Het jachtslot Teylingen

HET JACHTSLOT TEYLINGEN
Het Jachtslot Teylingen
Ik voer u voor een breede burchtslotgracht,
Wier rimplend blaauw van uit de diepe kil
Het blaauw des hemels vriendlyk tegenlacht
Als was ze erkentlyk voor die kleurgift. Stil
En ernstig, als in mijmerenden droom,
Schaart zich het oud geboomte in dichten stoet
Rondom den plasch , haast tot den ruigen zoom.
Het vochtig mosch omkleedt den zwaren voet,
En om de takken weeft het ijl geblaârt
Dat blinkend waas van purper en van goud,
Waarmeê zich ' t najaar avondrood verklaart
Des wech gestorven zomers.
Minder stout,
Maar even rijk, en teerder nog wellicht
Van kleur, weerspiegelt zich aan de overzij
Het geel en pluimig rietbosch, hoog en dicht
Gewassen, of 't by zwellend watertij
Den breeden voet van ' t statige kasteel
Beschermen wilde, dat met voorburcht, poort,
En dubble brug en hoog omwald rondeel,
Daar in den glans van ' t najaarszonlicht gloort.
De roode muren rijzen uit den krans
Van ' t herfstgroen hoog maar vriendlyk ernstig op
; En krachtig teeknen gevel , spits en trans
Zich tegen ' t week azuur ; en op den top
Des torens blinkt de gulden weerhaan ver
In ' t rond, als waar' hy tintelende ster.
En over heel het heerlyk landschap heen:
Door 't bruinend loover ; om den rooden steen;
Langs ' t diep azuur, en over ' t spieglend nat,
Spreidt zich dat onuitspreeklyk rustig, dat
De herfstdag soms , als zichtbre luchtmuziek,
Rond ademt en doet drupplen van zijn wiek.
't Is 't jachtslot Teylingen, dat eeuwen reeds
Dus met het landschap éen geweest is, éen,
Als met den groenen terp de tombesteen.
Zelf is ' t ook tombesteen des liefs en leeds,
Van TEYLINGENS geslacht.
Ja , dat was het eenmaal ; en toen gold het meer dan jachtslot: toen was het de stamburcht van dat roemruchtig Geslacht, dat, door een jongeren zoon uit het Huis van HOLLAND gesproten, zelf op zijn beurt een jongeren telg schonk, om den schoonen naam en het Edel bloed der BREDERODES in stand te doen blijven.[1] Ik heb u SYVAERT, den Stamheer dezes Huizes, niet meer te herinneren: gy kent hem nog van zijn oude burcht in Kennemerland.[2] Van zijne twee zonen , DIEDRYC en SYMON, volgde de eerste hem in de Heerlykheid Brederode, de andere in die van Teylingen.
Toen de laatste zich hier vestigde, had de landstreek wel een eenigzins ander voorkomen. Het thands reeds zoo ingekorte Haarlem-
mer hout schijnt toen nog wel tot aan Noordwijc gereikt te hebben, maar de sedert hier en daar afgezande en nog afgezand wordende
duingrond was reeds van toen af het voorwerp van bezorgdheid, en de beplanting der duinen tegen het verstuiven een maatregel
van orde. Reeds verhieven zich in die grijze oudheid meer burchten en kasteelen in den omtrek, en van Leyden af, tot Haerlem toe en hooger op, was het land daarmede als bezaaid.
Daarvan mogen getuigen de nu nog hier en daar verspreide overblijfselen en de geschiedboeken van den voormaligen tijd.
Wat al bedrijvigheid , wat al leven heerschte er toen reeds in dit oord , dat , ofschoon naar eene andere orde van zaken ingericht , daarom niet minder woelig en grootsch was.[3] De geschiedenis der eerste Heeren uit het Geslacht der TEYLINGEN , levert echter luttel meer dan eene dorre genealogie.
SYMON , die als jongste broeder de Heerlykheid Teylingen zal verkregen hebben, trad in den echt met Heer JANS dochter van ALTENA , die hem twee kinderen schonk , waarvan de eene , een dochter , huwde met HENRIC van BOSINCHEM , terwijl de andere, een zoon , GERAERT van TEYLINGEN , hem in zijne bezittingen opvolgde.
GERAERT van TEYLINGEN, gehuwd met eene dochter van Heer JAN (den Tweede) van ARCKEL , overleed in 1100 , en liet een zoon na , die mede den naam van GERAERT droeg , en met de BREDERODES , de ARCKELS, de HEUSDENS , de ALTENAAS en anderen onder den voornaamsten Adel van Holland werd geteld.
Hy verbond zich in den echt met de Erfdochter des Heeren van der LECKE, en bracht daarmede ook de Heerlykheid van dien naam in zijn Geslacht. Zijne echtgenote schonk hem een zoon, HUGO, op wien in 1164, GERAERTS sterfjaar, het aanzien des Huizes overging. Als een fier en machtig Ridder zegelde Heer HUGO te paard, en voerde, als teeken zijner hooge afkomst, in zijn blazoen den keelen liebaart van HOLLAND , gebroken met den barensteel van lazuur. Uit zijn huwelyk met Heer DANIëLS dochter van de MERWEDE werden hem drie zonen geboren : WILLEM, SYMON, en FLORIS. Heer SYMON, die zich de gulden spooren aan de hielen zag gespen, huwde met eene Jonkvrouwe van CULEMBORCH, en liet by zijn overlijden slechts een dochter na, ADA van TEYLINGEN, die in 1316, hoog bejaard, in de adelyke abdy van RIJNSDURCH den staf als Abdisse ontfing, maar ook in het zelfde jaar overleed. FLORIS, die zich met eene Jonkvrouwe van POELGEEST verbond, ontfing het huis en de Ridderlyke hofstede van Tol, met omstreeks vijftig morgen lands daaraan verbonden, gelegen in de lage Waard, by Leyden. Aldus werd hy de stamheer van het Geslacht van TOL, dat het wapen der TEYLINGEN bleef voeren, maar gebroken met blokjens van keel rondom den liebaart.
WILLEM van TEYLINGEN, de oudste zoon, erfde by doode zijns vaders, in 1172 , de goederen van Teylingen en van der Lecke.
Hy huwde met Jonkvrouwe ELWYNE van EGMOND , dochter van dien gevreesden Heer WOUTER, die den bynaam van den Kwade voerde. Even als zijn oom SYMON behoorde hy niet slechts tot de Edelen, maar ook tot de Ridderen des Graafschaps van Holland, en by de onlusten, die het Graafschap na des Zevenden DIEDRYCS overlijden beroerden, hield hy de zijde van den wettigen Landsheere, Grave WILLEM. Deze stelde hem, nevens FILIPS van WASSENAER en den Heer van EGMOND, tot Bevelhebber der Rijnlanders aan. In 1304 had er een scherp treffen met de party van Graaf LODEWIJK van LOON plaats, niet verre van de stad Leyden, by de Heymens-brug, die ongelukkig niet in den besten toestand verkeerde. Overbelast door het gewicht eener dichte massa zwaargewapenden, stortte zy in, en maakte de strijders, die daarby in verwarring te water geraakten, weerloos. Ook eer WILLEM bevond zich te midden van dat dubbel gevaar, en
zijne redding voerde tot krijgsgevangenschap , waaruit hy niet, dan tegen betaling van een zwaar losgeld, ontkwam.
Vrouwe ELWYNE schonk haren echtgenoot twee kinderen, beiden zoons, waarvan de oudste, WILLEM, zijn vader by diens dood, in 1244, opvolgde, terwijl de jongste, DIEDRYC, in 1226 als Drossaat voorkomt.[4] Beiden waren, even als hun vader, ten Hove zeer gezien, en hun naam komt dikwerf op de Grafelyke gunstbrieven onder de eerste Edele getuigen voor. Heer DIEDRYC de Drossaat bezat - of bouwde wellicht - het kasteel Teylingen by Warmond (in de vijftiende eeuw Oud- Teylingen, en sedert 1511, naar de opvolgende LOCHORSTEN, Lockhorst geheeten) en in hem bloeide de stam der TEYLINGEN, ofschoon niet altoos met den zelfden roem, voort.
Heer WILLEM van TEYLINGEN, Ridder, Heer van Teylingen en van der LECKE , huwde voor de eerste maal met Jonkvrouw GEERTRUYDE , Heer HERMANS dochter van WOERDEN, die hem slechts éen kind, een dochter schonk, CATHERYNE genaamd. Zijne tweede gemalin, Vrouwe ODA , overleefde hem als kinderlooze weduwe, toen hy in January 1224 overleed, den Kloostere van Egmond vijftien stuivers besproken hebbende voor het heil zijner ziele.
Toen viel Teylingen, by ontstentenis van een wettig mans oir, naar leenrecht aan de Graaflykheid te rug. Maar Jonkvrouwe CATHERYNE, van wier uitnemende schoonheid een roep uitging in het land, was inmiddels gehuwd met Heer AELBRECHT van VOORNE, Burchtgraaf van Zeeland. In 1287 ontviel haar heur echtgenoot door den dood, en was zy weduwe, gelijk hare moeder; toen begiftigde Graaf FLORIS de Vijfde haar met de schoone burcht in de liefelyke dreven van Sassenheim en al wat daartoe behoorde, voor geheel heur leven lang.
