Categorie:Melkrijder

Uit Wiki Raamsdonks Erfgoed


Zouden ze nog wel eens stilstaan bij het verleden, daar bij FrieslandCampina, bij hoe het allemaal begonnen is. En is er nog iets van respect voor dat verleden ? Ik heb mijn twijfels.
Neem nu bijvoorbeeld de melkboer; ja - boer, want dat was hij, een boer die uit pure armoe op het idee kwam zijn overtollige melk niet aan zijn beesten op te voeren, maar te gaan slijten in de dorpen rondom zijn boerderij; dit omdat de opbrengst van zijn land nauwelijks genoeg was om van rond te komen.Veelal gebeurde dit door de werkloze boerenzonen. Maar ook de dochters schroomden niet om met de melk langs de deuren te gaan en die uit te venten. En dan praat je over de jaren eind 1800 tot begin 1900, de tijd dat de basis werd gelegd voor de hedendaagse zuivelgiganten. Vervoer was er nauwelijks, dus vaak werd de melk - door weer en wind - met een juk op de schouders vervoerd, een juk met aan weerskanten een bus of kan; of de kan werd gewoon met de hand gedragen, of hij ging op de schouder. Had je meer geluk, dan kon je een geit of trekhond voor je karretje spannen; trekhonden bleven overigens nog jaren lang zeer populair. Ook veel melkfabriekjes maakten dankbaar gebruik van de trouwe viervoeter.

Omdat er toch wel een behoorlijke boterham mee te verdienen viel, besloten veel boerenzonen, die toch al weinig of geen toekomst hadden op de boerderij, omdat in de regel de oudste zoon de boerderij voortzette of overnam, er hun beroep van te maken en een eigen zaak - met of zonder winkel - te beginnen, met melk en zelf gemaakte boter en kaas en met eieren; en als de zaak een beetje liep kon men - als er wat gespaard was - al snel een paard en wagen aanschaffen voor de bezorging aan huis. Sierlijke koperen melkbussen en melkmaten hoorden erbij voor een betere uitstraling en presentatie.
De rol van de vele melkfabriekjes in de jaren dertig en daarna werd steeds belangrijker. Daar besefte men natuurlijk ook wel dat er aan al die zelfstandige melkboeren geld te verdienen viel. Men zag in dat er steeds meer rechtstreekse contracten met de boeren en melkrijders afgesloten moesten worden, zodat die niet meer rechtstreeks aan hun klanten konden leveren. Bijna alle melkveeboeren waren lid van een zuivelcoöperatie of richtten er zelf een op. Ook de overheid met haar regelgeving maakte het leven van de zelfstandige melkboer ingewikkeld, zodat ze wel gedwongen werden om hun producten van een zuivelfabriek te betrekken.
Vele van die zelfstandige melkboeren redden het toen al niet meer en traden noodgedwongen als melkslijter in loondienst van de melkfabriek; ze hadden eenvoudigweg de middelen niet om daar tegenop te concurreren. Omdat ze vaak nog schulden hadden en de lonen als melkslijter bij de fabriek laag waren, gingen ze noodgedwongen voor een paar kwartjes per uur, na hun melkwijk, 's middags nog in de fabriek werken. De aan een fabriek verbonden melkslijters waren te herkennen aan hun uniform en pet, met de naam van de melkfabriek erop. Voor de zelfstandige melkboeren die overbleven en die het wel konden bolwerken, betekende dit alles wel het einde van hun zelfstandigheid nu ze hun melk niet meer rechtstreeks van de boeren konden betrekken. Ze gingen verder door het leven als kleine middenstander.
Het was keihard werken, sommigen moesten ‘s morgens vroeg zelf eerst de koeien melken om daarna de verse en ongepasteuriseerde melk op de kar te laden, naast de overige producten. En dan ging men de hele dag op pad, zes dagen van de week. Er was immers geen koeling en de concurrentie lag op de loer. Velen hadden buiten hun melkwijk ook nog een zuivelwinkel aan huis, die ook nog een sociale functie vervulde in de wijk. Denk daar bij aan de ingrijpende, door werkloosheid ontstane armoede onder de bevolking; men kon dan bij de melkboer nog wel eens ‘poffen’ tot dat er weer geld was. En zo lang er licht brandde, kon je er 's avonds terecht voor een boodschap.
Elk groot dorp en elke stad had wel een zuivelcoöperatie, dus de concurrentie was moordend. In de jaren ‘30 ontstond er ook nog eens een melkoorlog tussen de overheid tegenover de boeren en fabrieken, met de melkboer er tussen in. Maar door centrale wetgeving van de overheid kreeg zij grip op de kwaliteit van melk. Tot aan het begin van de 50’er jaren was de melk die aan huis werd bezorgd immers ongepasteuriseerd; die moest voor consumptie vanwege het gezondheidsrisico eerst worden gekookt.
Tot in de jaren ‘30 hielden nog steeds veel melkboeren er een vooroorlogse bedrijfsvoering op na: geen telefoon of kassa. Wel verschenen er in het straatbeeld al steeds meer gemotoriseerde melkwagens, in allerlei vormen en maten, nog wel zonder koeling. Het assortiment werd ook steeds groter, het werd uitgebreid met bier, frisdranken, koffie en dergelijke. Ondertussen zaten ook de melkfabrieken niet stil en men probeerde regelmatig melkboeren bij elkaar weg te kapen in ruil voor een flinke bonus en beter contract. Men had daar speciaal opgeleide vertegenwoordigers voor in dienst die de melkboeren om moesten praten.

