Een moreel offensief van de heer en vrouwe van Breda in 1454
Samenvatting
Analyse van een decreet van graaf Jan IV van Nassau, heer van Breda, uit 1454 betreffende rechtspraak, bestuur, handel, financiële transacties en seksueel gedrag. Alle maatregelen hadden een sterke morele ondertoon. Het gewoonterecht werd soms doorbroken. Het doel van graaf Jan, vrijwel zeker beïnvloed door zijn vrome vrouw Maria van Heinsberg-Loon, was om de maatschappij te herstellen door terug te keren naar christelijke idealen en een christelijke levenswijze.
We weten niets over de naleving ervan, maar het lijkt erop dat verschillende slechte praktijken bleven voortduren.
Want de graaf is altijd van mening geweest en hij wil nog steeds heel graag dat zijn onderdanen en iedereen die in zijn land verblijft door de rechterlijke macht goed behandeld wordt, opdat de graaf, aan wie dit als taak in het bijzonder is opgedragen, zich daarover niet voor God hoeft te verantwoorden. Uit de Schrift en uit ervaring blijkt dat geen enkel land in vrede, eer, zaligheid en bedrijvigheid kan bestaan als de rechtspraak er niet perfect wordt onderhouden. [1]
Met deze door mij hertaalde tekst vangt een verordening op de rechtspraak van 23 augustus 1454 aan van graaf Jan (IV) van Nassau heer van Breda, enkele van zijn leenmannen en het stadsbestuur van Breda. De verordening maakt deel uit van een complex van tien op dat moment vastgestelde verordeningen. Zij vallen alle op door hun sterke morele ondertoon.
In dit artikel, dat is opgedragen aan wijlen mijn collega historicus en archivaris Wim van Ham en aan zijn partner Han Bos, ga ik nader in op deze verordeningen en vergelijk ik ze met gelijksoortige regelingen in Bergen op Zoom. Ik schets eerst het bredere kader, te weten de dynastie Van Nassau-Breda en het streven naar hervorming van kerk en samenleving in de vijftiende eeuw. Daarna behandel ik de inhoud van de verordeningen, één voor één gevolgd door duiding en analyse.
Tenslotte vergelijk ik Breda met zijn zusterstad Bergen op Zoom.
De dynastie Van Nassau-Breda
Graaf Jan van Nassau was de oudste in 1410 geboren zoon van graaf Engelbrecht van Nassau en van zijn vrouw Johanna van Polanen. Door dit huwelijk werd de uit Midden-Duitsland stammende jongere zoon van de graaf van Nassau een rijke en invloedrijke man. Johanna was het enige kind van haar in 1394 overleden vader Jan II van Polanen. Van hem erfde zij de heerlijkheden Breda, Nieuwervaart (bij het tegenwoordige Klundert) en De Lek in de Alblasserwaard.
Engelbrecht moet een gelukkig mens zijn geweest toen hij vernam dat de voogden van Johanna het goed vonden dat hij haar zou huwen, hoewel ze pas elf jaar oud was. Als een van de grote vazallen van de hertog van Brabant was de heer van Breda vrijwel automatisch lid van de hertogelijke raad. Engelbrecht nestelde zich al snel in de Brabantse politiek. Hij wist in die politiek op tijd van positie te veranderen en zijn invloed nam gestaag toe. Zijn zoon Jan trouwde met Maria van Heinsberg-Loon. Zij stamde uit een adellijk geslacht uit het westelijke Rijnland dat al in de elfde eeuw in de bronnen opduikt. Haar broer Jan was bisschop van Luik.
De heerlijkheid Breda bestond in 1454 uit de burcht, de stad en het land van Breda. Het land omvatte achttien parochies, de middeleeuwse stad en het buurtschap Teteringen vormden in 1454 één parochie met een kerk die was toegewijd aan Onze Lieve Vrouw.>br>Het gebied ten westen van de Mark met de stadswijk Haagdijk behoorde onder de parochie Princenhage. [2] De rechtspraak kende vier niveaus: het laagste was dat van de leen- en laathoven, daarop volgden de schepenbanken en daarboven stond de heer met zijn leenmannen en het stadsbestuur van Breda. Deze rechtbank kreeg later de naam van Hoofd- en Leenbank. [3] De heer benoemde de schouten en de leden van de twaalf schepenbanken. In Zundert en Baarle bestonden toen nog schepenbanken die niet onder zijn gezag vielen. Het vierde niveau was de in Brussel residerende Raad van Brabant die na 1430 was ontstaan en voornamelijk als beroepsinstantie fungeerde. Daarover had de heer van Breda niets te zeggen. Volgens een aangifte uit 1474 had de heer van Breda 979 leenmannen/-vrouwen. [4] De heer zelf woonde in Breda in een kasteel dat stond waar nu de Nederlandse Defensie Academie (of KMA) is gevestigd. Evenals zijn vader Engelbrecht, was ook Jan van Nassau lid van de hertogelijke raad en bekleedde hij de prestigieuze functie van drossaard van Brabant.