In de eerste helft der volgende eeuw werd de betrekking van Spijsbezorger, in de bloeiende abdy der Benediktyners te Egmond, door een geleerden monnik, Heer WILLEM, bekleed. Deze rechtschapen man was om zijne geleerdheid in aanzien en met vele zaken bekend. Niemant was daardoor beter gerechtigd tot het schrijven eener kronyke van de voorvallen zijns tijds dan hy.
Hy verrijkte dan ook , tot groot voordeel voor het nageslacht, de reeds zoo rijke kloosterboekery met een door hem vervaardigd Chronicon. Maar toen hy daaraan in het jaar 1322 nog te schrijven zat, en by de gebeurtenissen van anno CIO.CC.LXXXII ook den dood des Burchtgraven van Zeeland vermeldde en van diens weduwe sprak, kon hy niet laten nog van haar te getuigen: „ pulcherrimae videlicet Dominae." Toch was zy toen een zeer bejaarde vrouwe M die den Grave van Holland een zoon geschonken had.
Zy overleed in 1328, en Teylingen kwam daarmede weder in 's Graven handen.
Graaf WILLEM de Vierde, de Oorlogsman, verlijdde er in 1339 Heer SIMON van BENTHEM mede, by dezen leenbrief:
Willem, grave van Henegouwen, van Hollant, van Zeelant, ende Heere van Vrieslant , maken cond aan allen luyden, dat wy ghegheven hebben ende gheven Haren Symon van Benthem, onsen trouwen Ridder, ende Ver 1 ) Agniese, Heren Dirck Boeckels dochter van Rotterdamme, zynen wyve, om menighen die hoor vorders onsen vorderen ghedaan trouwen dienst, hebben, ende Heeren Simon voorschreven ons noch doen mach, onse huys te Teylinghen met ses morghen landts , luttel min oft meer, legghende by den voorschreven huyse ; ende die ambachten van Voorhoute ende van Lisse, met al sulcken dienst, als de luyden van den voorschreven ambochten schuldigh zijn den huyse van Teylinghen, ende die gherechten van die twee ambochten voorschreven, als anders Ambochts -Heeren hebben in Noort-Hollandt ; ende L 1 ) ponden Hollandts syaers, uytte onse renten in Lisse ende Voorhoute , ende wat onse renten aldaer beter zijn dan die L ponden Hollandts elcx jaers, die willen wi, dat onsen Rentmeester van Noord - Hollandt ontfaen ende opheffe tonser behoef, wile huys, landt, ambochten, dienst, gherichten, ende rente voorschreven Heere Symon van Benthem, ende Ver Agniese, zijn wyve voorschreven, houden sullen van ons ende onse nacomelingen te leene , alsoo langhe , als si beyde leven , jof die eene van hem tween, sonder arghelist.
Ghegheven tote Valenchijn, des Vridaghes nae Kers -dach, int jaer ons Heeren XIII. ende negen en dortich."
Vervolgends blijkt het in ' t bezit te zijn geweest van Heer WILLEM van WATERINGHEN, Ridder.
Na het uitbarsten der staatkundige verdeeldheden onder Vrouwe MARGARETA en haren zoon WILLEM, wiens heerschzucht te ongeduldig was om den afstand of den dood zijner moeder te verbeiden, eer hy voor vast den voet kon zetten op de trappen des Gravenzetels van Holland, geraakte menige burcht in het gewest te gronde. Dat was nu wel niet het geval met Teylingen, maar de oorlog bracht het toch in andere handen. Het schijnt dat Heer ALBRECHT van WATERINGHEN, een bloedmaag van dien GERAERT, die onder des waanzinnigen Hertogs dolk gevallen was, met hulpe van FoYCKEN WILLEMSEN , SYMON NAGHEL , en BARTHOLOMEUS , bastert van WATERINGHEN , zich van het kasteel heeft meester gemaakt; niet voor zich , maar ten behoeve van Heer WILLEM van WATERINGHEN , Heer van Teylingen , die zich toen in zijns vijands banden bevond. Om het bezit veiliger te bestendigen gingen zy tot een maatregel over, die in zulke tijden meermalen genomen werd, en vonden goed, om het in 1359 als een open huis op te dragen aan Hertog AELBRECHT van Beieren, destijds Ruwaard van Holland. Daarvan bezorgden zy den 22en Maart in ' s Gravenhage dit geschrift:
„Allen den ghenen die desen brief sullen sien jof hooren, hoe dat ick Albrecht van Wateringhen condt ende kenlick make, dat ick opghedragen ende in zijnen handen gegeven hebbe mynen lieven Heere, Hertoghe Albrecht van Beyeren, Ruwaardt van Henegowe ende van Hollandt, dat huys te Teylinghen ; ende wy Albrecht voorschreven, Foycken Willemsz. Simon Naghel, Bartolomeus, condt, ghelyen midts Bastart van Wateringhe, doen desen brieve, dat wy dat huys ende Burch te Teylinghe voorschreven ontfangen hebben van onsen lieve Heere, Hertoghe Albrecht voornoemd, te behoeden ende te bewaren tot onsen lieves Heeren behoef ende te zyne oirbaer, ende daer op nyegheman te ontfaen, noch te comen te laten van ons liefs Heeren wederpartie: maer worde eenich der vrienden onses lieves Heeren voorschreven belast, dat hy dat huys noed hadde, die souden wy inlaten om te beschudden nae onser macht. Waer oock dat sake, dat onse lieve Heere voorschreven des huys nood hadde hem selven mede te behelpen tegens zynen vyanden, mogben gelijcke knapen, so soude hy daer op leggen daer wy onsen lieven Heere selve bekostighen zoude ende quyten. Ende soo wanneer Heer Willem van Wateringhe vry werden mach van ghevanghenisse ende sekertheyt, ende comt vry op zyne voeten, so sullen wy van dese beloftenisse quijt wesen , ende Heer Willem sal comen op sijn Huys voorschreven in allen rechten ende manieren als hy was eer hy ghevangen werde.
Ende want wy alle voorschreven Puncten ende Voorwaerden ghelooven, ende voor seker hebben wettelick ende wel te houden onsen lieven Heere voorschreven, soo hebben wy Albrecht, Foyken, ende Simon voor ons ende voor Bartolemeus voorschreven, want hy gheenen Zeghel en hevet; om bede wille desen Brief bezeghelt met onsen Zeghel. Ghegheven in den Haghe des vrijdaechs nae Sinte Geerden dach, int Jaer ons Heeren duysent ccc.lviij ."
Of dat nu is geschied , en of de gevangen Ridder weder in vrijheid van zijn huis heeft gebruik gemaakt, kan ik niet beslissen. Blijkbaar, hetzij dan langs welken weg werd Teylingen weldra als een jachtslot voor goed aan de Graaflykheid gehecht, en aldus vinden wy het in 1376 bewoond door den Houtvester der waranden en wildernissen van Holland - en wy herkennen in hem FOICKEN WILLEMSEN, wien de Graaf-Hertog gewis op deze wijze voor zijn betoonde diensten heeft willen beloonen.
Voor het Houtvesterschap was het huis by uitnemendheid goed gelegen niet verre van Hollands duinen, en te midden van het eerbiedwaardig woud, dat zich nog, met minder of meer verbreiding, uitstrekte van Hollands zuidelyken hoek tot achter de banne van het verre noordwaart gelegen Scoorle. Vooral in de streken rondom de burcht had dat woud een stout en majestueus voorkomen. Ruim twee eeuwen later herinnerden zich nog ouden van dagen, dat het zware geboomte er "so overvloedich, dicht ende dick gheweest is, datmen daervan conde comen over de Boomen ende deur de Tacken, sonder ter aerden af te stygen, eene sparre, om somwijlen van den eenen boom te schieten op den anderen, te hulpe ghenomen, tot aen de Stadt van Haerlem."
In den lommer dier trotsche eiken, prachtige beuken, statige esschen , vriendelyke berken, en tusschen hazelaar en allerlei struikgewas, tierde daar het wild in overvloed: niet alleen hazen en konijnen, maar ook vossen en herten, en hier en daar nog een woudstier. Evenmin was er gebrek aan reigersoorten, die in de hooge boomtoppen nestelden, en waarop de Edelen zoo gaarne jacht maakten.
Geen wonder derhalven, dat de Landvorsten Teylingen nu tot een jachtslot inrichtten , en er zich dikwerf ophielden „als sy
haer selven wilden verlustigen ende vermaken met de oeffeninghe des Jaghts." Ook den Edelen van Grafelyken bloede en anderen
was het gegund , om in die schoone woudstreek te vliegen metten vogelen de valkenjacht te drijven. Dan schalde het in het ronde van horenklank en rosgetrappel en hondgeblaf, en van het luid geruchte, door een breeden jachtstoet verwekt, en schrikten er de vrome „clusenaersters" uit hare devote ruste. Zoo hadt ge er in 1369 JAN van BLOYS kunnen vinden, vliegende en jagende met Mevrouwe van HOLLAND die hem te Rijnsburcht genoodigd had.
