Zouaven uit Raamsdonk in het leger van de paus

Uit Wiki Raamsdonk

Door: H. Waas en J.C. Thijssen in De Dongebode van 2002

Wat voorafging

Na de Napoleontische oorlogen werd Italié, zoals we dat nu kennen, met instemming van het Congres van Wenen (1815) opnieuw een onsamenhangend geheel van staatjes.
Een ervan was de Kerkelijke Staat waarover de paus sinds eeuwen wereldlijke macht uitoefende en daarom ook wel Pauselijk Staat werd genoemd. Het omvatte landstreken in Midden-Italié van de oost- tot de westkust, in oppervlakte iets groter dan Nederland.
Nadat in 1815 het pauselijk gezag over het gebied zonder omhaal opnieuw was erkend enhersteld, werd het vrijwel meteen door nationalistisch gezinde groeperingen bedreigd.
Voor de paus als koning en voor de Kerkelijke Staat voorlopig nog zonder gevolgen.
Omstreeks 1850 ontstonden er twee sterke stromingen die gesteund door een groot deel van de bevolking streefden naar staatkundige eenwording. De republikein, vrijbuiter en vrijheidsstrijder Giuseppe Garibaldi (1807-1882) stond een republiek Italié voor ogen.
Koning Victor Emanuel II van Sardinié-Piemonte werkte, krachtig gesteund door zijn minister-president graaf Cavour, aan een koninkrijk Italié. Voor zowel Victor Emanuel als Garibaldi stond vast dat het grondgebied van de Kerkelijke Staat in de toekomst deel zou uitmaken van een verenigd Italié. Rome zou de hoofdstad worden.
Met uit tactische overwegingen gegeven steun van keizer Napoleon III kon paus Pius IX zijn wereldlijke macht tegenover het aanzwellende Italiaanse nationalisme staande houden, maar de keizer kneep regelmatig een politiek en militair oogje, zeg maar oog, dicht. Op sympathie van veel Italianen kon de paus niet meer rekenen nadat hij in 1848 geen partij wenste te kiezen toen de Oostenrijkers het noorden van Italié binnentrokken.
In april 1859 brak een door Cavour uitgelokte oorlog tussen Oostenrijk en het koninkrijk Sardinié-Piemonte uit. Frankrijk steunde de ideeén van het koninkrijk en kwam militair te hulp. Voor een aantal steden in het noordelijke deel van de Kerkelijke Staat was dat de gelegenheid om in opstand te komen tegen het bestuur vanuit Rome.
Het verzet broeide daar al langer maar het werd al jaren in bedwang gehouden door Oostenrijkse troepen die op verzoek van de paus de rust handhaafden. Nu Oostenrijk zijn troepen elders nodig had, zag men in het meest welvarende deel van de Kerkelijke Staat dé kans zich aan te sluiten bij het koninkrijk Sardinié-Piemonte. Na de nederlaag van de Oostenrijkers werd het noordelijke deel van de Kerkelijke Staat - Romagna en een deel van Toscane - met instemming van de Fransen inderdaad bij het koninkrijk gevoegd. Het pauselijke leger dat optrok naar de Romagna kwam door massale desertie van zijn manschappen niet eens in de buurt van de afgescheiden staat.

Paus Pius IX begreep dat hij niet onvoorwaardelijk en blijvend op Franse steun kon rekenen. Hij had een betrouwbaar, krachtig en goed georganiseerd leger nodig om het grondgebied van de Kerk te verdedigen en zo mogelijk te heroveren. Monseigneur Xavier de Merode (1820-1874) werd aangesteld om het pauselijke leger te reorganiseren.
Deze prelaat, telg uit een adellijk Belgisch geslacht, deed van 1838 tot 1847 dienst als beroepsofficier in een Belgische eliteregiment. De Merode verbleef ook enige tijd bij Franse troepen in Algerije en leerde daar de Franse Generaal De la Moriciére kennen.
Deze generaal met een imposante staat van dienst werd als bevelhebber van het pauselijke leger aangetrokken. Hij bracht een aantal Franse, meest adellijke, vrijwilligers mee. Rooms-katholieke jongemannen werden opgeroepen de paus als vrijwilliger te hulp te komen. In Belgié werd als een der eerste een centrum opgezet waar men zich kon aanmelden als vrijwilliger.
In het voorjaar van 1860 werd een tirailleurscompagnie opgericht, ‘tirailleurs Franco-Belges’ genaamd, omdat de compagnie voornamelijk bestond uit Franse en Belgische vrijwilligers. Op 1 juni van datzelfde jaar was de compagnie tot een klein bataljon uitgegroeid en kwam de leiding ervan in handen van de Franse luitenant-kolonel graaf De Becdeliévre.