Streven naar kerkhervorming
In zijn in 2016 aan de universiteit van Tilburg verdedigde dissertatie analyseerde Frans Gooskens het kerkelijk netwerk van Anselmus Fabri (de Nederlandse vorm is Anselm Smit) in de vijftiende eeuw. [5] Hoewel van eenvoudige afkomst, maakte deze geboren Bredanaar carrière in Rome aan het pauselijk hof om te eindigen als protonotaris apostolicus en referendaris aan de pauselijke curie. Fabri bekleedde daarmee een van de hoogste rangen in de curie, het ambtelijk apparaat van de paus. en referendaris aan de pauselijke curie. Hij was ook deken van het collegiaal kapittel van de Onze Lieve Vrouwekerk in Antwerpen. In zijn in 1449 opgesteld testament stichtte hij een gasthuis voor arme oude mannen aan de Haagdijk, de buurt waar hij vandaan kwam. Gooskens geeft een grondige analyse van het netwerk van deze prelaat dat twee kernen kende, Rome en het hertogdom Brabant. Deze netwerken stelden Anselm en zijn makkers in staat om tal van kerkelijke ambten te verzamelen.
Wanneer zij de daaraan verbonden verplichtingen, zoals zorg voor de relieken en de zielen van de gelovigen niet zelf konden nakomen, stelden zij gekwalificeerde waarnemers aan. Zo kregen zij macht, maar zij koesterden ook een ideaal. Het was hun wens de in verval geraakte kerk te hervormen. Hun ideaal was een kerk met één leider, de paus in Rome, en goede priesters. Bisschoppen en priesters moesten een voorbeeldig leven leiden. Geen bezoek aan herbergen, niet meedoen met gokspel, celibatair leven en geregeld bidden.
Kloosterlingen moesten weer gezamenlijk eten, kapittels dienden het getijdengebed te bidden en te zingen zoals dat hoorde. Deze idealen en hun corresponderende wetten en regels waren na 1350 in verval geraakt. Anselm en zijn collega’s zoals Nikolaus van Kues en Heinrich Raescop stichtten enkele apostelhuizen, gasthuizen waar de twaalf bewoners, mannen of vrouwen, een gemeenschappelijk leven leidden met veel gebed, soberheid en kameraadschap. Het gasthuis aan de Haagdijk was een apostelhuis, aan het eind van de vijftiende eeuw kwam er nog een bij in Zundert, dat werd gesticht door een kleindochter van graaf Engelbrecht I van Nassau. Kloosters moesten zich weer gaan houden aan de drie regels van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. Voor zusters betekende dat invoering of verscherping van het slot (clausura). Slotzusters mochten het klooster nooit verlaten en contacten zelfs met familieleden werden zo veel mogelijk beperkt. Even een rondje door de stad was er dus niet meer bij.
De laatmiddeleeuwse samenleving was in hoge mate gemonetariseerd. Alles was voor geld te koop. Geestelijken, edelen, burgers en boeren waren voortdurend bezig met geld verdienen. Burgers belegden ook. De macht van het geld was zelfs doorgedrongen in het godsdienstig leven. Wie zich zorgen maakte om zijn leven na de dood stichtte voor geld een jaargetijde bestaande uit een al of niet gezongen mis die op de sterfdag van de stichter moest worden opgedragen. De geestelijken die op het jaargetijde aanwezig waren kregen daarvoor per mis betaald uit een speciaal fonds. De statuten van het kapittel van Breda regelen en détail hoeveel de geestelijken kregen. Hoewel theologisch niet juist, leefde het idee dat de hemel voor goed geld te koop was. In hun handboek over de Nederlandse religiegeschiedenis spreken de auteurs Joris van Eijnatten en Fred van Lieburg dan ook over ‘verzekerd hiernamaals’.[6] De uit Reimerswaal afkomstige schilder Marinus van Reymerswale, die in de zestiende eeuw leefde, beeldde dit fraai uit.
Kerkhervorming in Breda
Graaf Jan van Nassau zal voor zijn werk veel op reis zijn geweest, veel honkvaster was zijn vrouw Maria die hem bijna dertig jaar overleefde. Maria was een volgens de normen van die tijd zeer vrome vrouw. In haar door Valentijn Paquay uitgegeven testamenten put zij zich uit in legaten aan goede doelen. Kloosters in Brabant en Duitsland kregen bedragen in geld, vaak onder de last van een jaargetijde.[7] Maria had een voorkeur voor kloosters die de regel consequent navolgden, de zogenaamde observanten. Gooskens besteedde een heel hoofdstuk aan de samenwerking van het netwerk van Anselm Fabri met graaf Jan en zijn vrouw Maria bij het doorvoeren van hervormingen.[8] Het norbertinessenklooster Sint-Catharinadal kwam als eerste aan de beurt. Medewerking van de paus was daarvoor nodig omdat het klooster onder zijn direct toezicht stond. Toen dat geregeld was, werd in 1461 het slot ingevoerd en alle dienstpersoneel ontslagen. De zusters mochten geen persoonlijke bezittingen meer hebben en moesten voortaan alles zelf doen. Na de dood van haar man stichtte Maria van Heinsberg een augustinessenklooster, Vredenberg genaamd. Dit was eerst gevestigd bij Bavel en verhuisde al spoedig naar Boeimeer, even buiten de stad Breda. In datzelfde jaar stichtte Maria een gemeenschap van vijf vrouwen grauwzusters genaamd gelegen naast het begijnhof. Het was geen klooster, de vrouwen legden geen geloften af. Vijf arme, vrome en ongehuwde vrouwen konden hierin worden toegelaten. Zij moesten een groot deel van de dag doorbrengen met bidden. Daar konden de begijnen een voorbeeld aan nemen. Het kapittel dat verbonden was aan de Onze Lieve Vrouwekerk in Breda kreeg nieuwe statuten in 1464 en 1465.[9] De heren geestelijken en hun personeel moesten zich weer aan de regels houden en de vrouwen met wie zij samenwoonden de deur uit doen.