Wanneer de Edelen den dag in de wildernis , gelijk men de woudstreek noemde , wilden doorbrengen, dan genoten zy daar ook het middagmaal, dat hun uit Rijnsburcht werd nagezonden, terwijl de wijn uit Leyden werd gehaald. Met het vallen van den avond trokken zy naar deze stad, of naar Rijnsburcht of Noordwijc, of zy begaven zich naar het jachtslot, en brachten daar de nacht door; zeker op Teylingen stiller dan te Rijnsburcht, waar ge u de avonden van dansen en banketteeren nog wel herinnert, waarmeê een der Heeren van ter Goude zooveel ophad.[5]
FOICKEN WILLEMSEN , die gewis meermalen zulke schitterende jachtpartijen bywoonde, nam zijn gants niet gering geacht ambt waar tot in 1380, toen hy er in werd opgevolgd door Heer BARTHOLOMEUS van RAEPHORST, een edel Ridder, die zijne spooren reeds verdiend had voor Adingen (Enghien) in 1367, en die in 1399 nog even fier met den Hertog ten Friezen trok. Hy had toen het houtvesterschap reeds lang nedergelegd, namendlyk in 1386, na het alzoo zes jaren te hebben bekleed.
Toen betrok een Zeeuwsch Edelman den Teylingen metter Heer WILLEMAN van WELDAMME , een Schouwenaar, en zoon waarschijnlyk van dien Heer OGIER , die Rentmeester-generaal van Zeeland beooster Schelde was. Naastdenkelyk heeft by de waardigheid van Houtvester bekleed tot omstreeks 1392, waarna hy, in het jaar 1395 , tot Baliuw van Aemstel- en Waterland werd benoemd.
Hollands wildernissen kwamen toen onder opzicht van Heer JOHAN Van CROONENBURCH, een Kennemer Edelman, die omstreeks Paschen van 1394 eerst vervangen werd door zijn landgenoot, Heer COEN CUSER van OISTERWIJC , voor den tijd van drie jaren en daarna tot weder opzeggends, volgends bepaalde voorwaarden, die zy onderling met elkander hadden goedgevonden en vastgesteld, op zondag na Sint-Lucien 1393. In 1396 blijkt hy tevens geweest te zijn „bewaarder van het Reygersbosch tot Blindelmeerbrouck."
Hem volgde in het jaar 1397 Heer WILLEM SYMENSZ, van wien overigends geene byzonderheden bekend zijn.
Daarna werd Heer JAN van HAEMSTEDE met het ambt van Houtvester, en derhalven ook het recht der bewoning van het jachtslot beleend, met de som van drie duizend vijf honderd negen- en-seventig pond, dertien stuivers, en elf penningen.
Op den 17en Mei 1403 kwam er weder verandering. HENRIC van der WOORDT „verkreeg toen tselve officie, eerst van dien tijt af tot den xiij Febr. daer aen volghende; ende daer nae dry Jaren lanck, ende voorts gheduyrende ten wedersegghen, midts betalende in handen vanden voorschreven Heer JAN de somme van iijm. vc. lxxix. Ponden, xiij. st. XJ. pen. den Nieuwen Hollantschen Schildt voor een Pondt gherekent; ende tselve te besitten tot dat hy van de selve Somme voldaen soude zijn: daer op zijn ghevolcht Brieven van Confirmatic van Hartoghe WILLEM SOO van date den xvij Mey xiiijc. iij. als van den x. November xiiijc. iiij."
Zes jaren later was Heer HENRIC dezer waereld overleden, want toen werd zyner weduwe „Joffrou BEATRIS" cene „alimentatie" toegelegd van honderd Fransche kroonen 's jaars, welke ondersteuning, waarvan de termijn van uitbetaling op Sint-Maarten in den winter bepaald was, tot wederzeggens werd verleend.
Of zy nu nog korten tijd de eerste Houtvesterinne, en als zoodanig de voorgangster der latere, evenzeer beklaagbare als beroemde, bekleederesse dier waardigheid is geweest, kan niet met zekerheid worden gemeld, zoo min als het tegendeel. In elk geval bestaat de mooglykheid, want met name komt er vooreerst geen Houtvester weder voor, dan ten volgende jare: namendlyk Heer NICLAES van RUYVEN, naamgenoot en grootvader van dien ongelukkigen Edelman, wiens deerlyk mishandeld lichaam door het woeste kaas- en-brood- volk aan zijne echtgenote met gruwzame spotternij werd toegezonden.
Heer NICLAES, die in 1390 gehuwd was met Jonkvrouwe AGNIESE, Heer WILLEMS dochter van SCOTEN, overleed in het laatst van 1420 , en werd in zijn ambt van Houtvester der wildernissen en Overste Duinbewaarder van Holland opgevolgd door den zoon zijns voorgangers HENRIC van der WOORDT, ADRIAEN van EEMSKERC van der WOORDT, by brieve van 1 January 1421.
Na hem werd Heer HENRIC van BORSSELE VAN DER VERE in dat ambt aangesteld, die het bekleedde tot op den 15en April, 1433.
Van toen af ging de naam van ' t jachtslot weer
Door 't land. Maar wat zich aan dien kloeken steen
Nog hechten mocht en fluistren van 't verleên;
Van donkre daân of heldenfeiten - 't scheen
Voor altoos wech gezonken en verdween.
't Was of een najaars-lichtstraal, fijn en teer,
Nu niet meer afliet om met bleeken glans
De burcht te omspelen , van den voet beneên
In ' t ruischend riet , tot aan d'ommoschten trans;
En in dat licht smolt ook de dubble naam
Van Teylingen en Vrouw JACOBA saâm.
Rijkdom
Het meerendeel van hen, die van onze geschiedenis geschreven heeft, zou vreemd en met verbazing hebben opgezien, wanneer zy eens in werkelykheid een blik hadden kunnen slaan op die eenzaamheid en vergetelheid, waarin — volgends hun zeggen de rampspoedige Vrouwe heur laatste levensjaren heeft doorgebracht; zy zouden gewis al groote oogen hebben gezet by het gezicht van die levendigheid, die er alom in het jachtslot heerschende was, en welhaast te rug zijn gekomen van hun denkbeeld eener aan ontbeering grenzende eenvoudigheid van levenswijze en betrekkelyk armelyke inrichting van heur verblijf.
Het was wel aan alles te zien, dat de tegenwoordige bewoneresse een Vrouwe was van hooge geboorte, in weelde opgevoed en daaraan behoefte hebbende; en het groot aantal harer dienaren en dienaressen van hoogen en lageren rang toonde evenzeer, dat hier niet aan bekrompenheid werd gedacht al was de schuldenlast, die er nog moest worden afgedaan, niet gering.
En hoe kon het anders ? De Gravinne van OOSTERVANT, wier gemaal wel met recht een rijk Ridder mocht heeten, kon niet leven in den meer eenvoudigen staat eener gewone Edelvrouw.
Maar laat ons de burcht binnen treden, en zelf een en ander eens van naby opnemen.
In 't voorbygaan moet ik u doen opmerken, dat men toebereidselen voor een rid schijnt te maken: zie slechts, hoe men daar bezig is de paarden te spannen voor dien rooden wagen, die voorzien is van een behang of gordijn van de zelfde kleur, en van vier kussens, evenzeer van roode verwe; die twee lederen kussens zullen wel „der dienren" zitplaatsen zijn. GERYTKYN GOELYFF, de toomlooper, staat er by, alsof hy de wacht houdt, en hy slaat er een oog op, alsof hy by zich-zelf dacht: „Mocht dat schoone tuig het mijne zijn!”[6]
En nu schijnt het wel, dat de Gravinne groote voorliefde voor de krachtigste der twee kleuren van HOLLAND. De heeft kamer toch, die wy thands betreden, schittert weder van rood.
Rood is het tapijtwerk dat de wanden behangt, met fonteinen geborduurd; rood zijn de drie kleeden op de zitbanken, rood de drie kussens op de stoelen. Dat werk is prachtig genoeg, om te gelooven dat het behoort tot die goederen, die de schoone bewoonster „vanden houe ende uten houe" heeft doen vervoeren.
Dit zelfde geldt ook camer mitten oirgelen, wel, denkelyk, van de andere „rode mit x stukken, iij lange banc cleder ende iij sitcussen."
Voor afwisseling doe ik u hier een korten blik werpen in deze groote kamer, welker behang met schapen is bestikt, en waar de drie zitkussens met zwart zijn overtrokken.
Maar nu hebt ge hier weder een nieuw rood kleed met ringen; daar een lang smal, rood tapijt, benevens twee roode gordijnen, „die men ouer bedden slaet sonder verhemelt;" nu weder een dubbelen rooden deken, gevoêrd met wit, en dan weder een enkele, op de zelfde wijze bewerkt; ook drie roode saaien gordijnen, maar die behooren eigendlyk op het huis te Oostvoirn, in de kamer waar ge het wandtapijt met gedierten vindt bestikt, en die daarom de „beestcamer" wordt genoemd.
Aan kamerkroonen, ter verlichting der vertrekken, is geen gebrek gy telt er terstond vier; deze, van lichter maaksel, is een tentkroon.
Werpt ge een blik op de aanwezige kleinodiën en het zilverwerk der Gravinne, dan zult gy wederom van geen schaarschheid spreken.
In de eerste plaats deze gouden kroon, een geschenk harer moeder: een prachtig cieraad, met zijn „zeven - en-twintig marauden, zes - en-dertig ballaze ende tachtig pairlen."
