervan in handen van de Franse luitenant-kolonel graaf De Becdeliévre.
Garibaldi zat in ongeveer dezelfde tijd ook niet stil. Na de dood van de koning van het koninkrijk Napels-Sicilié veroverde hij in snel tempo met een kleine strijdmacht ‘roodhemden’ Sicilié en bijna heel Zuid-Italié. Hij maakte aanstalten het overgebleven deel van de Kerkelijke Staat inclusief Rome te bezetten. Dat was tegen de zin van Victor Emanuel en de zijnen en bovendien van Napoleon III. Victor Emanuel besloot daarop zelf de Kerkelijke Staat aan te vallen en kreeg hierbij de steun van de Fransen op voorwaarde dat het Patrimonium Petri, het kerngebied van het Kerkelijke Staat, niet zou worden aangetast. Op 11 september 1860 vielen troepen vanuit Piemonte, onder voorwendsel de paus tegen Garibaldi te beschermen, de Kerkelijke Staat binnen. Het kleine, zwakke en ongemotiveerde pauselijke leger, waaronder 280 ‘tirailleurs Franco-Belges’ waarvan twee Nederlanders, ging op 18 oktober 1860 in de tegenaanval. Nabij Castelfidardo, in de Romagna, aan de oostkust van Italié leed het een ‘eervolle’ nederlaag. De Fransen lieten dat alles zoals was afgesproken oogluikend toe. Hun troepenmacht bleef in Rome ter bescherming van de paus.
Door de nederlaag verloor paus Pius IX het grootste deel van zijn gebied. Slechts het Patrimonium Petri (erfgoed van Petrus), een gebied rond Rome, lang ca. 120 km en breed ca. 60 km, bleef behouden. Het door Garibaldi veroverde zuidelijke deel van Italié sloot zich uiteindelijk aan bij het Koninkrijk Sardinié-Piemonte. Op 17 maart 1861 werd het koninkrijk Italié uitgeroepen met Victor Emanuel II als koning en Turijn als voorlopige hoofdstad. Garibaldi werd voor bewezen diensten bedankt.
Generaal De la Moriciére trok zich na de nederlaag bij Castelfidardo uit onvrede met het wereldlijk bestuur in Rome terug en werd vervangen door graaf Louis de Becdeliévre, tot dan toe de commandant van de ‘tirailleurs Franco-Belges’.
Zouaven in het leger van de paus
Graaf Louis de Becdeliévre bezorgde zijn tirailleurs een opmerkelijk legeruniform. Het vertoonde veel gelijkenis met de gevechtskledij van het Franse keurkorps ‘Zouaves’, waarin oorspronkelijk alleen strijders behorende tot de lijfwacht van Berbervorsten waren opgenomen. In de volksmond werden de tirailleurs van de graaf al snel ‘zouaven’ genoemd.[1]
Het uniform van grijsblauw laken bestond uit een vest, een kort jasje met donkerrode tressen afgezet, een opvallend wijde pofbroek, oranje beenkappen, witte katoenen of leren slobkousen, lage bergschoenen, een brede donkerrode ceintuur en een grijze kepie. Op de ceintuur droegen de zouaven aan een leren koppel met opvallende gespen een lange bajonet in foedraal. Op hun kepie een geelkoperen insigne in de vorm van een jachthoorn. Op hun rechterborst droegen ze het pauselijke wapen, waaraan een kettinkje met een dun staafje was bevestigd. Met het staafje konden ze het zundgat van hun voorlader, waarmee ze oorspronkelijk waren bewapend, opensteken. Tot de persoonlijke uitrusting behoorde nog een opvallend wijde cape met capuchon, die in een rol op de ransel in gereedheid werd gehouden. Een kolbak met pluim werd bij officiële gelegenheden als ‘groot tenue’ gedragen.