De door Gooskens genoemde acties betroffen steeds het leven van geestelijken en kloosterlingen. De gedachte was dat als zij het goed deden, de rest van de kerk wel zou volgen. De hervorming strekte zich echter ook uit tot het leven van leken en tot de wereld van bestuur en rechtspraak. Dat blijkt uit de decreten van 1454 die we nu eerst één voor één bespreken.
De verordeningen van 1454
De verordeningen van 1454 zijn opgenomen in het Out Keurboeck dat de brand overleefde van 1534, die bijna het hele stadsarchief vernietigde. Dit register en een ouder register het ‘Houten Boeckxen genaamd werden in 1892 uitgegeven door mr. W. Bezemer, adjunct-archivaris aan het gemeentearchief Rotterdam, in de serie Oude Vaderlandsche Rechtsbronnen.[10]
Seks buiten het huwelijk[11]
Mannen en vrouwen die in eenvoudig of dubbel overspel leven en wereldlijke vrouwen die met een priester, kanunnik of kloosterling in zonde samenleven, hebben voortaan geen recht meer op erfenissen, schenkingen of legaten. Dit verbod loopt door tot drie maanden nadat zij opgehouden zijn zo te leven. Deze bepaling is om te voorkomen dat iemand die aan ziet komen dat er wat te erven valt, snel de verhouding beëindigt, om na incassering weer op de oude voet verder te gaan. Deze zondige lieden mogen verder niet worden toegelaten als lid van een ambachtsgilde of religieuze broederschap. Zij mogen in stad en land van Breda geen zaken doen met winstoogmerk. Eten en drinken voor een klein bedrag mag nog wel, ze mogen ook kleren en schoenen kopen voor het dagelijks leven.
Als deze mensen iets erven, of als aan hen iets wordt gelegateerd, dan gaat een kwart daarvan naar de heer van Breda. Aan het erfrecht van kinderen van deze zondige lieden wordt niet getornd. Verder mogen zij die in overspel leven geen openbare ambten bekleden, aan hen mogen geen kamers of huizen worden verhuurd, en zij mogen niet als eisende partij optreden in gerechtelijke procedures. Voor alle duidelijkheid wordt omschreven wat onder overspel wordt verstaan, namelijk wanneer een man en een vrouw samen openlijk één huishouden vormen terwijl één van hen gehuwd is, ook als de officiaal een scheiding van tafel en bed heeft uitgesproken.[12] Van overspel is ook sprake wanneer een vrouw omgaat met een geestelijke, wat zondig en schandelijk is, óók als zij in een ander huis of kamer woont die niet verder dan twee mijlen verwijderd is van de woning van de geestelijke. Dit geldt niet voor meisjes onder de tien jaar en voor vrouwen ouder dan 60 jaar, evenmin als voor lieden die bloedverwant zijn van een geestelijke en met hen samenwonen. De huishoudster van de pastoor of een oudere zus mag dus wel met hem onder één dak leven.
Overspel was door de kerk al lang verboden, dat hoefde de heer dus niet te doen. Nieuw is, dat hij aan dit misdrijf zware sancties verbindt op vermogensrechtelijk en economisch gebied. Iemand die overspel pleegt, kan feitelijk niet meer meedoen aan het economisch verkeer.
Valse eden
Lieden die voor het gerecht onder ede beloven een schuld terug te betalen aan iemand die hen geld heeft geleend en dan in gebreke blijven, moeten de hoofdsom terugbetalen en zijn aansprakelijk voor alle kosten en de geleden schade.[13]
Het gerecht kan hem eerloos verklaren. Deze valse debiteuren komen er niet vanaf met een boete of een compositie met de drossaard of schout.[14] Beloften die indruisen tegen de eer, in strijd zijn met de goddelijke geboden of ingaan tegen de heer, zijn heerlijkheid, het landrecht of die voor anderen belastend zijn of leiden tot economische schade, zijn ongeldig.
De verordening wil ook het afleggen van een eed beteugelen. Het kwam veel voor dat men kwalijke en God vervloekende eden zwoer in herbergen, bij het spel, op markten of tijdens feesten. Er werd gezworen op de ledematen van Jezus, zoals zijn hoofd, haar, bloed, nagels of lijden, of op de borsten of ledematen van Maria. Op dit vergrijp staat een boete van drie oude schilden, als het bewijs middels een getuigenverklaring is geleverd. Het oude schild was een rekenmunt gebaseerd op het gouden schild, een munt die in Brabant vanaf 1337 geslagen werd. Bij herhaling wordt zo iemand gebrandmerkt als een slecht christen en als eerloos. Een officier die deze boete niet oplegt of dit vergrijp voor een lager bedrag laat afkopen (de zogenaamde compositie) is meinedig en eerloos en wordt uit zijn ambt ontzet. Wie drie maal wegens een kwalijke eed is beboet, wordt opgeschreven in het boek van de overspelplegers en is voor eeuwig eerloos. Wie te arm is om de boete te betalen, wat vaak voorkomt, gaat bij de eerste keer één maand lang in een donkere kerker en krijgt alleen water en brood. Bij de tweede keer twee maanden gevangenis, bij de derde keer vier maanden.