Dan hebt ge hier een gouden span, met drie robynen, een diamant, en drie diamanten, met een gouden keten waaraan een diamant en twee paerlen hangen; een „bandekijn om den hals" met een robijn en een diamant daaraan hangende; een span met een „ballais," drie diamanten en drie paerlen, en een keten daaraan met drie robynen, vijf diamanten, en drie paerlen; een andere span, met een robijn, een diamant, vijf paerlen, en een keten daaraan met een bloem van robijn, waarin een diamant staat, twee paerlen, en een robijn; een derde span met een robijn, een diamant, vijf paerlen, en de keten daaraan met twee robijnen en een diamant; dan nog een vierde span met een robijn, een „scerpe" diamant en twee „scilde" diamanten; een halsband,
waarin een robijn, twaalf „ballais," veertien saffieren, en honderd negen- en-tachtig paerlen; een „pairlen treck"
van twee rijen van honderd sestig paerlen en nog zes paerlen daarby; een „grauwen gulden halsbant"; een span met een robijn en drie paerlen; een halsband met zes 22, ballais", zes saffieren, en sestig paerlen; twee kleinodiën, door Mevrouwe van EGMOND
aan de Gravinne geschonken, met een robijn en een diamant; een witte bloem, waarin een robijn, en een keten daaraan met een diamant en twee paerlen; een gulden biesken van „conincx gout"; een paerlen voorsnoer van drie rijen, bestaande uit vijf-
en-tnegentig groote paerlen en twee honderd negentig kleine paerlen; een paerlen paternoster van honderd paerlen en tien
„groter teykenen" paerlen.
Αl genoeg dunkt my om u te overtuigen, dat er nog rijkdom van cieraden bestaat, en ik zal u derhalven niet wijzen op het aantal ringen, met allerlei kostbare gesteenten vercierd.
Beter is het, om nog een oogenblik te verwijlen by de waarderobe, die niet minder goed is voorzien, en waar ge een volkomen rijkdom vindt van „alsulke cleder, gulden, zijden ende andere clederen," als der Gravinne toebehoort.
Laat ons zien.
Zie hier een gevoêrd witten tabbert van goudlaken, een rooden tabbert van goudlaken, met marter gevoerd met klein bont; een blaauwen tabbert van goud laken, mede met klein bont gevoerd; een tabbert van graauw damast, met marter gevoerd; een zwart -lakenschen tabbert, met kleine mouwen, gevoerd „boven mit lynnen laken, ende beneden mit fineerden bonten"; een rood-lakenschen tabbert, met kleine mouwen "van boven met linnen, beneden met fineerd bont gevoerd; een zwarten tabbert, „geuoert bouen mit witten laken, ende beneden mit kelen van marteren"; een graauwen tabbert; een rooden tabbert met klein bont gevoerd: een zwarten nachttabbert, en een tabbert van zwart floers, gevoerd met klein bont; een zwart -zijden tabbert; een rooden tabbert, waarvan de mouwen met paerlen zijn bestikt; een purperen„floers tabbert, bouen gevoert mit witten ende beneden mit fineert bont "; een zwart- damasten tabbert met lange open mouwen, boven met wit, beneden met fineerd bont gevoerd; een huik; een vrouwen- kovel; een zwart, klein„,eenwissel" huiksken; een witten bokesinen vestrock"; een vaste eenwissel vestrok; „, een root gulden doeck mit open mouwen, gevoerd met graauwe ruggen"; twee paar stukmouwen, het een van rood, het ander van blaauw goudlaken; twee paar„floerscier" mouwen, het eene paar rood, het ander purper; een zwarten kovel, gehaakt met een timp; een graauwen kovel, evenzeer met een timp gehaakt, en nog een zwarte ongehaakt. Zoo is er ook een ruimen voorraad van bedden, met gordijnen, slaaplakens, hoofdkussens, en wat daar meer toe benoodigd mag zijn, zoowel als„maerspieten" of voetkleeden, tapijten, tafellinnen, dwalen, dressoir-lakens, en dergelijken, waarnaar ge de kamerlingen kunt vragen. „Cokengewant" is er mede in ruimte: groote en kleine tinnen schotelen, potten, pannen, ijzeren speten, roosters, metalen potten, treeften, en al wat er verder behoort. Vraag eens de „bottelgiers " naar wat zy onder hun beheer hebben, en gy zult zien, dat het er evenmin ontbreekt aan be. hoorlyken voorraad van gouden en zilveren kannen, kroezen, schalen, kruidnappen, bekkens, en dergelijken. En hebt ge nu eenmaal blik voor zulke zaken, dan vallen u hier tinnen „kan- netgens", daar tinnen „commetgens ", elders tinnen of metalen „waterpotgens" in ' t oog; dan wijs ik u hier op een grooten koperen ketel, op een kleinen ketel, en nog op een derde „dair men 't was mede warmt; " dan toon ik u daar by dien rooden geverwden stoel; groote, kleine en platte bekkens en koolbekkens, en dan kunt ge een vergelijking maken, in hoeverre de toenmalige ijzeren treeften in vorm van de tegenwoordigen verschillen. DIRC van Rijn, de bottelgier, zal u ook bewijzen, dat er „alrehande prouancen" aanwezig zijn: wijnen in soorten, zoo mede bieren, en ook een vaetgen vergus, "[7] dat echter voor de eene helft aan Graaf FRANC behoort. CORNELIS „uten lardier" zal u niet minder weten aan te toonen van azijn, zout, Berger visch, venyzoen, ponden kaarsen, en wat verder in den lardiere gewoonlyk voorkomt.
Wilt ge u nu vervoegen tot ENGELBRECH, of tot HEYNT BRODSE of WOUTER, wie hunner thands als stalmeester de dienst waarneemt, zoo zult ge ook gants geen ledigen stal vinden. Daar is, in de eerste plaats, de schoone zwarte hengst, dat edele dier, door de Gravinne van haren gemaal ten geschenke ontfangen. Deze rood bles telganger is mede een geschenk, en wel van den Abt van Middelburch. Dien valen hengst dáar, den Weysuyper genoemd, moet ge niet al te naauw in 't oog nemen: het arme dier toch is byna blind, maar deze graauwe hier, kan den toets zoo veel te beter doorstaan: ' t is een dier, van stellig meer dan acht pond waarde. Dan hebben wy hier nog een rood bles valen hengst; een bruinen bles hengst, die op Sint-Maartensdijc is groot gebracht; een graauwen hengst, en mede den hengst geheeten„oude wtkerken. "Hebt ge nu ook een blik geworpen op den graauwen telganger, de twee Henegouwsche merriën, het bruine paard, dat ENGELBRECHT van AIRNT van der Aa kocht, het paard dat den naam van den „Coelmeeus" draagt, het kleine graauwe paardeken, en den telganger„manke Trude," een goed paard voor GERRYT„Jacch den Duvel" te Delft zoo kunt ge den veestal wel eens gaan opnemen.
Ik beken echter, dat daar minder aan te zien is, en daarom willen wy eenvoudig een opgave vragen van MEEUWIS, „mijns Heeren vleyschouwer van OISTERVANT."
En MEEUWIS levert ons deze lijst, waarby hy beleefd genoeg is, om zelfs de waarde van den koopprijs te voegen:
In den eersten iij ossen omxxxj scilde.
Item.· iij quenen om ·xxxvj scilde.
Item.iiij coeyen
tsamen om
iij versen}
Item..
Item.
" • vj scaep om •
xlj scilde.
iiij scilde.
Comt tsamen exij Phlips scilden.
My dunkt, dat ge thands wel tot de overtuiging zult gekomen zijn, dat Vrouwe „JACOPS" verblijf toch niet zoo onwaardig was ingericht als men zich gewend heeft dat voor te stellen.
Evenmin was het er aanvankelyk zoo stil en treurig.
Zoowel als de Gravinne bezoeken bracht, ontfing zy ze ook; zoowel als zy op het huis te Sant, te Sint- Maertensdijc, te Oostvoirne en andere plaatsen levendigheid en reurigheid rondom zich verspreidde, wanneer zy er nu en dan verscheen, en er heur verzoowel was op het jachtblijf op Teylingen meê afwisselde slot-zelf de weelde en de overvloed, dien ge er hebt aangetroffen, niet te vergeefs samen gebracht: Buiten allen twijfel verscheen er nu en dan een Edelstoet, Ridders, Vrouwen en Jonkvrouwen, om er te„cort-avonden, te banketteeren en te feestynen. Er werd daar evenzeer gequaerd, geschaakt, geworptafeld of gedobbeld de guiterne, als op iedere andere burcht; de vedel en de macaire [8] en de harp deden er hun zoeten snarenklank hooren, zoo wel als de liefelyke stemme der maagdenkeelen, wier lied de eere des Ridders, de trouwe der Jonkvrouw prees, of het geneuchte of de smarte der minne bezong.
De konstrijke Spreker, die cierlyk een gedicht zeggen kon, werd niet voorby de poorte gewezen, en den bootsemakers en minstrels ---- de naam der dichterlyke zangers van voorheen werd nu reeds slechts aan zwervende muzikanten gegeven verbood men den toegang tot plein en zale niet.
Stellig verlieten hengsten en hakkeneien niet alleen voor reistochten den stal, maar ook evenzeer voor de lustige jacht. Dan schalde de horen, en klonk de klaroen, en galmde het geblaf der honden, het getrappel der rossen en het geschreeuw der jagers onder het welig gebladerte luidruchtig ondereen. Dan reed daar, te midden van dien rijken, prachtigen stoet, de belangwekkende Gravinne, nog zoo jong, al waren vele jaren van leed over heur hoofd gegaan, nog zoo schoon, al had heur kroon de rijkste juweelen verloren; heur glimlach was nog de helderheid van wie haar omringden, en de glans van heur oog was nog de zonnestraal, in wier gloed allen zich koesterden.
