Zottenfeest

Uit Wiki Raamsdonk

28 december - Onnozele Kinderdag - Het Kerkelijke Zottenfeest

Dit is een verhaal over het middeleeuwse Zottenfeest. Het had talrijke namen:

  • Alderkinderendach
  • Den sotten Paus van deser kercken.
  • Episcopus Puerorum / Bisschop der Kinderen
  • Festum Asinorum / Het feest van de ezels

En nog vele andere namen. Deze tekst is een samenvatting. De bronvermeldingen bij deze tekst zijn te vinden in:

SERMON ARMAND (2001). Carnaval.
Geschiedenis van het carnaval van Keizer Karel tot Eedje Anseele.
Gent: Stichting Mens en Kultuur.
SERMON ARMAND (2001). Van Zwarte Klaas tot Sinterklaas. Zwarte Piet, de Duivel, een Maagd, Sinte Maarten, Nicodemus.
Gent: Mens en Cultuur Uitgevers.

Het Kerkelijke Zottenfeest

Met Sinterklaas maar meestal in de dagen tussen Kerstmis en Nieuwjaar en vooral op achtentwintig december, Dag van de Onnozele Kinderen, vierde men in de kerken het merkwaardige feest van de Kinderbisschop of de ‘episcopus puerorum’. Volgens sommige vermeldingen startte het feest op zes december met Sinterklaas, patroon der scholieren. In het veertiende-eeuwse Brussel werd een prelaat verkozen die in functie kwam op vijf december (de vooravond van Sinterklaas). Hij bleef in functie tot de dag na Onnozelekinderen, negenentwintig december. Gedurende deze tijd mocht hij vrij rondgaan in de Sint-Goedele om gedurende de kerkdiensten giften rond te halen. Door de voortdurende verbodsbepalingen vanwege de kerkelijke hiërarchie bestaat er een ruime documentatie over dit feest.
Reeds de Heilige AUGUSTINUS, later in 633 het Concilie van Toledo([1]), en in 1249 Paus Innocentius IV verboden het feest. Duizend jaar later werd het nog her en der gevierd. Tot in vorige eeuw werd in sommige kerken van Spanje luidruchtig en vermomd rondgesprongen, menig schrijver maakt er gewag van. In Brussel trachtte men de meute feestvierders uit de kerk te weren en betaalde men daartoe enkele wachters:

Item, op Alderkinderendach, van den onbehoirlijke sotten ende lelijcke personagien uijter kercken te werene, 2 deniers grossorum.

De schooljeugd en de lagere kerkbedienden trokken allerlei vermommingen aan en kozen een paus of een bisschop, waarmee naar de kerk trokken om er een omgekeerde mis op te dragen, waarbij ze zongen, dansten en dronken.
In het Memorieboek der stad Gent lezen we:

De prochiepapen en clercken bedreven alle stede duere groote ghenouchte, ende hadden gheordineert eenen paus, die men hiet den ezelpaus.

Zij richtten een soort van stoet in, waarmee ze de verschillende wijken van de stoet doorkruisten. Zij kwamen in de huizen der burgers die ze met geweld binnendrongen. “Zij moesten het huis beclemmen met grooten aerbeyt.” Om de huizen te beschermen smeten de bewoners “groote vulichede naar de ‘parochiepapen”.
De kosten van dit feest werden zelfs betaald door de gemeenten. De rekeningen van Oudenbrug vermelden in 1465 onkosten “ghedaen als ons ledich (heilig!) vader den ezelpaus, (…) ende meer andre notable persoonen, die metter stede quamen eten.” Want blijkbaar hadden alle Vlaamse steden hun Zottenfeest. Het hospitaal van Oudenaarde schonk drie pond en zestien schellingen aan “den sotten Paus van deser kercken, hier binnen deser stede van Audenaerde” en zond zesenveertig schellingen naar “den sotten Paus van Curtericke, tot sijnder feesten”. De stadsrekening van Mechelen noteert zes stopen wijn aan “den ghemaecten abd van bruesele die hier toten bisscop van st rom(bou) comen was”. De kapelanen van de Sint-Pieter uit Leuven trokken op hun beurt op tegenbezoek bij de Brusselse bisschop met hun kardinaal.