Wanneer iemand onder ede een valse verklaring aflegt en dit wordt bewezen geacht, worden hem de twee vingers waarmee hij gezworen heeft afgehakt of hij betaalt een boete van 60 gouden royalen[15], eveneens een rekenmunt. Aangezien er talloze gouden en zilveren munten in omloop waren met ieder hun eigen steeds wisselende waarde, werkte men om een optelling of een rekening te kunnen opmaken met een fictieve eenheid, de rekenmunt genaamd. Men noemde deze vaak naar al of niet meer in omloop zijnde klinkende munten.
Het komt vaak voor dat getuigen voor de schepenbank een verklaring afleggen die niet waar is. De getuige is dan vaak familie van de verdachte of er is aan hem geld of een geschenk gegeven. Als dat bewezen wordt geacht, wordt dezelfde straf opgelegd.
Doodslag met opzet
De derde verordening handelt over moord en doodslag.[16] Wie in koelen bloede en met voorbedachte rade een moord pleegt of iemand van een van zijn ledematen berooft, moet een bedevaart ondernemen naar Rome of Cyprus. Na terugkeer moet hij aantonen daar ook geweest te zijn. Cyprus was waarschijnlijk een alternatief voor Palestina. Een bedevaart naar dat land gold als buitengewoon kostbaar en riskant, terwijl Cyprus toen in handen van christenen was. Het maakt niet uit of de familie van het slachtoffer met het misdrijf is verzoend. Het zoenen kwam vaak voor. Inwoners van stad en land van Breda mogen moordenaars zelf gevangen nemen. Normaliter is dat verboden op straffe van een boete. De heer staat niet toe dat zijn onderdanen het recht in eigen hand nemen, maar daar wordt nu een uitzondering op gemaakt.
Zondagsheiliging
God en de kerk hebben iedereen het gebod opgelegd om de zondag te vieren. Er mag dan niet gewerkt worden. Daarom vinden op zondag voortaan geen zittingen van het gerecht meer plaats, noch in civiele noch in strafzaken.[17] Er mogen dan ook geen zaken worden gedaan zoals betalingsbeloften, en verkopingen, ook niet als er contant betaald wordt. Zaken die toch op zondag worden gedaan, zijn van nul en gener waarde. Uitgezonderd zijn zakelijke misdrijven waarop lijfstraf of de doodstraf staat.
Dubieuze en oneerlijke financiële transacties
De vijfde en zesde verordening hebben betrekking op financiële transacties.[18] Uit de schepenprotocollen van 's-Hertogenbosch en Bergen op Zoom is bekend dat het merendeel van de daar opgetekende zaken financiële transacties betrof. De middeleeuwse protocollen van de Bredase schepenbank zijn bij de brand van 1534 verloren gegaan, maar we mogen gerust aannemen dat het er in Breda niet anders aan toe ging.
De algemene overweging van dit pakket aan financiële maatregelen is dat verkopers vaak bedrogen worden en dat er woeker plaatsvindt waardoor het volk verarmt. Onder woeker verstond men het uitlenen van geld tegen rente. De kerk verbood dit op grond van diverse teksten in de Schrift. Renten met een onroerende zaak als onderpand vielen daar echter sinds het midden van de dertiende eeuw niet onder. Theologen waren het er toen over eens geworden dat dit geoorloofd was. Vanaf die tijd werden er in Breda, Bergen op Zoom en 's-Hertogenbosch veel van dergelijke renten gevestigd. In ruil voor betaling van een som gelds ineens verkocht iemand dan een rente aan de geldverstrekker met een onroerende zaak zoals een huis of een stuk grond als onderpand. Deze renten werden beschouwd als onroerende zaken of om de middeleeuwse term te gebruiken als erfgoederen.
Volgens de verordening komt het vaak voor dat debiteuren om niet te hoeven betalen hun schuldeisers laten dagvaarden of hun goederen in beslag laten nemen wegens een zogenaamd vergrijp. De heer en zijn mannen verordenen nu dat de aanlegger van zo’n zaak onder ede moet verklaren dat het geen verzinsel is. Het wordt verboden om geld uit te lenen tegen rente of een andere tegenprestatie. De sanctie is een boete van 10 oude schilden.
Er kan niet geprocedeerd worden over geldschulden van 50 oude schilden of meer, als de transactie niet op schrift is gesteld ten overstaan van twee schepenen als getuigen en door de secretaris van de schepenbank in zijn protocol is opgeschreven. Deze betalingsbeloften kwamen in Breda en andere Noord-Brabantse steden zeer veel voor. Er is een misbruik ontstaan, vermoedelijk om kosten te sparen, dat deze transacties mondeling worden overeengekomen. Transacties onder de drie oude schilden en kleine zaken die vaak dagelijks tijdens het eten en drinken worden gedaan, vallen hier niet onder. Wat ook verboden wordt en dus voorkomt, is dat iemand een zaak verkoopt en daarna voor een lagere prijs van de koper terugkoopt. Dit kwam neer op ontduiking van het renteverbod. Het wordt ook verboden om een zaak tegen contante betaling aan een ander te verkopen die dit vervolgens voor een hogere prijs weer doorverkoopt aan een derde. Deze maatregel richt zich tegen speculatie: kopen in de verwachting dat de prijs zal stijgen, waarna wordt doorverkocht.