Garibaldi zat in ongeveer dezelfde tijd ook niet stil. Na de dood van de koning van het koninkrijk Napels-Sicilié veroverde hij in snel tempo met een kleine strijdmacht ‘roodhemden’ Sicilié en bijna heel Zuid-Italié. Hij maakte aanstalten het overgebleven deel van de Kerkelijke Staat inclusief Rome te bezetten. Dat was tegen de zin van Victor Emanuel en de zijnen en bovendien van Napoleon III. Victor Emanuel besloot daarop zelf de Kerkelijke Staat aan te vallen en kreeg hierbij de steun van de Fransen op voorwaarde dat het Patrimonium Petri, het kerngebied van het Kerkelijke Staat, niet zou worden aangetast. Op 11 september 1860 vielen troepen vanuit Piemonte, onder voorwendsel de paus tegen Garibaldi te beschermen, de Kerkelijke Staat binnen. Het kleine, zwakke en ongemotiveerde pauselijke leger, waaronder 280 ‘tirailleurs Franco-Belges’ waarvan twee Nederlanders, ging op 18 oktober 1860 in de tegenaanval. Nabij Castelfidardo, in de Romagna, aan de oostkust van Italié leed het een ‘eervolle’ nederlaag. De Fransen lieten dat alles zoals was afgesproken oogluikend toe. Hun troepenmacht bleef in Rome ter bescherming van de paus.
Door de nederlaag verloor paus Pius IX het grootste deel van zijn gebied. Slechts het Patrimonium Petri (erfgoed van Petrus), een gebied rond Rome, lang ca. 120 km en breed ca. 60 km, bleef behouden. Het door Garibaldi veroverde zuidelijke deel van Italié sloot zich uiteindelijk aan bij het Koninkrijk Sardinié-Piemonte. Op 17 maart 1861 werd het koninkrijk Italié uitgeroepen met Victor Emanuel II als koning en Turijn als voorlopige hoofdstad. Garibaldi werd voor bewezen diensten bedankt.
Generaal De la Moriciére trok zich na de nederlaag bij Castelfidardo uit onvrede met het wereldlijk bestuur in Rome terug en werd vervangen door graaf Louis de Becdeliévre, tot dan toe de commandant van de ‘tirailleurs Franco-Belges’.

Zouaven in het leger van de paus

Graaf Louis de Becdeliévre bezorgde zijn tirailleurs een opmerkelijk legeruniform. Het vertoonde veel gelijkenis met de gevechtskledij van het Franse keurkorps ‘Zouaves’, waarin oorspronkelijk alleen strijders behorende tot de lijfwacht van Berbervorsten waren opgenomen. In de volksmond werden de tirailleurs van de graaf al snel ‘zouaven’ genoemd.[1]
Het uniform van grijsblauw laken bestond uit een vest, een kort jasje met donkerrode tressen afgezet, een opvallend wijde pofbroek, oranje beenkappen, witte katoenen of leren slobkousen, lage bergschoenen, een brede donkerrode ceintuur en een grijze kepie. Op de ceintuur droegen de zouaven aan een leren koppel met opvallende gespen een lange bajonet in foedraal. Op hun kepie een geelkoperen insigne in de vorm van een jachthoorn. Op hun rechterborst droegen ze het pauselijke wapen, waaraan een kettinkje met een dun staafje was bevestigd. Met het staafje konden ze het zundgat van hun voorlader, waarmee ze oorspronkelijk waren bewapend, opensteken. Tot de persoonlijke uitrusting behoorde nog een opvallend wijde cape met capuchon, die in een rol op de ransel in gereedheid werd gehouden. Een kolbak met pluim werd bij officiële gelegenheden als ‘groot tenue’ gedragen.
Officieren droegen het uniform van blauw laken afgezet met zwarte tressen en gouden onderscheidingstekens op hun mouwen. Doorgaans droegen ze zwarte laarzen en aan hun koppel een sabel. Het opmerkelijke en schilderachtige tenue van de zouaven onderscheidde hen overduidelijk van hun tegenstanders.