Officieren droegen het uniform van blauw laken afgezet met zwarte tressen en gouden onderscheidingstekens op hun mouwen. Doorgaans droegen ze zwarte laarzen en aan hun koppel een sabel. Het opmerkelijke en schilderachtige tenue van de zouaven onderscheidde hen overduidelijk van hun tegenstanders.
Op 1 januari 1861 werd de naam van het vrijwilligersbataljon ‘tirailleurs Franco-Belges’ veranderd in ‘Zuavi Pontifici’ en ontstond de naam ‘Regiment der Pauselijke Zouaven’. Vanaf die tijd werden ook vrijwilligers van andere nationaliteiten in het regiment opgenomen. De leiding van het regiment kwam, na onenigheid tussen De Becdeliévre en De Merode, in handen van de Zwitserse kolonel Joseph Allet en diens assistent luitenant-kolonel De Charette. Allet werd voor zijn zouaven een zeer gewaardeerde leider en ‘papa Allet’ genoemd.
Van 1861 tot 1865 was de sterkte van het regiment langzaam gestegen tot ongeveer 1000 man. De paus en het Patrimonium Petri werden in die jaren beschermd door de Fransen, die een strijdmacht van ca. 20.000 man gelegerd hadden in Rome en enige grote plaatsen in de omgeving. De zouaven werden in die tijd voornamelijk ingezet bij het verjagen van troepjes Garibaldisten en met dezen sympathiserende struikrovers maar ook met het handhaven van de openbare orde. Ze waren meest gelegerd in kleine plaatsjes in de omgeving van Rome. Met de bevolking hadden ze weinig of geen contacten. Ze spraken de taal niet en bovendien was het gevaarlijk omdat een deel van de bevolking de eenwording steunde.
In 1864 sloot Victor Emanuel II met Napoleon III een ingewikkeld maar vooral diplomatiek getinte overeenkomst. Napoleon III, de verdediger van de paus, speelde weer een dubbele rol. Hij beschermde de paus maar erkende tegelijkertijd diens aanvaller Victor Emanuel II als koning van bijna heel Italié. Victor Emanuel zou de grenzen van het Patrimonium Petri waarborgen en toestaan dat de paus een leger van 10.000 man op de been bracht. En heel belangrijk: de keizer besloot zijn troepen in 1866 uit Rome terug te trekken.
In de loop van 1865 werd in Rome duidelijk dat men er weldra alleen voor zou staan.
De paus richtte nogmaals een oproep tot jongemannen uit de hele katholieke wereld om het resterende deel van de Kerkelijke Staat te helpen verdedigen. Alleen in Frankrijk, Belgié en iets later ook in Nederland reageerde men daarop relatief enthousiast.
Jongeren uit andere overwegend katholieke landen lieten het nagenoeg afweten. Het katholieke Italié, waar weinig steun te vinden was voor de zienswijze van de paus, leverde niet meer dan ongeveer 700 Italiaanse jongemannen als zouaaf. Ze werden door een deel van de Italiaanse bevolking min of meer als landverraders gezien.
In het ambtelijk bestuur dat de wereldlijke macht van de paus tot uitvoer bracht en voornamelijk door de clerus werd geleid, was het lang niet altijd pais en vrede; integendeel. De pauselijke minister van oorlog De Merode werd eind 1865 ‘vervangen’ door de Duitser Hermann Kanzler. Kanzler werd tevens aangesteld als opperbevelhebber van het pauselijke leger. Naast het korps zouaven bestond het pauselijke leger ook uit andere korpsen zoals Cavalerie, Artillerie, Jagers, het Italiaans keurkorps Squadriglieri, het Legioen van Antibe en zelfs een kleine Marine. Ook bij sommige van deze legeronderdelen dienden Nederlanders, verreweg het grootste deel van de Nederlanders behoorde tot het zouavenregiment.[2]
Het was in deze tijd dat de 33-jarige Raamsdonker Cornelis Vogel zich aanmeldde als zouaaf. Op 5 juni 1865 tekende hij een voorlopig dienstverband voor twee jaar. Daar bleef het bij, want hij reisde niet door naar Rome. Een half jaar later meldde hij zich voor de tweede keer en deze keer ging de reis naar Italië wel door. Cornelis Vogel diende gedurende een turbulente tijd als zouaaf in het leger van de paus.