Een ingewikkelde bepaling betreft de handel in lijfrenten. Ik interpreteer ook deze als een maatregel tegen speculatie. Het komt voor dat de houder van een lijfrente die achterstallig is deze verkoopt om daarmee een schuld af te lossen. De koper loopt het risico de achterstallige rente niet te kunnen innen, omdat de debiteur daartoe niet in staat is. De lijfrente wordt dan voor te veel geld verkocht. Voortaan mag de verkoper van een lijfrente met achterstallen deze wel verkopen, maar met een korting die afhangt van zijn of haar leeftijd. Hoe ouder de houder is, hoe groter de korting. Boven de 75 jaar bedraagt deze maar liefst 25 procent. Bij overlijden wordt een lijfrente niet meer uitgekeerd, de koper vist dan achter het net. Transacties die hiermee in strijd zijn, worden nietig geacht, ook al zijn zij voor de schepenbank gepasseerd.
De tarieven waarvoor lijfrenten worden verkocht, worden eveneens begrensd. Anders dan nu kon men een lijfrente vestigen op twee lijven. Stierf de een, dan volgde de tweede op. Wie nog geen 60 jaar oud is, mag voor zichzelf geen lijfrente kopen voor een rente onder de 12½ procent; voor twee lijven geldt een grens van tien procent.
Het wordt verboden om renten te vestigen zonder een onroerende zaak als onderpand. Bovendien moet dit onderpand een overwaarde hebben van tenminste een derde deel van de volledige verkoopwaarde. De vestiging of constitutie dient te geschieden voor de heer of het hof waar de onderpanden onder vallen. Renten van dit type worden namelijk beschouwd als onroerende zaken. Ook bij een lijfrente dient het onderpand een minimale waarde te hebben.
Lijfrenten en uitkeringen aan weduwen of weduwnaars mogen pas voor de schepenbank gevestigd worden als de koopsom is betaald. Dit wijst erop dat de koper soms bij de vestiging van een rente de koopsom nog niet had betaald en dat vervolgens naliet of probeerde op de koopsom af te dingen terwijl hij of zij ondertussen wel aanspraak kon maken op de jaarlijkse rente. Niet voor niets wordt vaak in een oorkonde waarin een rente wordt gevestigd uitdrukkelijk vermeld dat de gehele koopsom is betaald. Er moet met contant geld betaald worden. Uitgezonderd zijn lijfrenten die met rogge betaald worden.
Recht van naasting =
Het recht van naasting hield in dat een familielid een onroerende zaak die aan een niet-familielid werd verkocht en zou worden opgedragen aan de schepenbank mocht naasten tegen contante betaling van de koopsom. Het kwam voor in Breda en 's-Hertogenbosch en er werd veel gebruik van gemaakt. Vanuit economisch oogpunt bezien, beperkte het de handel in onroerende zaken. De zevende verordening omschrijft dit recht nauwkeuriger.[19]
Kennelijk was daar behoefte aan. Wanneer zaken in erfpacht worden uitgegeven mag een familielid naasten. In de praktijk betekende dit namelijk dat de uitgever vrijwel alle zeggenschap over zijn land verloor. Hij had alleen recht op de canon, de vaste jaarlijkse som gelds of hoeveelheid rogge. Wanneer bestaande renten worden verkocht, mag de debiteur ze naasten, wat wil zeggen dat ze door vermenging tenietgaan.
Gokverslaving
De achtste verordening richt zich tegen gokverslaving.[20] Alle dobbelspelen waren al verboden in diverse wetten uitgaande van de wereldlijke en de geestelijke overheid, want zij leidden tot valse eden, onmin, armoede, procedures voor een rechtbank en andere onwenselijke zaken. De heer en zijn leenmannen en stadsbestuurders doen er nog een schepje bovenop. Het wordt voortaan verboden om gelegenheid te geven tot het dobbelspel op een boete van vijf oude schilden. Dezelfde boete geldt voor iemand die zijn huis, kamer of binnenplaats voor dit spel verhuurt. Als degene die gelegenheid geeft om te dobbelen door de spelers of de omstanders wordt uitgescholden of gemolesteerd, dan neemt het gerecht een klacht daarover niet in behandeling. Wat wel wordt toegelaten, is het dworptafelspel dat fatsoenlijke mensen thuis of met vrienden doen met als beloning een beker wijn voor de winnaar. Dit spel is alleen voor de recreatie. Het geld dat wordt verdiend of verloren met dobbelen wordt verbeurd verklaard en gaat naar de heer. Wie degene die aangifte van dit misdrijf doet kwalijk toespreekt of verwondt krijgt een boete. Archeologen hebben in de Bredase bodem veel dobbelsteentjes gevonden.
Oneerlijke en omkoopbare rechters
De laatste twee verordeningen gaan over de rechtspraak. De heer is verantwoordelijk, zoals we in de inleiding al lazen, voor een goede rechtspraak. Daarom neemt hij nu maatregelen tegen oneerlijke en omkoopbare rechters.[21] Als wordt bewezen dat een rechter geld of goederen heeft aangenomen met de bedoeling zijn oordeel in gunstige richting om te buigen, wordt hij voor altijd voor eerloos gehouden. Als het een strafzaak betreft, zal de heer hem straffen. Een rechter behoudt echter als vanouds het recht op een of twee maaltijden met drank waarbij twee of drie personen aanwezig mogen zijn. De geschreven rechten staan dit immers toe. Onder geschreven rechten wordt het Romeinse of het canonieke recht verstaan. Rechters mogen partijen niet dwingen om tot een minnelijke schikking te komen als de zaak zo ver gevorderd is dat vaststaat welk vonnis door de schepenen gewezen gaat worden. Een rechter die dit toch doet, heeft een doodzonde begaan.
Wanneer een schout of drossaard voor zijn werk meer vraagt dan is vastgelegd, dan verliest hij zijn ambt. De al genoemde maaltijden, aangeboden uit dankbaarheid, vallen hier niet onder. Een schout die weigert zijn werk te doen, moet de aangerichte schade vergoeden.