Op 1 januari 1861 werd de naam van het vrijwilligersbataljon ‘tirailleurs Franco-Belges’ veranderd in ‘Zuavi Pontifici’ en ontstond de naam ‘Regiment der Pauselijke Zouaven’. Vanaf die tijd werden ook vrijwilligers van andere nationaliteiten in het regiment opgenomen. De leiding van het regiment kwam, na onenigheid tussen De Becdeliévre en De Merode, in handen van de Zwitserse kolonel Joseph Allet en diens assistent luitenant-kolonel De Charette. Allet werd voor zijn zouaven een zeer gewaardeerde leider en ‘papa Allet’ genoemd.
Van 1861 tot 1865 was de sterkte van het regiment langzaam gestegen tot ongeveer 1000 man. De paus en het Patrimonium Petri werden in die jaren beschermd door de Fransen, die een strijdmacht van ca. 20.000 man gelegerd hadden in Rome en enige grote plaatsen in de omgeving. De zouaven werden in die tijd voornamelijk ingezet bij het verjagen van troepjes Garibaldisten en met dezen sympathiserende struikrovers maar ook met het handhaven van de openbare orde. Ze waren meest gelegerd in kleine plaatsjes in de omgeving van Rome. Met de bevolking hadden ze weinig of geen contacten. Ze spraken de taal niet en bovendien was het gevaarlijk omdat een deel van de bevolking de eenwording steunde.

In 1864 sloot Victor Emanuel II met Napoleon III een ingewikkeld maar vooral diplomatiek getinte overeenkomst. Napoleon III, de verdediger van de paus, speelde weer een dubbele rol. Hij beschermde de paus maar erkende tegelijkertijd diens aanvaller Victor Emanuel II als koning van bijna heel Italié. Victor Emanuel zou de grenzen van het Patrimonium Petri waarborgen en toestaan dat de paus een leger van 10.000 man op de been bracht. En heel belangrijk: de keizer besloot zijn troepen in 1866 uit Rome terug te trekken. In de loop van 1865 werd in Rome duidelijk dat men er weldra alleen voor zou staan.
De paus richtte nogmaals een oproep tot jongemannen uit de hele katholieke wereld om het resterende deel van de Kerkelijke Staat te helpen verdedigen. Alleen in Frankrijk, Belgié en iets later ook in Nederland reageerde men daarop relatief enthousiast.
Jongeren uit andere overwegend katholieke landen lieten het nagenoeg afweten. Het katholieke Italié, waar weinig steun te vinden was voor de zienswijze van de paus, leverde niet meer dan ongeveer 700 Italiaanse jongemannen als zouaaf. Ze werden door een deel van de Italiaanse bevolking min of meer als landverraders gezien.

In het ambtelijk bestuur dat de wereldlijke macht van de paus tot uitvoer bracht en voornamelijk door de clerus werd geleid, was het lang niet altijd pais en vrede; integendeel. De pauselijke minister van oorlog De Merode werd eind 1865 ‘vervangen’ door de Duitser Hermann Kanzler. Kanzler werd tevens aangesteld als opperbevelhebber van het pauselijke leger. Naast het korps zouaven bestond het pauselijke leger ook uit andere korpsen zoals Cavalerie, Artillerie, Jagers, het Italiaans keurkorps Squadriglieri, het Legioen van Antibe en zelfs een kleine Marine. Ook bij sommige van deze legeronderdelen dienden Nederlanders, verreweg het grootste deel van de Nederlanders behoorde tot het zouavenregiment.[2]
Het was in deze tijd dat de 33-jarige Raamsdonker Cornelis Vogel zich aanmeldde als zouaaf. Op 5 juni 1865 tekende hij een voorlopig dienstverband voor twee jaar. Daar bleef het bij, want hij reisde niet door naar Rome. Een half jaar later meldde hij zich voor de tweede keer en deze keer ging de reis naar Italië wel door. Cornelis Vogel diende gedurende een turbulente tijd als zouaaf in het leger van de paus.

Kaart van het Patrimonium Petri in 1867. ‘Uit het epos der 3000 Nederlandse zouaven’.
Kaart van het Patrimonium Petri in 1867.
‘Uit het epos der 3000 Nederlandse zouaven’.
Afbeelding 1: Kaart van het Patrimonium Petri in 1867.
‘Uit het epos der 3000 Nederlandse zouaven’

