Monroedoctrine
De monroedoctrine was een beginsel in de buitenlandse politiek van de Verenigde Staten vanaf de 19e eeuw. De term is ontleend aan een speech die de Amerikaanse president James Monroe in 1823 hield voor het Amerikaans Congres. Monroe verklaarde elke vorm van Europese bemoeienis op het westelijk halfrond taboe, waarmee hij doelde op politiek ingrijpen in de pas kort onafhankelijke naties in Zuid-Amerika en op nieuwe pogingen Amerika te koloniseren. Monroe beloofde evenwel de bestaande kolonies in handen van de Europese machten te respecteren.
De toespraak van Monroe was een reactie op de Franse inval in Spanje, waarbij in dat land namens de Heilige Alliantie de liberale Grondwet van Cádiz buiten werking werd gesteld. De afgezette liberalen deden een beroep op de Amerikanen om tussenbeide te komen in Spanje. In zijn boodschap aan het Congres wees president Monroe een Amerikaanse bemoeienis met Spanje van de hand. Tegelijk waarschuwde hij, dat Europese restauratiepogingen in Zuid-Amerika niet zouden worden geaccepteerd.
Monroe hoopte met het verbod op interventie ook een stokje te steken voor mogelijke Europese pogingen om het Amerikaanse expansieproces te saboteren. Vooral de Britten, de Spanjaarden en de Russen werden met argusogen gadegeslagen, omdat ze aangrenzende territoria op het continent hadden. Daarnaast hadden vele kolonies in Zuid-Amerika met succes hun onafhankelijkheid bevochten, waarna ze al gauw diplomatieke erkenning van de Verenigde Staten hadden verworven. Om de voormalige kolonisatoren, Spanje voorop, iedere lust te ontnemen de nieuwe naties weer onder hun gezag te brengen, verbood Monroe daarom kolonisatie op het westelijk halfrond. Kolonies die de onafhankelijkheidsgolf hadden doorstaan respecteerde hij echter wel.
De monroedoctrine was defensief bedoeld, namelijk om het interne Amerikaanse expansieproces veilig te stellen. Monroes ideeën waren vooral ingegeven door pragmatisme. De Verenigde Staten zouden er pas rond 1850 in slagen het territorium tot ongeveer de huidige omvang uit te breiden, door enkele gebiedsaankopen en oorlogen met Spanje en Mexico. Alaska en Hawaï zouden nog later volgen.
Roosevelt Corollary
De monroedoctrine werd ook door latere, meestal Republikeinse, regeringen gevolgd en verder uitgebreid. Toen in 1902 de Duitse keizerlijke Hochseeflotte het insolvente Venezuela belegerde, stuurde Theodor Roosevelt er de US Navy op af. Wel realiseerde hij zich, dat de neiging van Zuid- en Midden-Amerikaanse staten en staatjes om schulden te maken en die niet in te lossen, een veiligheidsrisico opleverde. Daaraan ontleende hij het recht om zelf in te grijpen bij mismanagement en wanbeleid. In zijn State of the Union van 1904 stelde hij, dat de Verenigde Staten zich konden mengen in de interne aangelegenheden van Latijns-Amerikaanse landen “als die flagrante misstanden begingen die de banden van de beschaafde samenleving verzwakten”.[1] De VS intervenieerden diverse malen in Midden-Amerika en het Caraïbische gebied als gevolg van deze Roosevelt Corollary. Dit vormde zo tegelijk het begin van een meer open en op het buitenland gerichte politiek van de Verenigde Staten – in eerste instantie sterk gewenst door boeren en grote industriëlen om hun overtollige producten in het buitenland te kunnen dumpen.
Zie ook
- ↑ (Engels) Theodore Roosevelt, Document: Roosevelt Corollary to the Monroe Doctrine (6 december 1904). Gearchiveerd op 23 september 2021.