En zooals zy dan daarheen draafde op den geschimmelden hengst, of voorthuppelde op de graauwe telle, was zy nog altoos de hooggeboren Vorstinne, die door geen bitterheid des lots kon worden gebogen, de Hertooglyke bloem uit BEIERENS gaarde, die door geen staatsstorm kan worden geknakt.
Maar allengs kwamen andre dagen;
En -- wat door niemant werd vermoed
Na 't buldren van zoovele vlagen,
Na elke storm had uitgewoed,
Toen kwam een suizing, zacht en zwijmend,
Onmerkbaar, of ze 't oog ontvlood,
Maar heimlyk kankrend, heimlyk vlijmend,
En steeds omvleugeld van den dood.
Wie daaglyks in de onmiddellyke nabyheid der schoone Gravinne verkeerde, zag dat vlak en helder voorhoofd allengs vermageren, zoodat de smalle wenkbraauwen en de fijne neus zelfs scherp werden van vorm; de breede kin verloor allengs van hare rondheid, al bleven de fijne lippen, waar rondom nog steeds een zekere beslotenheid speelde, de zelfde tedere rozenkleur behouden, die het lichte blosjen op de wel langsaam maar toch gewisselyk slinkende wang tintte. [9]
Zy-zelf --- heeft ze het zich misschien ook willen verheelen --- zy-zelf kon het zich niet ontveinzen, dat de ringen die haar de vingeren der kleine mollige hand cierden, niet meer pasten met de vroegere geslotenheid; zy kon het zich niet verbergen, dat heur adem rasser vloot, heur bloed sneller stroomde, en dat die versnelde polsslag gedurig meer afmatting met zich bracht. Jonkvrouwe SPIERINCX van AELBURCH, die haar zoo lang en trouw had gediend, moet wel menigmaal een heimelyken traan van de wimpers hebben wech gewischt, wanneer zy opmerkte, hoe hare schoone meesteresse, die toch nog niet eens zes-en-dertig jaren telde, daaglyks meer en meer verviel.
Toen mag het wel zijn geweest, wanneer zy in zwakte nederzat in de vensternis, en rondschouwde over het schoone landschap, welks herfstwaas hare ziele nog weemoediger stemde dan ze reeds was - dat zy de klachte uitte, door de poëzy haar op de lippen gelegd; dat zy, het oog wendende in de richting van 's Gravenhage, en denkende aan den man die haar byna alles had ontnomen, en zich de gebeurtenissen, daaraan verknocht, voor den geest roepende, luide of zacht mijmerde:
Zijn sterrebeeld stond glansrijk naast het mijn.
Hy moest mijn gade
Hy werd het laatste:
of wel mijn vijand zijn.
en heel Euroop kan tuigen,
Dat, schoon ze in ' t end voor zijn geweld moest buigen,
JACOBA lang genoeg heeft wederstreefd,
En door haar val zich niet vernederd heeft.
'k Heb hem gehaat
gelijk een vrouw kan haten;
Maar 'k voel ook thands de wraakzucht my verlaten.
Mijn geest wordt dof: mijn levenskracht neemt af.
En 'k zie te wel, by ' t naadren van het graf,
Wanneer de dood ons dreigend toe komt wenken,
Betaamt het niet, aan vijandschap te denken.
'k Moet willig tot vergeven zijn, indien
Ik zelf mijn schuld my wil vergeven zien.
Want o! te zeer voel ik my overladen
Door 't drukkend wicht van ondoordachte daden.
'k Weet, hoe mijn schuld vergiffenis behoeft,
'k Erken de hand van God, die my beproeft
En lout'ren wil: en daarom, zonder klagen,
Moet ik dat wee, die kwellingen verdragen:
En daarom wordt de rust my dag en nacht
Ontzegd, en roept verbeeldings toovermacht
Voor mijn gezicht dat leger op van schimmen
En beelden, die my dreigend tegengrimmen.
't Zijn de offers aan mijn heerschzucht eens gewijd,
Die duizenden, gevallen in den strijd,
Of die een haat (dien 'k eens rechtvaardig noemde
Maar thands vervloek) tot erger straffen doemde:
't Is BEYLING, wien de gapende aard verslond,
Die dreigend zich weêr opheft uit den grond,
En my het lot verwijt, door hem geleden;
't Is LAMBERTS zoon, die my komt tegentreden,
De onnoozle knaap, om éen loszinnig woord
Op 't strafschavot te schandelyk vermoord.
't Zijn vrouwen, die met saamgewrongen handen
En hangend hair my heur geliefdste panden
Afvorderen met jammerlyk misbaar,
Alsof hun dood slechts my te wijten waar'.
Was ik dan ooit bloeddorstig ? Wreede plagen!
Moet ik de schuld van al die rampen dragen ?
'k Beval, 'k verlangde, o neen! die gruwlen niet;
Mijn misdrijf was, dat ik het plegen liet.
Beeft Vorsten! gy, die rekenschap moet geven,
Niet enkel van hetgeen gy hebt bedreven,
Maar ook van 't kwaad, dat, niet door u belet,
In bloedschrift op uw schuldboek wordt gezet! ---
En ik was zwak, en moest veel kwaad gehengen.
O Moedermaagd! O zie my tranen plengen!
Dat jegens my uw liefde zich betoon'.
O sterk my! Wees mijn voorspraak by uw Zoon,
By Hem, wiens dood ons aller schuld betaalde
Vergeef my, 't zij mijn hart loszinnig dwaalde,
't Zij zich dat hart tot schuld vervoeren liet!
En, nageslacht! vloek gy JACOBA niet.
Meester MARTIJN, der Gravinne geneesheer, moest zich angstig hebben gemaakt over den droogen kuch, die eindelyk maar al te duidelyk bewees, hoe het jonge leven verraden was; hy kan het niet hebben gezwegen tot broeder PoUWELS, den biechtvader, dat diens hulp weldra meer dan de zijne, ja eenig, nutten zou.
Stilte op Teylingen
Het werd stiller op den Teylingen.
JAN van der Huet en JAN van der Heze, oude WALRAVEN en jonge WALRAVEN, en wie er meer als lijf knapen in dienst waren, of by de kamerlingen werden geteld, hadden daaglyks meer te andwoorden op de treurige vragen, hoe het toch met de genadige Vrouwe was; de belangwekkende kranke verliet weldra heur kamer niet meer, en was eindelyk aan het ziekenleger vastgekluisterd.
Den armen OOSTERVANT, nog slechts sedert zoo kort met de vrouwe zijner liefde vereenigd, moet het harte wel klein geworden zijn, want het was te zien hier viel geen redding meer te hopen.
Toch beproefde men nog wat er beproefd kon worden, al ware het dan ook maar alleen nog verzachting van lijden. Meester MARTIJN was reeds in zijne konste gesteund geworden door den Dordtenaar Meester JAN van Apeltaren, maar dat had geen bate gebracht. Nu had men de hulp van twee andere medicynen ingeroepen, die van grooten naam waren; en alzoo verschenen op den 3en July 1436 meester JAN van Leyden en meester GIJSERECHT van Amsterdam op Teylingen, en brachten er by sommigen nog eenige verlevendiging van zwakke hope.
Vergeefs; met de maand, met de week, met den dag eindelyk verminderde de kranke.
Het werd al stiller en stiller op Teylingen, en een treurig waas hing over den gantschen omtrek: de zwaarmoedige toon van het woud met zijn afnemend loover en zijn blaauwen vochtigen najaarsnevel stemde daar wèl mede overeen.
Eindelyk kwam de 8e Oktober. De vier medicijnmeesters bevonden zich in het zieken -vertrek; twee Regulieren uit het konvent van Leyderdorp, en drie Bagynen waren mede daar aan de sponde; ook de pastoor van Voorhout was er tegenwoordig, en broeder POUWELS mag wel niet afwezig zijn geweest. Maar noch de eersten door hunne medicynen, Maar noch de laatsten door hunne gebeden, vermochten de scheidende ziele te kluisteren aan het afgemat en uitgeteerd lichaam. Zy volstreed haren doodstrijd, en ontsliep.
Straks flikkerden de wastoortsen en kaarsen met heur bleeken schijn rondom het tedere lijk, en verder en verder verspreidde zich de treurige mare van het afsterven.
Veler oogen stonden vol tranen, veler harten zegenden de goedhartige en beminnelyke Vrouwe, in wier boezem plaats was geweest voor de herinnering aan zoo menig een, ook uit den lagen, min geachten stand.
By heur naderend sterf-uur was zy niet minder goedhartig, niet minder milddadig, dan gedurende geheel heur leven: den armen gedacht zy in ruime mate, en geen harer dienaren werd door haar vergeten, zoo min als hare arme bastertzuster KErstine, die in schamele vergetelheid te Utrecht leefde.
Waarschijnlyk slechts in een houten kist werd het zielloos lichaam der voormalige Gravinne naar 's Gravenhage vervoerd, waar het, tegen haren laatsten wil, zou worden ter aarde besteld, omdat de executeurs de onkosten wilden besparen, die eene begrafenis te St. Maertensdije na zich zou slepen.