Betekenis en duiding
Verordeningen zoals deze ben ik in het middeleeuwse Breda verder niet tegengekomen. We kunnen ze vanuit twee invalshoeken bezien. Zij verwoordden een intentie, maar lieten ook zien wat er allemaal misging. Het streven naar hervorming van de kerk onder graaf Jan en zijn vrouw Maria beperkte zich niet tot kloosters en kapittels, maar ging verder. De hele samenleving moest weer meer christelijk worden. Alle mensen moesten zich meer gedragen naar de christelijke normen. De vergrijpen waartegen de verordeningen zich richten, hadden betrekking op: seksualiteit, celibaat en huwelijk, gokverslaving, zondagsheiliging, financiële transacties en slechte rechters. De christelijke huwelijksmoraal die monogamie voorschrijft, en overspel en echtbreuk verbiedt, bleek in de praktijk voor iedereen, geestelijken én leken, een zware opgave. Dobbelen en andere spellen met geld als inzet werden door Bredanaars met overgave beoefend. Zelfs de kanunniken van het Bredase kapittel konden deze verleiding niet weerstaan.[22]
Voor veel Bredanaars ging het zakelijk leven de hele week door, óók op zondag. Achter de op het eerste gezicht dorre transacties over renten en uitgiften in erfpacht die werden afgeschreven in het schepenprotocol en waarvan de secretaris van de stad tegen betaling op perkament geschreven afschriften maakte, blijken allerlei manipulaties schuilgegaan te hebben. Mensen bedrogen elkaar of handelden met een speculatief oogmerk. Rente met een onroerende zaak als zekerheid was dan wel toegestaan, maar er werd ook geld geleend zonder zekerheid en dat is woeker. Leningen zonder zekerheid werden niet terugbetaald en als de crediteur er werk van wilde maken, werd hij bestookt met een procedure wegens een vermeend vergrijp. Wat rente op geldleningen betreft, heeft de opsteller van deze verordeningen, de heer van Breda, heel wat boter op zijn hoofd. Hij en zijn voorgangers stonden tegen betaling toe dat uit Italië afkomstige kooplieden, Lombarden genaamd, zich in Breda vestigden om er een bank van lening te exploiteren. De heren gaven tegen betaling een vergunning af.[23] De bepaling over de handel in lijfrenten die achterstallig waren, was vermoedelijk een anti-speculatiebeding. Lijfrenten werden, naar ik vermoed, verkocht met oninbare achterstallen, bij vaststelling van de koopsom werden deze achterstallen meegenomen. Wanneer de begunstigde overleed, had de nieuwe eigenaar het nakijken. Bredanaars probeerden van alles en namen risico’s. Rechters waren omkoopbaar of weigerden te doen wat zij uit hoofde van hun ambt verplicht waren.
De sancties op overtreding bestonden uit geldboeten, maar gingen soms veel verder, zoals bij overspel en echtbreuk. Daar gingen zij in tegen het oude Bredase gewoonterecht. Het erfrecht van mensen die overspel pleegden werd drastisch beperkt. Dat wilde wel wat zeggen. Toen in 1547 het Bredase gewoonterecht op verzoek van de regering in Brussel voor een deel op schrift werd gesteld, ving dit aan met een uit 22 artikelen bestaande paragraaf over het erfrecht.[24] Mannen en vrouwen die overspel pleegden mogen in 1454 nauwelijks transacties doen en geen lid worden van verenigingen die hen in staat stelden om economisch actief te zijn, of die eer en prestige opleverden. Rechters die zich niet aan de verordening hielden, konden worden afgezet. Zij waren bovendien eerloos, ook al een begrip met een sterke morele connotatie.
Hoewel de tekst van de verordeningen daar geen concrete aanwijzingen voor geeft, neem ik aan dat de vrouw van graaf Jan, Maria van Heinsberg-Loon, erbij betrokken was. Zij was de zaak van de hervorming en de plannen van Anselm en zijn netwerk zeer toegedaan.
Een belangrijke, maar niet goed te beantwoorden vraag is of deze verordeningen ook daadwerkelijk werden uitgevoerd. Papier en perkamenten waren en zijn geduldig.
Hooggestemde normen blijven soms in de lucht hangen, het leven gaat gewoon door. Doordat in 1534 bijna het gehele stadsarchief van Breda en ook de archieven van het gasthuis en de Tafel van de Heilige Geest zijn verbrand, kunnen we niet nagaan of de ge- en verboden werden gehandhaafd.[25] Wel bewaard gebleven zijn de archieven van het begijnhof en het klooster Sint-Catharinadal, maar deze zijn voor dit soort onderzoek niet geschikt. Er is niets bekend over drossaarden of schouten die wegens ambtsmisdrijven werden afgezet. De vermelding van natuurlijke kinderen blijft ook na 1454 veelvuldig voorkomen. Pas de doorvoering van de decreten van het Concilie van Trente (1545-1563) leidde tot een betere handhaving van het celibaat voor geestelijken. Het is dus nog maar de vraag of de verordeningen van Jan en Maria effect hebben gehad.