Den capellanen van Sinte Peeters alhier, doen sij in den meesten deel een genuchte opstelden met

eennen gemaekten cardinael te trekken besoecken den capellanen van Brussel, alsoe zij des jaers te

voren alhier gedaen hadden.

VAN AUTENBOER

Van Autenboer stelt dat twee kerkelijke feesten op hetzelfde moment doorgingen. Tussen beide maakt hij een scherp onderscheid:

Het ‘FESTUM FATUORUM’ was een zottenfeest voor de volwassen geestelijken van lagere rang. Hieraan namen geen kinderen deel.

De scholieren vierden de ‘BISCOP DER SCOLIEREN’, een soortgelijk feest waarbij het volgens de bronnen enigszins minder wild aan toe ging. De kinderen namen gewoon de plaatsen van de geestelijken in. Het feest werd besloten met een maaltijd.

DE POTTER

Ook Gentse historicus de Potter maakt een onderscheid tussen beide feesten. Hij noemt het een bijna gelijksoortig volksvermaak met dezelfde naam. Het kinderfeest kon blijkbaar op meer begrip rekenen van de wereldlijke en geestelijke hiërarchie die de rekeningen betaalden zoals te lezen in de gemeentelijke archieven van steden zoals Roeselare, Kortrijk, Brugge.
In de rekeningen van de Kamer des Hertogs van 1405 te Oudenaarde leest men:

A l’évêque des Innocents à Audenaerde, pour lui aidier à supporter les fraix et missions de la feste, qu’il fist le 28e jour dudit mois de décembre.

De Ezelsbisschop der kinderen was gewoonlijk de zoon van een ambtenaar of edelman. Deze beschouwde het als een eer en trakteerde de magistratuur en zijn vrienden op de viering. Als tegenprestatie schonk de gemeente enkele kannen wijn:

Item up alderkinderdacht in de Kerstdaghe so hilden de jonghe gesllen van der stede een feeste van den Eselbiscoep (Deinze)
Up Kinderdaghe was geschonken ter feeste van den zoon van Joos Lansaem, baillu van der zate, als bisschop van der Hooghescole” (Kastelnij Ieper 1513)
Item den Eselbisschop (…)” (Kastelnij Kortrijk 1457)
Item (…) int gheselcap van den Ezelpaus.” (Damme 1457)
Den bisschop van den scolieren, als hij zine maeltijd gaf (…) (Oudenburg 1468)
Den bisscop van den Innocenten (Oostende 1540)

In Aalst vierde men het scholierenfeest op Sinterklaas en werden in 1474 twee kannen wijn geschonken

Up Sinte Niclausdach, als de scolieren van deser stede haere feesten hielden van haren bisschop.

Het echte Zottenfeest was dit der volwassenen. Bij dit een vermaak parodieerde men de hogere kerkelijke functies. In stoet ging het naar de kerk waar de meest heilige handelingen geprofaneerd werden. In de kerk vierde men een zottenmis waarbij men stinkende schoenzolen brandde in plaats van wierook. Men liet boeren en scheten weerklinken, bespotte de oversten, bestrooide het publiek met as en hete kartonnen geldstukjes met de beeltenis van de schertsautoriteit van die dag. Een lagere geestelijke werd verkozen tot ‘eselpaus', 'eselbiscop', 'sotten biscop’. Hij kreeg de meest zonderlinge kleren aan en kreeg ezelsoren aangebonden.

Er werd gezongen op een valse toon, lezingen met komische onderbrekingen werden gehouden en er werd zelfs met water gegoten. De deelnemers fuifden en dansten in het huis van God.