Zy werd dan naar 's Gravenhage gevoerd en in de hofkapel, het heiligdom waar zy, achttien jaren vroeger, zich in het huwelyk met Hertog JAN van Brabant verbond, en waar zy, ruim drie jaren geleden, hare hand en hare trouw had geschonken aan den man harer keuze. In de nabyheid van het hoog-altaar, waar die geheiligde band was gelegd, daar zou nu heur zielloos hulsel ten grave dalen.
Overal ontmoette de treurende lijkstoet diepe verslagenheid op zijnen weg naar het oord des vredes. Volgends de begeerte der overledene deelde men onder de armen, die heur baar naderden, kleine geldsommen uit, want zelfs in den dood wenschte zy wel te doen wie tot haar kwamen.
En toen de valbrug van het Vorstelyk Binnenhof van 's Hage was neergelaten om den lijkstoet te ontfangen, toen verzamelde zich daar nog eenmaal al wat Edel en groot was, en werd de Hertooglyke Gravinne van voorheen nog eenmaal omringd door alles wat praal en pracht kon byzetten aan een weidschen stoet.
Magen en verwanten, Edelen en Edelvrouwen van hoogen rang volgden het lijk der toch zoo jeugdig gestorvene kapelwaart, en de statige tonen van het dreunende orgel, begeleid door de bevende stemmen van bejaarde priesters en het schel klinkend geluid van jeugdige schoolknapen, ontfingen onder het hoogge welfde dak het lijk van haar, die zooveel wisseling aanschouwd had in het leven, en nu onder de kille zerk een onstoorbare rustplaats vond. [10]
Een droevige bedrijvigheid verving nu op Teylingen weldra de doodelyke stilte, die er in de laatste dagen van JACOBAAS leven en lijden had geheerscht. Overal kwam er leven, drokte en gewoel. Maar voor wie daarby peinzend toezag, was dat alles niet minder droef dan de geheerscht hebbende stilte-zelf, en het moet hem geweest zijn, als had hy de dood, die ijzeren onverbiddelyke, met sarcasme tot al die bezigen en bedrijvigen hooren fluisteren:
„Wech nu maar met de dekoratien, wech met den toestel „de gordijn is gevallen, het treurspel is afgespeeld." Het vee uit de stallen, de voorraad uit de kelders, het gewand en het huisraad uit de vertrekken, de kleederen uit de waarderobe, de kleinodiën en het goud en zilverwerk alles werd van den huize gebracht en vervoerd naar 's Gravenhage of elders. Veel daarvan werd, volgends begeerte der gestorvene, aan vrienden of arme bastert -verwanten, aan kerken, kloosters, of noodlijdenden wech geschonken om Gods wil; maar veel ook ging by koop in andere hadden over, en weldra was het vergeten, dat het eenmaal had behoord aan de belangwekkende Landsvrouwe, die zeker by menig een fellen haat, maar toch ook by menigen ander innige liefde had opgewekt.
Het moet den executoren testamentair, vooral de Heeren JAN RUYCHROCK van de WERVE en JAN van der MIJE, die optraden voor vrouwe MARGARETA en Graaf FRANC, tusschenbeiden treurig te moede zijn geweest, wanneer zy, de uitvoering der laatste wil beschikkende, zich de Edele vrouwe nog zoo gants voor den geest haalden; en gewis moet het hun daarby wel eens behoefte des harten zijn geweest, om, wanneer zy te zamen ter uitvoering bezig, en in dorre perkamenten en rekeningen verdiept, elkander of een der andere executoren, de Heeren van Ysselstein, van Welsingen, of Heer FLORIS van KIJFFHOECK, of wel Meester GILLES van Wissenkercke, of den Vikaris, broeder JAN van Neck, met weemoedige aandoening op menige bepaling te wijzen en daarby te zeggen : „Zie --- hoe goed zy toch was!"
En viel dan de schemering spoedig in die treurige winterdagen, en speelde de flikkering der vlammen van onder de ruime schouwe fantastiesch door de groote holle zaal, dan was het hun als kwam hare gedaante hun weer voor oogen, en zy konden zich naauwlyks voorstellen, dat zy toch werkelyk voor goed was heengegaan.
Met haren dood verloor Teylingen plotselyk weder den Vorstelyken gloed, waarvan het slechts zoo kort had geschitterd;
de naglans echter bleef, als een zacht avondrood, zweven om de burcht, en waart bouwval thands zelfs nog altoos om den eenzamen FRANC van BORSSELE, Grave van OOSTERVANT, overleed op den 19en November, 1470, en op den 16en January daarna deed de Graaf van Roche, Heer ANTHONIE, bastert van BORGONdiën, den eed als Houtvester en Opperste Duinmeier van Noord- Holland.
Hy droeg de waarneming dier betrekking echter op aan FILIPS van WASSENAER, over wiens bestuur niet te roemen viel, zijnde, gelijk men klaagde„,alsdoen deur mishandeling en quaet regiment de Duynen, Bosschen ende Wildernissen seer vergaen ende verbijstert."
Den Aarts -Hertog MAXIMILIAEN, aan 't Graafschap gekomen zijnde, stond die toestand tegen, weshalven hy besloot, om de houtvesterij onmiddelyk aan het stadhouderschap van Holland te hechten, maar dan daarby tevens aan te stellen een Luitenant-Houtvester en Onder-Duinmeier, "" macht hebbende alle breucken ende boeten, aldaer vallende ende verschijnende, so wel Criminele als Civile, te berechten, te calangeren ende exploicteren voor den gerechten ordinaris der selver Houtvesterie, also men dede ten tijden als wijlen de Grave van OOSTERVANT Houtvester ende Opperste-Duynmeyer was, ende van oudts ghewoonlick is: de welcke Lieutenant-Houtvester sijne Residentie houden sal op onsen voorschreven Huyse en de Slote tot Teylingen, ende dat bewaren op die Wedden, Profijten ende Emolumenten gewoonlicken daertoe behoorende, ende gelyck die voorschreven Heer ANTHONIS de Bastart, ende wylen de voorschreven Grave van OOSTERVANT, ende anderen voor hun, daer af te hebben plegen, ende daerenboven om die onderhoudenisse van de Knechten, Dienaers, Huysgezin, Paerden ende Honden, die hy noodelick sal behoeven om ' t bedienen der voorschreven Officie, so sal hy noch hebben een ghedeelte in te boeten, bruecken, ende exploicten inde voorschreven Hout-vesterie Jaerlycx vallende ende verschijnende, midtsgaders ander sulcke baten, nutschappen ende profyten uyter selver Hout-vesterie, als hun by onsen voorschreven Stadthouder Generael ende Rade van Hollandt, ende den Luyden van onser Rekeninge aldaer, toegevonden ende getaxeert wesen sal naer gelegentheydt der last, cost, ende arbeyt, die den voornoemden onsen Lieutenant-Houtvester om 't bedienen ende bewaren der voorschreven Officie, doen sal moeten."
De eerste, die door den Aarts-Hertog met deze nieuwe waardigheid van Luitenant- Houtvester werd bekleed, en Kastelein van Teylingen was Ridder CORNELIS CRUESINCK, „volkomentlijck betrouwende zijnre wijsheydt, ghetrouwicheydt, ende goede ernsticheydt."
Die betrekking bracht nu mede: „te doen ghebieden ter bequamer tijdt over al de Wildernisse, ter plaetsen daert behoort, den Helm te planten, de Honden te coten, de Catten de ooren af te snijden, de Erven van de Wildernissen te beheinen, etc."
Ook was het hem opgedragen om te doen schutten „de Beesten, die tot somer oft Winter Gras- huyren niet ingeschreven en zijn, oft, ingeschreven zijnde, over den bestemden tijdt in de Wildernisse loopen ; met de Meesters daer van naer gelegentheyt van de sake composerende, als oock met andere, die in de Wildernisse voghelen vanghen, de Tacken afhouwen, ende de zelve mitsgaders ander hout wech draghen of voeren ; de Conijnen in de Duynen stelen ; die versuymich zyn den Helm te planten, zijne Honden te coten, ende Catten de ooren af te snijden." En gelijk op dit alles, zoo moet hy ook het oog doen houden „op Jaghers, Rommelaers, ende Conijndieven."
Dit is dan nu alzoo de macht, die van den huize Teylingen uitgaat.
Welke nu de „Emolumenten, Wedden ende Profijten" zijn, die ter houtvesterije behooren, zoo blijkt uit eene verklaring van Keizer MAXIMILIAAN, dat die werden gevonden in de helft van „den Windval, Erf-huyren, Boeten, Stellen van Officieren en Rentmeester van de Wildernisse," en dergelijke zaken meer.
Met dat al waren Luitenant-Houtvester noch Opper-Houtvester rechters in hunne zaken der Houtvesterij. De Meester=Knapen „welckers Collegie is een van de oudste in Hollandt, zijn eygentlick int stuck van de Hout-vesterie Rechters;" zy alzoo zijn het, die„ op de clachte en de aensprake" van den Luitenant-Houtvester, of diens gemachtigde, recht doen en vonnis spreken.
Heer CORNELIS CRUESINCK Overleed den 11 en December 1520, en na hem werd het ambt van Luitenant-Houtvester en Kasteleyn van Teylingen achtereenvolgends bekleed door Edellieden, die behoorden tot de„treffelickste" Geslachten des landts.