Vergelijking met Bergen op Zoom
Graaf Jan van Nassau en zijn vrouw ontketenden in 1454 een moreel offensief. Gebeurde dat ook in Bergen op Zoom? Heer van Bergen op Zoom was in 1454 Jan II van Glymes, bijgenaamd Jan metten Lippen. Als jongen van tien jaar oud was hij in 1427 zijn vader Jan I opgevolgd. Zijn moeder was Joanna van Boutershem, vrouwe van Bergen op Zoom, Grimbergen en Mellet. Jan metten Lippen trouwde in 1444 met Margaretha van Saint Simon en overleed in 1494, 77 jaar oud.[26] Onder zijn bewind ontwikkelden de stad en de heerlijkheid zich voorspoedig, dankzij de bloeiende jaarmarkten die Bergen op Zoom en zijn zusterstad Antwerpen tot het centrum van de handel in Noordwest Europa maakten.
Jan I en zijn vrouw Johanna van Boutershem hadden in 1428 de aan Sint Gertrudis gewijde parochiekerk van de stad verrijkt met een kapittel. Zij schonken aan de negen kanunniken de parochiekerk van Hildernisse en een deel van hun tienden in de directe omgeving van Bergen op Zoom. Als gevolg van conflicten tussen de stad en het kapittel werd de stichting pas in 1442 door de paus goedgekeurd.[27]
In 1461 zette Margaretha een bestaand klooster van grauwe zusters om in een klooster van franciscanessen, bijgenaamd de Witte Dames. Uit Hasselt kwamen er zeven zusters over om het nieuwe klooster op te zetten. Margaretha’s echtgenoot Jan metten Lippen richtte kort daarna, in 1462, een klooster van minderbroeders op die de observantie volgden en dus de orderegel nauwlettend naleefden. Het stadsbestuur droeg bij door een stuk grond te schenken en de bouw van het klooster te subsidiëren.[28] Heer Jan dwong het wilhelmietenklooster in Huijbergen om de observantie aan te nemen en wist de zusters van het klooster Emmaüs in Hildernisse zover te krijgen, dat zij de overigens gematigde regel van Augustinus aannamen.[29] Jan wilde verder graag dat Bergen op Zoom een begijnhof kreeg, maar dat kwam er pas na zijn dood in 1495.[30] Over Jan zelf meldt Slootmans: “Van Jans persoonlijke godsdienstigheid valt niet veel te zeggen. Zijn openlijke felheid van leven sluit deze geenszins uit.”[31] Jan ging in 1450 wel als pelgrim eerst naar Rome en daarna naar Palestina, wat toen gold als een huzarenstukje.[32] Aan de christelijke huwelijksmoraal liet Jan zich weinig gelegen liggen, getuige de vele bastaardkinderen die hij bij diverse vrouwen verwekte.
Ik heb zeven cartularia onderzocht in de archieven van de Raad en Rekenkamer van de heer van Bergen op Zoom en in het oud-stadsarchief van Bergen op Zoom.[33]
Dit onderzoek was mogelijk omdat deze stukken gedigitaliseerd zijn. Ik heb in deze cartularia geen enkele oorkonde of ander stuk aangetroffen dat vergelijkbaar is met de Bredase verordeningen uit 1454. De conclusie mag dan ook luiden dat de heer en vrouwe van Bergen op Zoom zich evenals hun Bredase collegae wel hebben ingespannen om kloosters te hervormen en daar de oude tucht weer in te voeren, maar dat van een streven om de hele samenleving daarin te betrekken in Bergen op Zoom geen sporen te vinden zijn. Graaf Jan en Maria van Heinsberg-Loon waren vermoedelijk buitenbeentjes. In de literatuur ben ik tot nu toe geen voorbeelden tegengekomen van een dergelijk zich tot hele samenleving uitstrekkend moreel offensief.
Het artikel werd gepubliceerd in een Liber Amicorum voor Willem van Ham, die in 2020 overleed. Zijn bijdrage aan de historiografie van Bergen op Zoom en omgeving is indrukwekkend. Hij was zeer kritisch ten aanzien van zijn bronnen.
Bronnen
Archieven
Westbrabants Archief
- Ham, W.A. van, Inventaris van de archieven van de Raad en Rekenkamer van de markiezen van Bergen op Zoom, 5 delen; ’s-Hertogenbosch, 1980). De inv. nrs. staan al in de eindnoten
Stadsarchief Breda
- Collectie Havermans, TOEGC001.
Bronnenpublicaties
- Bezemer, W. ed., Oude rechtsbronnen der stad Breda, Den Haag, 1892.
- Cerutti, F.F.X. en Brekelmans, F.A. ed., Middeleeuwse rechtsbronnen van stad en heerlijkheid Breda, Utrecht/Zutphen, 1956-1990.
Literatuur
- Joris van Eijnatten en Fred van Lieburg, Nederlandse religiegeschiedenis, Tweede verbeterde druk, Hilversum 2006.
- Thomas Ernst van Goor, Beschrijving der stadt en lande van Breda, ’s-Gravenhage 1744.
- Frans Gooskens, Idealen en macht. Het kerkelijk netwerk van Anselmus Fabri van Breda in de vijftiende eeuw en de stichting van apostelhuizen, Breda 2016.
- W.A. van Ham, Het Doorluchtig Huis van Bergen op Zoom, Zaltbommel 1977.
- W.A. van Ham, Macht en gezag in het Markizaat. Een politiek-institutionele studie over stad en land van Bergen op Zoom (1477-1583), Hilversum 2000.
- G.C.A. Juten, Statuten van het kapittel van Breda 1465, in: Analectes pour servir à l’histoire ecclésiastique de la Belgique, derde reeks, deel V (1909) pp. 301-326 aan de hand van Stadsarchief Breda, Collectie Havermans nr. 17, f 2 e.v.