‘Uit het epos der 3000 Nederlandse zouaven’.
‘Uit het epos der 3000 Nederlandse zouaven’
Zoals door de Franse keizer was besloten, vertrokken eind 1865 de eerste Franse troepen uit Velletri en Frosinone. In december 1866 verlieten ze Civita Vecchia en als laatsten vertrokken ze uit de Engelenburcht te Rome. Zouaven namen hun plaats in. Het pauselijke leger telde toen ca. 9000 manschappen waarvan ca. 1800 zouaven. Het regiment zouaven werd als het meest betrouwbare korps gezien.
Na het vertrek van de Fransen steeg het aantal aanvallen op het overgebleven deel van de Kerkelijke Staat en nam ook daarbinnen de onrust toe. In het najaar van 1867 zetten Garibaldisten onder de leiding van Giuseppe Garibaldi’s zoon Menotti, tegen de zin van de Fransen en Victor Emanuel, een offensief in om Rome te veroveren. Ze nestelden zich in een paar stadjes in het Patrimonium Petri. Zie afb. 1. Het pauselijk leger ging in de aanval.
Op 5 oktober 1867 vond een gevecht plaats bij Bagnorea, waar de Garibaldisten werden verdreven. Hetzelfde gebeurde bij Subatio en Nerola. Op 13 oktober joegen ca. negentig zouaven bij Monte-Libretti, na verwoede gevechten van man tegen man, 1200 Garibaldisten op de vlucht. Daarbij sneuvelden zestien zouaven, waarvonder zes Nederlanders. Onder hen was Pieter Janszoon Jong uit Lutjebroek, die daarna een bijna legendarische bekendheid kreeg. Een opstand in Rome op 22 oktober mislukte, maar een kazerne van de zouaven werd met springstoffen gedeeltelijk verwoest: 27 zouaven vonden daarbij de dood.
Garibaldi ontsnapte uit gevangenschap en voegde zich bij zijn zoon. Na zware gevechten veroverden de Garibaldisten op 26 oktober Monte-Rotondo en even daarna Mentana een dorpje noordoostelijk van Rome.
Bij Mentana, werd op 3 november 1867, door ca. 5500 pauselijke soldaten, waaronder 2500 zouaven, met steun van een inderhaast naar Rome gekomen Frans expeditieleger, een overmacht aan Garibaldisten definitief een halt toegeroepen. Garibaldi werd door de troepen van Victor Emanuel II gevangen genomen en zijn legermacht ontwapend. De rol van Giuseppe Garibaldi was uitgespeeld, hij speelde bij de verdere eenwording geen enkele rol meer. Rome was gered, voor een paar jaar althans.
Tijdens de actie bij Mentana sneuvelden dertien Nederlanders, waaronder Evert Heijmans uit Hank (Mariapolder).[3] De in Geertruidenberg geboren Gerard Verhaar raakte zwaargewond. De Raamsdonker Cornelis Vogel nam deel aan de 45-daagse veldtocht. Hem werd het zilveren Mentanakruis ‘Fidei et Virtuti’ (Trouw en Dapperheid) uitgereikt. Afb. 2.
De slag bij Mentana, waaraan ruim 900 Nederlandse zouaven deelnamen, werd voor de zouaven het meest gedenkwaardige gevecht. In zouavenkringen werd Mentana een begrip. Oud-zouaven herdachten de dag van de overwinning met regelmaat.
Aanvankelijk was het aantal Nederlanders in het regiment ‘pauselijke zouaven’ klein.
