Leerlooierij

Uit Wiki Raamsdonks Erfgoed
Het ontharen en ontvlezen op een looiersboom bleef nog lang de gangbare praktijk binnen de lederindustrie.
Het ontharen en ontvlezen op een looiersboom bleef nog lang de gangbare praktijk binnen de lederindustrie.
De vervanging van looikuipen door walkvaten luidde de industrialisatie in binnen de leerlooierijsector.
De vervanging van looikuipen door walkvaten luidde de industrialisatie in binnen de leerlooierijsector.

We hebben nog steeds weinig informatie over de leerlooierij in Raamsdonk, hieronder wat algemene informatie.

Bij het materiaal leer denkt men vanzelfsprekend in de eerste plaats aan schoenen, hoewel deze inmiddels voor een belangrijk deel uit rubber en kunststof bestaan. Aangezien leren tassen eveneens een zeldzaamheid zijn geworden hoeft het niet te verbazen dat niet alleen de productie van leder, maar ook de verwerking daarvan, nagenoeg uit ons land verdwenen is. En dat al decennia geleden. De industrie kwam in Zuid-Europa terecht en is na de eeuwwisseling de Middellandse Zee overgestoken omdat door de introductie van de Euro landen als Italië en Portugal niet meer konden concurreren met de Noord-Afrikaanse landen.

Vrij onbekend is echter dat deze zuidwaartse beweging al veel eerder begonnen is en drie á vier eeuwen geleden de leerlooiersnijverheid vanuit de Hollandse steden in Noord-Brabant deed belanden. Het was in het midden van deze provincie, in plaatsen als Waalwijk, Dongen, Rijen en Oisterwijk, waar ze eind negentiende eeuw zou uitgroeien tot een volwaardige industrietak.

Maar natuurlijk ook Raamsdonk en Waspik, misschien iets kleinschaliger, maar een groot aantal gezinnen was afhankelijk van leer en schoenen.

Want het waren destijds niet alleen schoenen en tassen die uit leer vervaardigd werden, maar ook zadels en tuigage voor paarden en drijfriemen voor machines waarin het materiaal verwerkt werd. Net zoals bij de meer recente verplaatsing van de sector, kan de opbloei van de leerlooierijen in Noord-Brabant eveneens deels toegeschreven worden aan het loonkostenvoordeel dat deze provincie (toen ‘generaliteitsland’, ofwel wingewest) had ten opzichte van Holland. Maar het uitbannen van stankoverlast en waterverontreiniging wogen minstens zo zwaar en verklaart ook mede dat het leerlooien zich gelijktijdig naar het platteland verplaatste. Vanwege de beschikbaarheid van runderhuiden als grondstof, eikenschors als looistof en het overvloedige water uit beken en riviertjes om te spoelen, was het leerlooien overigens altijd al binnen agrarische gemeenschappen beoefend, maar vanaf toen werd het net als de thuisweverij een ambacht voor een groeiende groep plattelanders die niet meer konden leven van het boerenbedrijf. Na verloop van tijd ging men zich in de dorpen ook bezig houden met de lederverwerking. Waren er tot dan toe enkel klompen gemaakt voor plaatselijke verkoop, nu ging men er schoenen vervaardigen voor klanten die aanvankelijk vooral in de steden woonden. De schoenmakers aldaar gingen zich toeleggen op reparatie en verkoop.

Het leerlooien vond in eerste instantie plaats als nevenactiviteit op de boerderij in kleine, aan het woonhuis gebouwde looierijen. Met één of twee looikuipen in de grond en daarboven een bescheiden droogzolder was de productie nog kleinschalig. Daarnaast was het een seizoensgebonden bezigheid, aangezien de werkzaamheden vooral in de lente en herfst plaatsvonden. Toen in de tweede helft van de negentiende eeuw de vraag naar leer, en daarmee de prijs, begon te stijgen, werd het looien te lucratief om het enkel als bijverdienste te doen en ontstonden er zelfstandige leerlooierijen.
.
De Langstraat, een streek in Noord-Brabant die zicht uitstrekte van Vlijmen in het oosten naar Raamsdonk in het westen, vormde eeuwenlang het centrum van de Nederlandse schoen- en lederproductie. Vanouds hield men zich er bezig met leerlooien dankzij de veeteelt langs de Maas en de Donge in het noorden en het eikenschors uit de bosgebieden in het zuiden. De schoenmakerijen die hier uit voortkwamen gingen de leerlooierijen aan het einde van de negentiende eeuw overvleugelen en hier kwamen fabrieken uit voort, waarvan er op het hoogtepunt omstreeks 1960 een dertigtal in Noord Brabant actief waren.
.
Zie ook Schoenmakers in Raamsdonk & Leerlooiers in Raamsdonk