Veel kleinere fabrieken gingen samenwerken of fuseren om op zo'n manier goedkoper en efficiënter te kunnen werken, waardoor zij tegen een concurrerende prijs konden leveren aan grootgrutters en supermarkten. En juist die namen een groot deel van de omzet van de melkman weg - inderdaad ‘melkman’, want melkboer, dat kon niet meer, die benaming werd als denigrerend beschouwd.
Na allerlei soorten melkwagens, zoals handkarren, met of zonder trekhond, bakfietsen met en zonder hulpmotor, paard-en-wagen en noem maar op, deed in de jaren ‘70 de beroemde melkwagen van Spijkstaal zijn intrede. En dat was een hele verbetering voor de melkman die nu droog zat en ook soms een koeling had. Als men was aangesloten bij een inkoopvereniging, zoals de SRV of de EMHA, kon je via deze organisatie met een afkoopregeling zo’n wagen aanschaffen. Als een melkman stopte met zijn wijk en geen opvolger had, kon hij zijn wijk voor goed geld verkopen aan een particulier of aan de inkoopvereniging. Daarmee had hij nog een mooie aanvulling voor zijn oudedagvoorziening; velen hadden immers alleen maar een AOW -uitkering en geen pensioen.
Rond de jaren ‘80 kwamen - ook van het bedrijf Spijkstaal - de grote, rijdende winkels in het straatbeeld. Die hadden werkelijk alles aan zuivelproducten, kruidenierswaren, dranken en allerlei andere soorten levensmiddelen bij zich. Bijkomend voordeel was dat de melkman, vooral in de stad, nu af was van het gesjouw en traplopen, omdat zijn klanten nu, op een enkele uitzondering na, naar hem toe kwamen in plaats van andersom. De meesten van hen hielden op woensdag hun vrije dag, dat gaf de week een mooie onderbreking, omdat er ook op de zaterdag nog steeds werd gewerkt. Toch waren het nog steeds lange dagen: 's morgens vroeg, als de melkwagen van de fabriek, de bakker en de groothandel zijn bestellingen hadden afgeleverd, moest eerst de winkelwagen of bestelbus ingeruimd worden en daarna kon men pas de wijk in. Aan het einde van de melkwijk, voor velen pas na zessen 's avonds, moest de wagen weer opgeruimd en schoongemaakt worden voor de volgende dag. Ook de bestellingen bij de leveranciers moesten gedaan worden, en dan wachtte er nog een stukje boekhouding. Vaak werkten ook de vrouw en de kinderen mee, of een knecht, zeker als er ook nog een winkel aan huis was.
Doordat er steeds meer grootwinkelbedrijven kwamen met eigen distributiecentra, die hun zuivel centraal inkochten en bij de zuivelfabrieken een veel lager prijs konden afdwingen – een prijs die de melkman nooit kreeg - gingen steeds meer van klanten naar de supermarkten voor hun zuivelproducten, maar ook voor de andere, veel voordeligere boodschappen. Het werd de nekslag voor de melkman, die zijn omzet steeds meer zag terug lopen. En als hij onder de streefgrens van 1000 liter in de week kwam, leverde de zuivelfabriek niet meer. De kosten waren dan hoger dan de baten, het werd dan onrendabel. Het advies luidde dan dat ze het zelf maar moesten gaan halen bij de groothandel. Maar hoe de melkman dat moest oplossen, daar hadden die kolossen geen boodschap aan. Pech dus als je geen bestelwagen had of niet met een buurt-collega onder één naam je bestelling kon plaatsen bij de zuivelfabriek, om toch maar boven het kwantum van 1000 liter in de week te komen. Het was de tweede grote klap, na de sanering in de jaren ’60. De melkwijk verkopen was ook geen optie, want daar was totaal geen interesse voor.
Na het jaar 2000 verdween de melkman/vrouw in rap tempo uit het straatbeeld, en anno 2010 is er nog maar en enkeling over; ook al omdat de grootste zuivelgiganten van ons land intussen hadden besloten alleen nog maar centraal aan de distributiecentrales van de grootwinkelbedrijven te leveren. Er was nu geen enkele belemmering meer voor het tot stand komen van mega- zuivelfusies.
 
De moraal van dit verhaal is dat die zuivelgiganten nooit zo groot hadden kunnen worden zonder die hard werkende melkboer, die eerst z’n zelfstandigheid verloor, toen met mooie beloften werd geworven en uiteindelijk voor het blok werd gezet, waardoor hij het niet meer zelfstandig kon bolwerken. En sommigen bleven uiteindelijk ook nog met een restschuld zitten. Melkboer - melkventer - melkslijter - melkbezorger - melkman/vrouw - de SRV-man of –vrouw, hoe je ze ook noemen wil - nog even, en dit prachtige beroep kan in het rijtje van ‘Beroepen van vroeger’. ’Melkman’ - een persoon die met zuivelwaren van deur tot deur ging.
Dus het zou het de top van FrieslandCampina sieren als ze zo nu en dan nog eens aan die mensen terug zou denken. Een standbeeld, dat verdienen deze hard werkende middenstanders van weleer.
Zie ook: Melkboer

Deze categorie bevat geen pagina’s of media.