In de periode 1861 tot 1864 gaat het om ongeveer tachtig Nederlanders. Vermoedelijk waren het er meer, omdat in die jaren Nederlandse vrijwilligers die zich in Gent en later in Brussel aanmeldden nogal eens als Belgische zouaven werden geregistreerd. Nadat de paus in 1865 nogmaals opriep hem te hulp te komen, leverde Nederland uiteindelijk met ruim 3100 van de ca. 11.000 zouaven het grootste contingent. Van de ruim 3100 Nederlandse zouaven sneuvelden er dertig. Ongeveer 182 zouaven stierven aan 0.a. cholera, malaria en tyfus, twaalf van hen nadat ze ziek waren thuisgekomen.
Vooral de berichten over de succesvolle 45-daagse veldtocht en de overwinning bij Mentana op 3 november 1867 bracht in Nederland groot enthousiasme voor de zaak teweeg. Het veroorzaakte een stroom van Nederlandse jongens die als zouaaf dienst wilden nemen.

Vanuit de verzamelplaats Oudenbosch vertrokken vanaf 11 november tot en met 16 december 1867 niet minder dan 554 jongens ter keuring naar het aanmeldingscentrum te Brussel. Werden ze goedgekeurd, dan reisden ze door naar Rome.
Vanuit Raamsdonk meldden zich te Brussel aan:
Cornelis van Laarhoven op 29 november 1867,
Jacobus de Bot op 29 november 1867 en
Cornelis van Disseldorp op 2 december 1867.
Vanuit Roelofsarendsveen meldde zich te Brussel aan de in Raamsdonk geboren Adri Snijders op 31 oktober 1867. Afb. 3.
Na de veldslag bij Mentana vonden er voorlopig geen gevechten van betekenis meer plaats. De vier hierboven genoemde Raamsdonkers raakten niet bij gevechten van betekenis betrokken. Voor het pauselijke leger was een relatief rustige tijd aangebroken.
Het bleef bij schermutselingen met rondtrekkende roversbendes en ordediensten.

Collectie Nederlands Zouavenmuseum, Oudenbosch.
Collectie Nederlands Zouavenmuseum, Oudenbosch.
De situatie in en rond Rome was veranderd. Franse troepen lagen weer in de nabijheid van Rome, zeer tegen de zin van Napoleon III, maar hij kon niet anders. De paus voelde zich beschermd. De sterkte van het pauselijke leger groeide tot ruim 15000 man. In korte tijd nam het aantal zouaven toe tot 4300, waarvan bijna 1700 Nederlanders. De meesten van hen lagen in Rome gekazerneerd, afwisselend ook in een van de twintig dorpjes of forten in het Patrimonium Petri[4]. (Zie: Kerkelijke Staat)
In juli 1870 brak de Frans-Duitse oorlog uit. Napoleon III had zijn troepen nu elders nodig. In augustus verlieten de laatste Franse troepen Civita Vecchia. De paus stond er weer alleen voor.
Na de val van Sedan op 2 september 1870 en de overgave van Napoleon III, hadden de vrijheidsstrijders in Italië helemaal niets meer te vrezen van het Franse leger. Nu bood Victor Emanuel zich aan om de paus te beschermen, maar deze was daar niet van gediend. Hoewel met tegenzin besloot de katholieke Victor Emanuel geweld te gebruiken en hij trok met 50.000 man op naar Rome. Op 12 september 1870 werden bij Vitterbo en Civita Castellana groepjes zouaven gevangen genomen. Civita Vecchia capituleerde op 15 september. Het pauselijke leger werd op Rome teruggetrokken. Aan Italiaanse kant stond een overmacht aan strijders tegenover het pauselijk leger van ongeveer 8000 man, waarvan ongeveer de helft zouaven. Op 18 september 1870 begon het beleg van Rome. Een deel van de stadsmuur naast de Porta Pia werd op 20 september 1870 met geschut neergehaald. Nog een keer stormden zouaven de vijand tegemoet. Om nodeloos bloedvergieten in een ongelijke strijd te voorkomen gaf paus Pius IX opdracht de strijd te staken. Andere bronnen spreken van een afgesproken en symbolische verdediging van de bres.