Zoals door de Franse keizer was besloten, vertrokken eind 1865 de eerste Franse troepen uit Velletri en Frosinone. In december 1866 verlieten ze Civita Vecchia en als laatsten vertrokken ze uit de Engelenburcht te Rome. Zouaven namen hun plaats in. Het pauselijke leger telde toen ca. 9000 manschappen waarvan ca. 1800 zouaven. Het regiment zouaven werd als het meest betrouwbare korps gezien.
Na het vertrek van de Fransen steeg het aantal aanvallen op het overgebleven deel van de Kerkelijke Staat en nam ook daarbinnen de onrust toe. In het najaar van 1867 zetten Garibaldisten onder de leiding van Garibaldi’s zoon Menotti, tegen de zin van de Fransen en Victor Emanuel, een offensief in om Rome te veroveren. Ze nestelden zich in een paar stadjes in het Patrimonium Petri. Zie afb. 1. Het pauselijk leger ging in de aanval. Op 5 oktober 1867 vond een gevecht plaats bij Bagnorea, waar de Garibaldisten werden verdreven. Hetzelfde gebeurde bij Subatio en Nerola. Op 13 oktober joegen ca. negentig zouaven bij Monte-Libretti, na verwoede gevechten van man tegen man, 1200 Garibaldisten op de vlucht. Daarbij sneuvelden zestien zouaven, waarvonder zes Nederlanders. Onder hen was Pieter Janszoon Jong uit Lutjebroek, die daarna een bijna legendarische bekendheid kreeg. Een opstand in Rome op 22 oktober mislukte, maar een kazerne van de zouaven werd met springstoffen gedeeltelijk verwoest: 27 zouaven vonden daarbij de dood.
Garibaldi ontsnapte uit gevangenschap en voegde zich bij zijn zoon. Na zware gevechten veroverden de Garibaldisten op 26 oktober Monte-Rotondo en even daarna Mentana een dorpje noordoostelijk van Rome.
Bij Mentana, werd op 3 november 1867, door ca. 5500 pauselijke soldaten, waaronder 2500 zouaven, met steun van een inderhaast naar Rome gekomen Frans expeditieleger, een overmacht aan Garibaldisten definitief een halt toegeroepen. Garibaldi werd door de troepen van Victor Emanuel gevangen genomen en zijn legermacht ontwapend. De rol van Garibaldi was uitgespeeld, hij speelde bij de verdere eenwording geen enkele rol meer. Rome was gered, voor een paar jaar althans.
Tijdens de actie bij Mentana sneuvelden dertien Nederlanders, waaronder Evert Heijmans uit Hank (Mariapolder).[3] De in Geertruidenberg geboren Gerard Verhaar raakte zwaargewond. De Raamsdonker Cornelis Vogel nam deel aan de 45-daagse veldtocht. Hem werd het zilveren MentanakruisFidei et Virtuti’ (Trouw en Dapperheid) uitgereikt. Afb. 2.
De slag bij Mentana, waaraan ruim 900 Nederlandse zouaven deelnamen, werd voor de zouaven het meest gedenkwaardige gevecht. In zouavenkringen werd Mentana een begrip. Oud-zouaven herdachten de dag van de overwinning met regelmaat.

Aanvankelijk was het aantal Nederlanders in het regiment ‘pauselijke zouaven’ klein.
In de periode 1861 tot 1864 gaat het om ongeveer tachtig Nederlanders. Vermoedelijk waren het er meer, omdat in die jaren Nederlandse vrijwilligers die zich in Gent en later in Brussel aanmeldden nogal eens als Belgische zouaven werden geregistreerd. Nadat de paus in 1865 nogmaals opriep hem te hulp te komen, leverde Nederland uiteindelijk met ruim 3100 van de ca. 11.000 zouaven het grootste contingent. Van de ruim 3100 Nederlandse zouaven sneuvelden er dertig. Ongeveer 182 zouaven stierven aan 0.a. cholera, malaria en tyfus, twaalf van hen nadat ze ziek waren thuisgekomen.
Vooral de berichten over de succesvolle 45-daagse veldtocht en de overwinning bij Mentana op 3 november 1867 bracht in Nederland groot enthousiasme voor de zaak teweeg. Het veroorzaakte een stroom van Nederlandse jongens die als zouaaf dienst wilden nemen.

Afbeelding 2: Mentanakruis ‘Fidei et Virtuti’
Afbeelding 2: Mentanakruis ‘Fidei et Virtuti
Afbeelding 2: Mentanakruis ‘Fidei et Virtuti

Vanuit de verzamelplaats Oudenbosch vertrokken vanaf 11 november tot en met 16 december 1867 niet minder dan 554 jongens ter keuring naar het aanmeldingscentrum te Brussel. Werden ze goedgekeurd, dan reisden ze door naar Rome.

Vanuit Raamsdonk meldden zich te Brussel aan:
Cornelis van Laarhoven op 29 november 1867,
Jacobus de Bot op 29 november 1867 en
Cornelis van Disseldorp op 2 december 1867.
Vanuit Roelofsarendsveen meldde zich te Brussel aan de in Raamsdonk geboren Adri Snijders op 31 oktober 1867. Afb. 3.