Zijn onmiddelyke opvolger schijnt geweest te zijn Heer WILLEM OEM van WIJNGAERDEN, uit een oud Dortsch geslacht gesproten, Heer van Albrantswaerd, Ambachtsheer van Grysoorde, en Baliuw van 's Gravenhage.
Veroorloofde zijn ambtsbezigheid van Baliuw hem werkelyk het jachtslot te betrekken, en heeft hy er zijne gemalinne gebracht, dan moet dit verblijf op deze een eigenaardigen indruk hebben te weeg gebracht. Zy toch was een geboren Jonkvrouwe RUYCHROCK van de WERVE, en alzoo eene verwante van dien getrouwen Ridder der Gravinne JACOBA, wiens bemoejingen hier zoo dikwerf waren ingeroepen. Heer WILLEM had bovendien het genoegen, zijn eenigen zoon, CORNELIS OEM van WIJNGAERDEN, te zien opgenomen in het Collegie der Meester-knapen van Holland.
Daarna verwisselde de Heer van Bergen, BALTHAZAR van BREDERODE, zijn verblijf in het noorden van Hollands wouden met dat ten zuiden, ten minste, wanneer hy den Teylingen als Luitenant Houtvester metter woon betrok.
Hy was gehuwd met Vrouwe CATHERYNE van BRONCHORST BATENBURGH, en overleed, op zestigjarigen ouderdom, VAN in 1556.
Toen werd het ambt van Luitenant-Houtvester en Kastelein van Teylingen opgedragen aan Heer NICOLAES van der DUYN, een Edelman, door den bloede zijns stamvaders aan zijn voorganger verwant, die zich van moeders zijde afkomstig rekende van de Graven van VERDUN. Hy had ten huwelyk Jonkvrouwe ALEYDE van ALBOUT AVESAET, die hem echter reeds op twintigjarigen leeftijd ontviel. Slechts vier jaren later, 1 Oktober 1564, volgde hy haar in het graf.
ARENT van RIJNESTEYN, een Stichtenaar, zoo ik gis, volgde hem als Luitenant- Houtvester en Teylingens Slotvoogd op, en na dezen treedt een vreemdeling, FRANÇOIS van VIERY, in die betrekking op, zonder dat er van hunne aankomst of aftreding eenige tijdsbepaling bekend is.
WILLEM van BLOYS - TRESLONG,een Edelman uit het in onze historie zoo beroemde geslacht,en afstammende uit het Gravenhuis, dat wy reeds op den huize van der Goude leerde kennen, zag zich vervolgends de dubbele waardigheid opgedragen.
Hy was Heer van Grysoorde, Oude en Nieuwe Tonghe, Nieuwenhoorn, enz.
Dat was het wel-verdiend rustige eindbedrijf van een leven, geheel ten beste van het vaderland besteed, doch welks diensten gants niet altoos op den rechten prijs werden gesteld niet alleen, Hy, maar eenmaal zelfs met den grofsten ondank beloond.
die onder anderen in February 1567 een nieuw verzoekschrift der Edelen naar Brussel bracht, en het der Gravinne overhandigde, stond natuurlyk op de bloedlijst van ALVA; maar hy was koen en gelukkig genoeg, om, in vergelding daarvan, den eersten naam te kunnen schrijven op de lijst der steden, die onder het gezach van WILLEM van ORANJE de gewetenloze tyranny gingen bestrijden van FILIPS van OOSTENRIJK.[11]
De kloeke held schijnt in Zeeland machtige vijanden te hebben gehad, lafaarts, die het niet waagden hem te belagen, zoolang zijn beschermer, de Prins, nog leefde, maar, toen de muichelmoord daar een einde aan had gemaakt, hem op de hatelykste wijze het leven verbitterden. Eenige sterke uitdrukkingen, die hy zich in ' t begin van 1585 had laten ontvallen over sommige flaauwe leden der Zeeuwsche Admiraliteit, werden te baat genomen om hem in hechtenis te stellen. De Baliuw van Middelburgh, DAVID ZOMER, een lasteraar en ongerechte rechter, beschuldigde hem van vele en zware misdaden, doende een eisch van hals en goederen. Intusschen - een bevoegd beoordeelaar sprak later: „De meeste beschuldigingen, door den Baliuw van Middelburgh ingebracht, beduiden niets; men moet er zich over schamen."[12]
De goede gezindheid, hem door het Engelsche hof toegedragen, bracht te weeg, dat zijn zaak voor de Staten van Holland werd gebracht, die hem volkomen onschuldig verklaarden, en voorloopig een jaarwedde van zevenhonderd guldens toelegden, tevens beloovende, „dat zy alle goede middelen by den Prins en den Raad van State gebruiken zouden, om hem, die een ingeboren Edelman dezer landen was, in zijn goeden naam en eer te herstellen, en met de daad in ' s lands dienst te gebruiken."
Dat de Staten woord hielden, blijkt uit zijne benoeming van 22 Januarij 1592, terwijl de Prins hem een jaar later bovendien aanstelde tot Luitenant Groot-Valkenier van Holland.
Zijne kloeke gestalte en deftig gelaat werden evenwel niet dikwerf op Teylingen gezien, dat ook door den oorlog te veel had geleden om een aanzienlyken ambtenaar tot woonplaats te strekken. Hy hield meestal op het huis te Zwieten, naby Leyden verblijf, en overleed daar in 1594.
Het onpartijdig nageslacht, hem na grondig onderzoek zijner daden beoordeelende, heeft aldus uitspraak gedaan:
„Hy was een Hollandsch Edelman van den echten stempel."
Zijn opvolger was, wederom vreemd genoeg in de Hollandsche bosschaadjen, mede een oude Watergeus en Admiraal: Heer JOHAN van DUVENVOirde, Heer van Warmont, Alckemade en Esselickerwoude, die echter reeds het volgend jaar weder voet te schepe zettede, en het bevel over de vloot met leger- en krijgsvoorraad voerde, toen Prins MAURITS de schitterende overwinning by Nieuwpoort behaalde. Hy sloeg de Spaansche zeemacht, ontnam SPINOLA verscheidene galeien, en voerde die triomfantelyk te Ostende binnen.
In 1610 werd hem opgedragen om aan het hoofd van een aanzienlyk gezantschap naar Engeland te vertrekken, doch voor die afreize werd hy ziek, en overleed te 's Gravenhage, op den 15cn April des zelfden jaars.
Ook hy, die zijn gewoon verblijf op zijn prachtig huis te Warmond hield, verscheen gewisselyk zeldzaam, ja misschien volstrekt niet op Teylingen, dat, by daardoor ontstane verwaarloozing en gebrek aan behoorlyk onderhoud, hoe langer hoemeer verviel.
De volgende Luitenant- Houtvesters, JAN van WASSENAER, Heer van Duvenvoirde, Voorschoten en Sterrenburg, en POLYANDER van der KERCKHOVE, Heer van Heenvliet, zullen er wel evenmin hunne woonplaats hebben gevestigd.
De krijgsman, die daarna, in 1660, met het toezicht over Hollands wildernissen en duinen belast werd, was de Goeverneur der stad Heusden, JACOB van WASSENAER, Heer van Wassenaer en Obdam, wien de Staten, in hunne byzondere
wijsheid, goedvonden uit den zadel op het scheepsdek te zetten.
Van welken uitslag deze keuze was voor den wakkeren held, is bekend: de strijd tegen YORK, 1665, kostte hem het leven.
Een Leydsch Curator, maar wiens betrekking van Baliuw en Dijkgraaf van Rijnland er zich beter by voegde, AMELIS van den BOUCKHORST, Heer van Luitenant-Houtvesterschap Wimmenum, werd toen met het vereerd, en ook hy, die op den 27en September 1669 overleed, zal wel zelden Teylingen hebben bezocht, dat weldra nog maar voor een enkel gebruik in aanmerking kwam: tot het gevangen zetten van zulke misdadigers, die zich aan het jachtrecht hadden vergrepen ; een verblijf, dat dien delinquenten zeker dubbel onaangenaam en angstverwekkend moest zijn, daar het huis reeds sedert meer dan een eeuw den vreeswekkenden naam had, dat het daar niet was, zoo als het wel behoorde: het spookte er![13] )
Langsamerhand ging het gebouw aldus zijn ondergang te gemoet.
Dokter SMIDS, die - ofschoon het levend bewijs, dat klassieke opleiding volstrekt niet kan behoeden voor kleinburgerlyke plompheid - veel open zin voor Hollandsche oudheden bezat, aanschouwde den bouwval met het hoog rondeel, op den 30en Mei 1705, „in het verbyrijden van achteren, in een dichte boschagie." Wat hy in beschrijving te wenschen overlaat, vergoedt hy door een duidelyke afbeelding, die nog in veel herinnert aan MERULAAS woorden van 1605: „Leght nu deerlick vervallen ende vernielt deur het Inlandtsch Oorloch, weerdich om by de Graeflickheid tot eene eeuwighe Ghedachtenisse weder op ghericht te werden op de oude fondamenten ende overblijfselen: die sich jegenwoordich in Perspective, als eene cleyne stadt verthoonen."