De Raamsdonker Cornelis de Wit, die op 9 september 1868 in Rome aankwam, zou wellicht bij deze gevechten betrokken zijn geweest als hij niet voortijdig op 6 juni 1869 wegens ziekte naar Nederland was teruggekeerd.
Op 21 september 1870 namen de zouaven afscheid van de paus, leverden hun wapens in, werden krijgsgevangen gemaakt en werden per trein naar Civita Vecchia vervoerd.
Vandaar ging het per schip naar Genua waar een groot deel van de zouaven enige tijd onder slechte omstandigheden in een fort werd gelegerd. De thuisreis voerde per spoor via Oostenrijk en Duitsland. Het Italiaanse deel van de thuisreis werd als onaangenaam ervaren. Van de krijgsgevangen gemaakte zouaven bij Civita Castalana en Civita Vecchia is bekend dat ze de thuisreis onder zeer moeilijke omstandigheden hebben gemaakt. In oktober 1870 keerde het overgrote deel van de ontgoochelde en gedesillusioneerde zouaven in hun woonplaats terug. Ze werden als helden ingehaald, maar zoals het gewoonlijk gaat met terugkerende soldaten meer geëerd dan geholpen.
Als dank voor bewezen diensten werden zouaven vrijgesteld van de vastenwetten. Het verhaal wil dat daar sommigen tijdens de vastentijd tot grote irritatie en afgunst van hun omgeving dankbaar gebruik van maakten.
Rome werd officieel de hoofdstad van het koninkrijk Italié; koning Victor Emanuel II vanzelfsprekend in de kerkelijke ban gedaan. De paus beschouwde zich na de val van Rome als een gevangene.
In Rome had men de kracht van het Italiaanse nationalisme totaal verkeerd beoordeeld en getracht wereldlijke macht te behouden door gebruik te maken van geestelijke gezag.
Het wereldlijk bestuursapparaat dat de paus bijstond, had op vele fronten gefaald. De paus legde op zijn beurt iedere mogelijke politieke oplossing naast zich neer. Hij hing het diepgewortelde begrip aan dat de Kerkelijke Staat niet van hem maar van de Kerk was. Doordat steun uit het overgrote deel van de katholieke wereld ontbrak, leidde het voor paus Pius IX en zijn opvolgers tot een politiek isolement, dat tot 1929 zou duren.
Toen zag Mussolini dat de oplossing van het meningsverschil met de kerk hem voordelen bood. Het Verdrag van Lateranen kwam tot stand, waarbij de soevereiniteit van de paus werd erkend. De zogenaamde Romeinse kwestie behoorde daardoor tot het verleden. Vaticaanstad zoals wij dat kennen, ontstond: een miniatuurstaatje van 44 hectaren. Vanuit de gezichtshoek van de ondertussen oud geworden zouaven was hun strijd niet voor niets geweest. Het erfgoed van Sint Petrus was, hoewel in minimale vorm, dankzij hun inzet behouden gebleven.
Op weg naar Rome
De aanmelding van Nederlandse (en Belgische) vrijwilligers liep zoals hierboven al werd aangestipt uitsluitend via Belgié. Eerst in Gent en later in Brussel was een centrum gevestigd waar aankomende zouaven zich konden melden en voorlopig gekeurd werden. In Maastricht, ‘s-Hertogenbosch, later Tilburg en vooral Oudenbosch verzamelden zich de vrijwilligers alvorens ze gezamenlijk naar Brussel vertrokken.