- A.C.M. Kappelhof, Meisseniers, Sint Petersmannen en buitenpoorters in het land van Breda. Herziening van: Meisseniers en Sint Petersmannen; hun verhouding tot de heer van Breda, in: Jaarboek De Oranjeboom, 30 (1977) pp. 83‑115.
Een verbeterde versie is geplaatst op www.academia.edu op 28 juli 2014.
- A.C.M. Kappelhof, Het Huis Oranje-Nassau: een dynastie van overlevers, in: Limburg/Het Oude Land van Loon, 92 (2013) pp. 201-223.
Een herziene versie is in juli 2020 geplaatst op www.academia.edu.
- A.C.M. Kappelhof, Het domein van de heren van Breda ca. 1200 – 1568.
De laatste versie is in mei 2020 geplaatst op www.academia.edu.
- V. Paquay, De laatste Vrouwe van Breda op Huize Valkenbergh: Maria van Loon-Heinsberg (overleden 1502), in: Jaarboek De Oranjeboom, 43 (1990) pp. 135-206.
- C.J.F. Slootmans, Jan metten Lippen. Zijn familie en zijn stad. Een geschiedenis der Bergen-op-Zoomsche heeren van Glymes, Rotterdam/Antwerpen 1945.
Website
- http://www.academia.edu pagina ‘Ton Kappelhof’ rubriek geschiedenis Brabant.
Digitalisering en Wiki opmaak: Terry van Erp

- ↑ Bezemer, Oude rechtsbronnen, pp. 69-70.
- ↑ Ik heb Roosendaal als parochie geteld, hoewel dit in 1450 formeel nog een appendicium (aanhangsel) was van de parochie Nispen en dus geen zelfstandige parochie.
- ↑ Voor meer literatuur over de middeleeuwse rechtspraak wordt verwezen naar handboeken over het oud-vaderlands recht zoals dat van De Blécourt en Fischer en dat van De Monté Ver Loren en Spruijt.
- ↑ Kappelhof, Meisseniers (1977) pag. 99.
- ↑ Gooskens, Idealen en macht.
- ↑ Van Eijnatten en Van Lieburg, Nederlandse religiegeschiedenis, pp.110-119.
- ↑ Paquay, De laatste Vrouwe.
- ↑ Paquay, De laatste Vrouwe.
- ↑ Cerutti, Rechtsbronnen, nr. 695 (1464) en Juten, Statuten.
- ↑ Bezemer, Oude rechtsbronnen. De verordeningen van 1454 op pp.55-72.
- ↑ Bezemer, Oude rechtsbronnen, pp.55-58.
- ↑ De officiaal is de geestelijke rechter. Hij valt onder het gezag van de bisschop. Onder zijn bevoegdheid vallen onder meer zaken met betrekking tot huwelijk en seksualiteit.
- ↑ Bezemer, Oude rechtsbronnen, pp.58-62.
- ↑ Bij een compositie onderhandelt de drossaard of schout met de verdachte over de afkoop van een misdrijf uitmondend in de betaling van een som gelds aan de drossaard of schout. Er vond dan geen procedure plaats. Composities waren officieel toegestaan. De opbrengst diende door de drossaard of schout in zijn rekening verantwoord te worden.
- ↑ Terry van Erp - historische gouden munt uit de middeleeuwen, oorspronkelijk afkomstig uit Frankrijk (real of royal / gouden reaal) en in de 14e en 15e eeuw ook elders in de Lage Landen en Europa gebruikt als rekeneenheid of wettig betaalmiddel. Zie:De Gouden Reael voor een Amsterdams pand met die naam.
- ↑ Bezemer, Oude rechtsbronnen, pp. 62-63.
- ↑ Bezemer, Oude rechtsbronnen, pp.63-64.
- ↑ Bezemer, Oude rechtsbronnen, pp.64-67.
- ↑ Bezemer, Oude rechtsbronnen, pp.67-68.
- ↑ Bezemer, Oude rechtsbronnen, pp.68-69.
- ↑ Bezemer, Oude rechtsbronnen, pp.69-72.
- ↑ Juten, Statuten, artikel 22.
- ↑ Cerutti, Rechtsbronnen, nr. 250 (de oudste bekende vergunning verleend in 1368).
- ↑ Van Goor, Beschrijving, pp.307-321.
- ↑ De Tafel van de Heilige Geest was de parochiële instelling voor armenzorg. De Tafels werden bestuurd door leken en door de stads- of dorpsbesturen gecontroleerd.
- ↑ Van Ham, Doorluchtig Huis, pp.78-81 en Van Ham, Macht en gezag, pag.78 en pag.386.
- ↑ Slootmans, Jan metten Lippen, pag.14 en pp.87-88.
- ↑ Van Ham, Macht en gezag, pag.395.
- ↑ Van Ham, Macht en gezag, pag.396.
- ↑ Slootmans, Jan metten Lippen, pag.39 en pp.93-94.
- ↑ Slootmans, Jan metten Lippen, pag.94.
- ↑ Slootmans, Jan metten Lippen, pag.20.
- ↑ West-Brabants Archief, boz-0001 Archieven van de Raad en Rekenkamer van de markiezen van Bergen op Zoom, 1289-1795, inv. nrs. 1-3, 355, 356 en 358 en West-Brabants Archief, boz-0005 Archief van de stad Bergen op Zoom, 1397-1810, inv. nr. 6. Een cartularium is een register met afschriften van oorkonden en andere stukken.