Na de veldslag bij Mentana vonden er voorlopig geen gevechten van betekenis meer plaats. De vier hierboven genoemde Raamsdonkers raakten niet bij gevechten van betekenis betrokken. Voor het pauselijke leger was een relatief rustige tijd aangebroken.
Het bleef bij schermutselingen met rondtrekkende roversbendes en ordediensten.

Adr. Snijders in zouaventenue te Rome. Collectie Nederlands Zouavenmuseum, Oudenbosch.
Adr. Snijders in zouaventenue te Rome.
Collectie Nederlands Zouavenmuseum, Oudenbosch.
Adrianus Snijders in zouaventenue te Rome.
Collectie Nederlands Zouavenmuseum, Oudenbosch.

De situatie in en rond Rome was veranderd. Franse troepen lagen weer in de nabijheid van Rome, zeer tegen de zin van Napoleon III, maar hij kon niet anders. De paus voelde zich beschermd. De sterkte van het pauselijke leger groeide tot ruim 15000 man. In korte tijd nam het aantal zouaven toe tot 4300, waarvan bijna 1700 Nederlanders. De meesten van hen lagen in Rome gekazerneerd, afwisselend ook in een van de twintig dorpjes of forten in het Patrimonium Petri[4]. (Zie: Kerkelijke Staat)

In juli 1870 brak de Frans-Duitse oorlog uit. Napoleon III had zijn troepen nu elders nodig. In augustus verlieten de laatste Franse troepen Civita Vecchia. De paus stond er weer alleen voor.
Na de val van Sedan op 2 september 1870 en de overgave van Napoleon III, hadden de vrijheidsstrijders in Italië helemaal niets meer te vrezen van het Franse leger. Nu bood Victor Emanuel zich aan om de paus te beschermen, maar deze was daar niet van gediend. Hoewel met tegenzin besloot de katholieke Victor Emanuel geweld te gebruiken en hij trok met 50.000 man op naar Rome. Op 12 september 1870 werden bij Vitterbo en Civita Castellana groepjes zouaven gevangen genomen. Civita Vecchia capituleerde op 15 september. Het pauselijke leger werd op Rome teruggetrokken. Aan Italiaanse kant stond een overmacht aan strijders tegenover het pauselijk leger van ongeveer 8000 man, waarvan ongeveer de helft zouaven. Op 18 september 1870 begon het beleg van Rome. Een deel van de stadsmuur naast de Porta Pia werd op 20 september 1870 met geschut neergehaald. Nog een keer stormden zouaven de vijand tegemoet. Om nodeloos bloedvergieten in een ongelijke strijd te voorkomen gaf paus Pius IX opdracht de strijd te staken. Andere bronnen spreken van een afgesproken en symbolische verdediging van de bres.
De Raamsdonker Cornelis de Wit, die op 9 september 1868 in Rome aankwam, zou wellicht bij deze gevechten betrokken zijn geweest als hij niet voortijdig op 6 juni 1869 wegens ziekte naar Nederland was teruggekeerd.

Op 21 september 1870 namen de zouaven afscheid van de paus, leverden hun wapens in, werden krijgsgevangen gemaakt en werden per trein naar Civita Vecchia vervoerd.
Vandaar ging het per schip naar Genua waar een groot deel van de zouaven enige tijd onder slechte omstandigheden in een fort werd gelegerd. De thuisreis voerde per spoor via Oostenrijk en Duitsland. Het Italiaanse deel van de thuisreis werd als onaangenaam ervaren. Van de krijgsgevangen gemaakte zouaven bij Civita Castalana en Civita Vecchia is bekend dat ze de thuisreis onder zeer moeilijke omstandigheden hebben gemaakt. In oktober 1870 keerde het overgrote deel van de ontgoochelde en gedesillusioneerde zouaven in hun woonplaats terug. Ze werden als helden ingehaald, maar zoals het gewoonlijk gaat met terugkerende soldaten meer geéerd dan geholpen.
Als dank voor bewezen diensten werden zouaven vrijgesteld van de vastenwetten. Het verhaal wil dat daar sommigen tijdens de vastentijd tot grote irritatie en afgunst van hun omgeving dankbaar gebruik van maakten.
Rome werd officieel de hoofdstad van het koninkrijk Italié; koning Victor Emanuel II vanzelfsprekend in de kerkelijke ban gedaan. De paus beschouwde zich na de val van Rome als een gevangene.
In Rome had men de kracht van het Italiaanse nationalisme totaal verkeerd beoordeeld





raamsdonkshistorie.nl
raamsdonkshistorie.nl
  1. 1
  2. 2
  3. 3
  4. Terry van Erp - (Lat.), het erfdeel van Petrus; de Kerkelijke Staat