Vanaf ongeveer 1865 speelde in onze streken de in Tilburg wonende Joannes Vrancken bij de werving en opvang van toekomstige zouaven een grote rol. Vrancken was redacteur van ‘De Noordbrabanter’ en bevorderde in onze omgeving de interesse om als zouaaf dienst te nemen door daartoe geschikte artikelen te ontlenen aan Belgische bladen.
Oudenbosch was in de jaren 1864-1870 het voornaamste verzamelpunt van aspirantzouaven in Nederland. Daar had pastoor Hellemons, die al in 1863 actief was bij het werven van zouaven, in de kostschool van St. Louis een opvangcentrum ingericht. In Oudenbosch werden de kandidaten voorzien van geestelijke en praktische raadgevingen van de pastoor en broeder Bernardinus van St. Louis. De volgende morgen ging men groepsgewijs naar Brussel voor de medische keuring. Oudenbosch speelde ook bij de terugkeer van (gewonde) zouaven na hun diensttijd in Rome een rol.
Om zouaaf te kunnen worden moest men uiteraard rooms-katholiek zijn. Zijn christelijke toewijding en goed gedrag moest blijken uit een aanbevelingsbrief van de pastoor van zijn parochie. De naam, voornaam, leeftijd, geboorteplaats en de namen van de ouders van de aankomende zouaaf werden gecontroleerd aan de hand van een document van de burgerlijke overheid. Voorts moest de kandidaat ongehuwd of weduwnaar zonder kinderen zijn, vrij van militaire verplichtingen in Nederland, minimaal 17 jaar en niet ouder dan 35 jaar zijn. Uit een doktersattest moest de lichamelijke gezondheid van de toekomstige zouaaf blijken. De eisen waaraan hij moest voldoen, waren volgens sommige bronnen minder streng dan die voor het Nederlandse leger. Een minimumlengte van 1,57 meter werd vereist. Minderjarigen hadden de uitdrukkelijke toestemming van hun ouders nodig. Het blijkt dat de aspirant-zouaven buiten het paspoort, het bewijs van de pastoor en dat van de burgerlijke overheid, lang niet altijd de andere genoemde documenten in Brussel overlegden.
Werd de kandidaatin Brussel goedgekeurd, dan tekende hij op zijn ‘Feuille d’enrélement’ voor een voorlopig 2-jarig dienstverband en reisde meteen door naar Rome. Enkelen tekenden later bij; (onder)officieren bleven vaak langer in dienst.
Wilde men als Nederlander in een buitenlands leger ingelijfd worden dan moest officieel toestemming aan de koning worden gevraagd. Wie dat niet deed - dat waren er vooral door onwetendheid velen - verloor zijn Nederlanderschap en werd stateloos.
Van de in Geertruidenberg geboren M.J. Koenen is bekend dat hij aan koning Willem III toestemming vroeg om in vreemde krijgsdienst te gaan. Op 17 december 1867 werd zijn verzoek ingewilligd.
Vanuit Belgié ging de reis per trein via Parijs naar Marseille, waar ze na twee dagen aankwamen. Daarna volgde een tweedaagse bootreis naar Civita Vecchia, een kustplaatsje even te noorden van Rome. Vanuit deze havenplaats ging het per spoor naar Rome. Vijf of zes dagen nadat ze gekeurd waren in Brussel, werden ze als rekruut in het regiment opgenomen. De kosten van de reis, ca. 60 gulden, konden worden betaald dankzij gulle schenkingen van het katholieke volksdeel van Nederland.
In Rome
In Rome werden ze soms opgevangen door een officier en enige onderofficieren van het korps. Vaak was daar echter alleen de Nederlandse jezuiet Wilde, die de aspirantzouaven naar het ‘depot’ bracht. Daar werden ze nogmaals medisch gekeurd. Het kwam voor dat ze niet door de keuring kwamen en naar huis werden gestuurd.
De militaire opleiding, onder leiding van de Nederlandse luitenant Adriaan Looymans uit Oudenbosch, vond plaats in de omgeving van Rome en duurde ongeveer acht weken.