PIERRE DE CORBEIL

Pierre de Corbeil, aarsbisschop van Sens, bewaarde het draaiboek van zo een 'ezelsmis' zoals ze in zijn kathedraal opgevoerd werd. Dankzij deze kopij, die berust in de bibliotheek van deze stad, kon het kerkelijke feest gereconstrueerd worden. Het was een zeer lange opvoering in de stijl van de middeleeuwse mysteriespelen. Het hoogtepunt was de intrede van de ezel in de kerk. Dat gebeurde terwijl alle stemmen het introïtus aanhieven van Puer Natus Est (Het kind is geboren”: we zijn in de kerstperiode). De grote poort van de kathedraal ging open met veel geraas en een ezel werd omgekeerd bij zijn staart binnengetrokken. Deze was getooid met een rijk geborduurd kerkelijk kleed. Twee kanunniken begaven zich naar het dier, knielden ervoor en begeleidden het verder tot aan het altaar. Onder de gewelven weerklonk het geluid van draailieren en dwarsfluiten.
Ter ere van de nederige viervoeter hieven alle stemmen een vreugdezang aan:

Lux hodoie, lux laetitia! Me judice, tristis

Quisquis erit revomendus erit solemnibus istis
Sint hodie procul invidiae, procul omnia moesta,

Laeta volunt, quicumque asinaria festa.

Dit is een dag van vreugde! Geloof mij: dat men uit deze viering wegjaagt wie triest is! Dat men alles verwijdert wat hatelijk en melancholisch is. Zij die het feest van de ezel vieren willen enkel vrolijkheid.

Als erfgenaam van de Saturnalia waren deze feesten de totale ommekeer van de kerkelijke hiërarchie. We zouden bijna kunnen spreken van een subversief feest.

Zo werden deze verzen uit het Magnificat voortdurend herhaald:

Deposuit potentes de sede et exaltavit humiles.
Hij heeft de machtigen van hun troon gezet, en de geringen heeft hij verheven

Tijdens het feest spotte men met de machtigen van de kerk, ook met die van de wereld, de sociale en politieke instituties. In Luik werd in de twaalfde eeuw op achtentwintig december een Roi des Fous en Reine des Concubines verkozen door het volk.
Deze laatste was een prostituee die bedekt met een sluier en getooid met een gouden of zilveren kroon de burleske ceremonie bijwoonde in de kerk. Het is geen toeval dat het feest verdwijnt op het ogenblik dat de opbloei van kapitalisme samenvalt met de centralisatie van de staatsmacht. De brute onderdrukking kon de luide lach niet verdragen. Vanaf de katholieke hervorming na het zestiende-eeuwse Concilie van Trente mag in de kerk niet meer worden gelachen. In 1607 stelt het derde provinciaal Concilie van Mechelen dat de pastoor geen dingen mag vertellen die bij de toehoorders de lachlust en geschater opwekken. Uit respect voor God dient eenieder zich tijdens de heilige diensten te onthouden van ‘fabulis, risibus, et eliis insolentibus’. FRANSCISCUS COSTERUS schrijft in zijn Catholiike Sermoonen uit 1598 dat

(…) men soude God groote oneere doen, brocht men daer eenighe geckernijen oft boerden voorts, om het volk te doen lachen, het welck meer behoort beroert te zijn om te weenen.

n ons land leefden tot in de negentiende eeuw verschillende benamingen voor het feest: ‘abtsdag, allerkinderendag, concedefeest, bisschopsdag, depotuitfeest, moederkensdag en vaderkensdag’. Eind 19e, begin 20e eeuw vinden we nog sporen van deze kerkelijke Saturnalia. De volkskundige CELIS getuigt dat hij in zijn jeugdjaren op Allerkinderdag de baas was thuis. De kinderen mochten de kleren van hun ouders aantrekken en bevelen geven. Ze kregen ook de sleutels, het symbool van de huiselijke macht. Vader, moeder en de meid werden af en toe in de hoek gezet. Al wat de kinderen graag aten werd die dag op tafel gezet: sneukel, chocolade, spekken. Voor het avondeten werden koeken, taarten of wafels gebakken. In zijn Volkskundige Kalender schrijft CELIS dat de jongeren ook verkleed naar school gingen, de jongens in pastoor of broeder, de meisjes in non.

Dien dag was het kermis, op school werd een vatje bier met lekkerkoek en mastellen gegeven, dansen en zingen was het spel voor gansch den dag.

ARMAND SERMON
28 december 2023
armand.sermon@skynet.be

Bron: Pdf-document Zwarte_Klaas_Onnozele_Kinderen_Kerkelijk.pdf

Digitalisering en Wiki opmaak: Terry van Erp

raamsdonkshistorie.nl
raamsdonkshistorie.nl
  1. DE POTTER, Gemeentefeesten, p. 145.