De tijd was echter voor goed voorby, dat het huis en wat daartoe behoorde „den Princen des Landts altyt soo lief en waart" was, „datse bynaar in alle ordonnantiën, op 't stuk van de Wildernisse in 't gros uytgegeven, verboden hebben de vryheydt van 't voorsz. huys en 't gene tselue van alle tyden toegeëygent is geweest, als de keuken -duyn soo die genaamt wert (jegenswoordig afgezant, en tot Bouwland, en Weyland uytgegeven) eygen warande, partyen van Landen en anders, niet te verstooren of te beschadigen, gelijkerwys sulx volkomentlyk blijkt by den inhout soo van andere plaatsen als dewelke gepubliceert zijn in den jare 1524."
De trotsche bouwval kwam in 1802 door verkoop in bezit van onderscheidene eigenaars - sloopers natuurlyk, zooal niet van beroep, dan toch van aart ― en zy handelden naar hun aart, en het grootste gedeelte werd met den grond gelijk gemaakt.
Door wat wonder het rondeel nog is gespaard gebleven, heb ik te vergeefs trachten op te sporen.
In later tijd was de Heer JAC. BRONKHUYZE eigenaar, die het, na een kort bezit, verkocht aan de Gravinne van BYLANDT, Vrouwe AGATHA WILLEMINA TWENT, wier echtgenoot het na haren dood in vruchtgebruik bezat. Dezen, Jonkheer O. A. Graaf van BYLANDT, dankt men de tegenwoordige gunstige gelegenheid om om den eerwaardigen bouwval nog omringd te zien van een schoon landschap en levendig groen, dat er de ligging schilderachtig doet uitkomen.
Liefelyk, en als met de kleuren der natuur, schildert de Heer VERBRUGGE dat stille landschap, zooals hy het genoot op een der weinige schoone zomeravonden, die het jaar 1841 geschonken heeft.
Neergezeten onder een bladerrijken treur- esch van een nabygelegen buitenverblijf, had hy recht voor zich een schoone weide, van naby begrensd door de boomen van Teylingen, die, hoog getopt en dicht in een gegroeid, een prachtig gordijn vormden; ter linker zijde werd het uitzicht bepaald door een jong plantsoen van elzen- en esschenhout, met hier en daar verspreide welig groeiende eiken- en beukenboomen, dezerzijds beplant met een rij van populieren.
Daar echter deze geheele telde, zoo staken de nu aanleg nog maar weinige jaren allengskens gerooid wordende hooge populieren, die de laan van het kasteel omboorden, boven dat plantsoen uit, en bood zich de gelegenheid aan, om den majestueuzen romp van het overoude slot Teylingen van dien kant te beschouwen, die de buitenzijde van het ronddeel vertoont; en daarin aanleiding te vinden tot het nadenken der gebeurtenissen, waardoor dit verblijf des oudsten land- adels zulk een treurige bekendheid in onze geschiedenis verwierf."
Te midden van dat schoone geboomte, krachtiger geworden inmiddels, en dikwerf weder door ander vervangen, ligt de bouwval thands nog.
De storm des tijds woei kneuzend over kruin
En gevel, poort en muur. In ' t drabbig slijk
Der ruige gracht mengt zich des torens puin;
De voorburcht ligt met akkergrond gelijk,
En jong geboomte slaat zijn wortlen uit
In de oude graven. Slechts het forsch rondeel
Staat op zijn eenzaam eiland. ' t Schor geluid
Der raven, nestlend in 't verweerd kasteel
Braveert op 't roode puin en ' t groenend kruid
De stilte, die onstoorbaar hangen moest
Op zulk een steengevaarte, trotsch en woest
Daar rijzend, of 't een reuzen rustkoets is,
Waarin verzwonden eeuwen sluimren, maar
By wijlen ook ontwaken, om elkaâr
Te fluisteren van hun geheimenis.
Ook de gracht rondom den bouwval heeft nog eenige vermaardheid. Niet omdat men hier even als by elke dergelijke overblijfselen van middeleeuwsche burchten heeft gevonden, kannetjens die aanleiding hebben gegeven tot het flaauwe gebeuzel van JACOBAAS kannetjensmakerij, of zelfs - grof en onkiesch! - van hare voorliefde voor het ledigen dier kannetjens, die ze dan over het hoofd in de gracht wierp!.....[14] De oirzaak dier vermaardheid is wetenschappelyker: de geneeskundige H. W. WAARDENBURG, (in 1833 te Naarden overleden) nog student zijnde, vond er, by het doen van natuurkundige nasporingen in de vijvers eene soort van een zoetwater weekdier, Clausilia genaamd.
Op den 8en Oktober 1857 werd te 's Gravenhage verkocht het landgoed Berg-en-Daal, waaraan de gronden van Teylingen waren verhecht geworden.De perceelen, waartoe de bouwval van het oude jachtslot behooren, zijn toen gekocht door en behooren thands nog aan Jonkhr. Mr. D. G. van TEYLINGEN van Kamerik, en Jonkhr. H. T. van TEYLINGEN van Hilvarenbeek.
Nomen sit omen. - Er bestaat geen vreeze, dat dit aloude gedenkteeken vooreerst aan het wandalisme prijs zal worden gegeven.
Wie dus, by het doorbladeren onzer schoone geschiedrollen, behoefte heeft om de herinneringen des verledenen nog in het tegenwoordige te aanschouwen; wie, by de wisseling der menschelyke lotgevallen, die het geschiedboek voor hem openslaat, zijne belangstelling voelt boeien door uw leed, dikwerf zoo mannelyk bestreden, aan uw lijden, met zoo veel moed getorscht, rampspoedigste der Gravinnen van Holland!
Hy trekke in beêvaart naar den bouwval heen,
Waar ' t muurkruid, dat er opschiet uit den steen,
Verkwijnen moog en dorren voor altoos,
Maar nooit uw naam, zoolang de laatste spriet,
Het laatste halmpjen uit den bodem schiet.
Daar moog hy u, te vroeg verbleekte roos!
In schaduw van den stam der Borsslens zien
Verwelken voor den tyd. Hy zal - misschien -
De blikken wenden van zoo menig daad,
Die om uw beeld een donkren sluier slaat;
Maar keert hy 't oog dan niet moedwillig af
Van hen, wier ijzren vuist of valsche lach
Uw voet verstrikte of als een klemme omgaf;
Wier wrok of sluwheid op uw heldren dag
Een nevel wierp, die U op andre baan
Deed doolen, dan gy-zelf ooit op woudt gaan;
Die, vlinder! u omsponnen met hun web,
Of, fiere duive! u met hun valkeneb
Bestookten en benaauwden - dan verstomt
Het harde woord dat op hun lippen komt,
Of smelt ten klachte in 't diepste van hun ziel:
„Wee! wee der vrouw, die dus verzeld moest gaan,
„En op wier onbeschutte levensbaan
„De donkre schaduw van die mannen viel ."
Bron:
[Merkwaardige_kasteelen_in_Nederland-deel-6.pdf Merkwaardige kasteelen in Nederland: deel 6]
Digitalisering en Wiki opmaak: Terry van Erp
- ↑ Dat SYVAERT twee zonen had , DIEDRYC van BREDERODE en SIMON van TEYLINGEN , Zooals JOANNES de Leydis verhaalt , is zeer wel mooglyk. Buiten twijfel mag het echter worden gesteld , dat de eerste BREDERODES voor de helft der dertiende eeuw waren uitgestorven. Dat DIEDRYC van TEYLINGEN, Zoon des eersten WILLEMS van TEYLINGEN , toen met de Brederodensche goederen is begiftigd, is niet zoo gants onwaarschijnlyk.
- ↑ Eerste Serie. Dl . I. 50.
- ↑ Mr. VERBRUgge.
- ↑ Het is deze DIEDRYC, de Drossaat, Baliuw, of Opper-rechter van Holland, die dan het leen der uitgestorven BREDERODES zou bebben ontfangen en den naam des Geslachts voortgezet. Welke bezwaren zich hiertegen echter opdoen, heeft vooral de Baron d'Yvor uiteengezet in SCHELTEMAAS Oud en Nieuw. II. 60.
- ↑ Zie hiervan Dl. I.
- ↑ De Gravinne vermaakte het hem by testament.
- ↑ Verjus, groene of jonge wijn, uit onrijpe druiven geperst.
- ↑ Rinkelbom. Terry van Erp - Dat is een tamboerijn.
- ↑ Portret, waartoe de afbeelding op het Trippenhuis de aanwijzing van lijnen en kleuren gaf.
- ↑ KROON
- ↑ Het is bekend, dat de inneming van den Briel, een feit, altoos als de hoeksteen van het weldra zoo krachtig gebouw vau Neerlands onafhankelykheid erkend, voornamelyk aan TRESLONG moet worden gedankt.
- ↑ TE WATER, Verbond der Edelen, II, 232. Zie ook VAN GRONINGEN, Gesch. der Watergeuzen, 162; en v. D. AA, Biogr. Woordenb. II. II. 639.
- ↑ Ik begrijp niet, hoe de geleerde SCHOTEL de aanleiding tot het gerucht dier spokerijen, by JUNIUS geboekt, wil ophelderen uit het geraas door het weidende vee in de wildernisse rondom Teylingen gemaakt!
- ↑ Moet men niet denken, dat zulk een walgelyke voorstelling het produkt is der verbeelding van een dronken koetsier - en schaamt men zich dan niet, om het tot zelfs in geschiedboeken over te nemen!