Looymans was een van de slechts acht Nederlandse officieren van het regiment Zouaven. Speciale aandacht was er gedurende de rekrutentijd voor de in het Frans gegeven bevelen tijdens exercities en veldoefeningen. Ook het schijfschieten stond hoog aangeschreven, wat resulteerde in een relatief groot aantal scherpschutters onder de zouaven. Tot 1868 waren de zouaven uitgerust met een zogenaamde voorlader, daarna met een ‘Remington’, een achterlader (13 schoten per minuut en als je geluk had ook 13 Garibaldisten). Na de rekrutentijd legden ze de vaandeleed af en werden opgenomen in het regiment.
Het regiment stond nagenoeg geheel onder leiding van Franse officieren grotendeels afkomstig uit adellijke geslachten. Door de leiding van het regiment werd min of meer neergekeken op de Hollanders en Vlamingen die de Franse taal niet machtig waren. De zouaven uit Nederland maalden daar niet om, ze waren blij met alles wat ze konden doen voor hun paus Pio Nono.
Het garnizoensleven was tamelijk eentonig. Talrijk waren de wachtposten die door zouaven werden bemand; veelvuldig de patrouilles door stad en land. Om verveling te voorkomen en de conditie op peil te houden werd dikwijls geéxerceerd en werden lange marsen georganiseerd in de omgeving van Rome. Afleiding brachten ook de zes weken durende manoeuvres in het Campo Rocca di Papa - ooit het kamp van Hannibal - waar realistische oefeningen werden gehouden en schijnaanvallen op dorpjes plaatsvonden.
Hoogtepunt daarbij was een bezoek van de aimabele paus, die door de zouaven op handen werd gedragen. De paus was een eenvoudige man met grote charme, humor en hartelijkheid. De relatie tussen de zouaven en hun Pio Nono was bijzonder. De paus was voor hen een vaderlijke figuur, en al was hij prikkelbaar, impulsief en onevenwichtig, hem werden door de zouaven haast hemelse gaven toegedicht. Van Pio Nono op zijn beurt is geen enkel gebaar van ook maar enig ongenoegen bekend ten opzichte van de zouaven. Hij hield niet op zijn zouaven te eren en te zegenen.
Afleiding brachten ook de kerkelijke plechtigheden die met pracht en praal in de Sint Pieter werden gevierd. Zo zal de heiligverklaring van de martelaren van Gorkum aan Cornelis Vogel niet zijn ontgaan en het gouden priesterfeest van Pius IX, op 11 april 1869, niet aan de andere vijf Raamsdonkers.
In hun vrije tijd konden de zouaven terecht bij een voor de Nederlandse zouaven ingericht pand aan de Campo dei’ Fiori (of Piazza Farnese?). In het zogenaamde Holland Casino waren een kleine bibliotheek, een schrijfzaal, een koffiekamer, een soort restaurant, een ziekenzaaltje en een tuin met zitjes. Daar kwamen de zouaven bij elkaar om zich te vermaken, een kaartje te leggen of ‘Hollandse bladen’ te lezen.
Duidelijk is dat de genoten soldij volledig ontoereikend was. Het thuisfront moest bijspringen.
Weer thuis
Na twee jaar verlieten de meesten het leger en keerden naar Nederland terug; met zouavenuniform. Ze brachten soms kleine geschenken mee voor hun familie, zoals medailles, afbeeldingen van de paus, een rozenkrans (door de paus gewijd) of een paar steentjes uit het Colosseum of de catacomben. Het zouavenmuseum in Oudenbosch getuigt daarvan.
Als de zouaven dachten na hun thuiskomst hun maatschappelijke en sociale positie te kunnen verbeteren, is dat meestal niet uitgekomen. Ze waren arm naar Rome gegaan en kwamen arm weer thuis. Ze stonden bij hun geloofsgenoten in aanzien en het feit dat
ze meer hadden beleefd en gezien dan hun meeste plaatsgenoten gaf hun een speciale positie. Ze hadden respect verworven maar het bracht hun geen financieel voordeel.
Voor de meeste zouaven is de tijd dat ze in Italië verbleven van grote invloed geweest op hun verdere leven, ze raakten er ook nimmer over uitgepraat.
Na hun terugkeer richtten de zouaven broederschappen of bonden op, die tenminste in de beginperiode tot doel hadden om gereed te staan, wanneer de paus weer een beroep op hen zou doen. Later zetten oud-zouaven - ze hadden onbewust in twee jaar een sterke onderlinge band opgebouwd - zich in om elkaar (ook financieel) te steunen en activiteiten te ondernemen op kerkelijk en sociaal gebied.
In familiekring werd de oud-zouaaf vaak beschouwd als een soort heilige die bij voorkeur werd ingezet als zich godsdienstige gelegenheden voordeden zoals doop of communie. Ook in de parochie bleef de zouaaf opvallend present en hij behoorde er soms tot de ornamentiek van de parochiekerk. Rond de eeuwwisseling was er, als we Godfried Bomans mogen geloven, geen processie denkbaar zonder dat er een zouaaf in uniform meeliep.[5] In de stoet die de bisschop tegemoet ging voor de kerkwijding in Raamsdonksveer op 18 september 1893 werd het pauselijk leger echter vertegenwoordigd door een aantal in splinternieuwe zouavenpakken gestoken jongens die een beeld van de toenmalige paus omzoomden. Woonden in Raamsdonksveer toen geen oud-zouaven?
In Raamsdonk stelden de oud-zouaven zich blijkbaar al evenmin beschikbaar om kerkelijke plechtigheden met hun aanwezigheid op te sieren. We vonden er geen vermelding van.
De meeste Nederlandse zouaven verloren door hun dienstneming het Nederlandse staatsburgerschap, ze waren stateloos. Slechts weinigen konden 69 gulden betalen om zich te laten naturaliseren. Dat leverde na terugkeer vaak grote moeilijkheden op. Ze konden bijvoorbeeld geen aanspraak maken op ondersteuning van de Nederlandse Staat. Pas in 1947 werd aan alle zouaven officieel het Nederlanderschap teruggegeven.
Een postuum herstel, want de laatste Nederlandse zouaaf, de 95-jarige Petrus Verbeek uit Rosmalen, overleed in september 1946.
Op 13 november 1892 vond in Utrecht een bijeenkomst plaats van oud-zouaven ter viering van de 25e verjaardag van de slag bij Mentana en als protest tegen de behandeling van de paus. Onder de 600 aanwezige oud-strijders waren ook de Raamsdonkse oud-zouaven Van Disseldorp, De Wit en Snijders. Die dag werden de oud-zouaven onderscheiden met de bronzen Bene Merenti medaille.[6] Deze onderscheiding, gedragen aan een zijden wit-blauw gestreept lint, was hun door paus Leo XIII verleend, zoals generaal De Charette van het voormalige pauselijk leger op 21 juni 1891 bekendmaakte. De generaal was in Utrecht aanwezig en zette daar ook de eerste stap die leidde tot de oprichting van een algemene Nederlandse zouavenbond[7]
Bron, Digitalisering en Wiki opmaak: Terry van Erp

- ↑ 1
- ↑ 2
- ↑ 3
- ↑ Terry van Erp - (Lat.), het erfdeel van Petrus; de Kerkelijke Staat
- ↑ 4
- ↑ 5
- ↑ Terry van Erp - De Algemene Nederlandse Zouavenbond was een in 1892 opgerichte organisatie voor oud-strijders, bestaande uit lokale broederschappen voor veteranen die tussen 1861 en 1870 als vrijwilliger vochten voor paus Pius IX.
