Carl Weber (1820-1908)

Uit Wiki Raamsdonk

Carl Weber (1820-1908), architect van o.a. kerken te Geertruidenberg, Raamsdonk en Raamsdonksveer.

Zie ook: Carl Weber

INLEIDING

In de tweede helft van de vorige eeuw zijn - vooral in Noord-Brabant - zeer veel nieuwe R.K.-kerken gebouwd . Dit verschijnsel hield verband met de opbloei van de katholieke geloofsbeleving. Men wilde een zo waardig mogelijk, dus groots godshuis.
In de eerste helft van die eeuw waren vooral door ingenieurs van de rijkswaterstaat kerken gebouwd naar de stijl van die tijd, geinspireerd op de tempelbouw van de oude Grieken en Romeinen en daarom neo-classicistisch genoemd. Maar deze zogenaamde waterstaatsstijl was ontleend aan bouwwerken van heidenen. In de middeleeuwse gotische kathedralen, waarin men ook veel symboliek aantrof uit het geloof, zag men veel meer de aangewezen vormen voor een huis van God.

Bij het begin van deze bouwexplosie waren er niet veel bouwkundigen beschikbaar, die de bekwaamheid hadden om aan het verlangen naar deze nieuwe (neo-)gotische stijl te voldoen.
Een van hen was Charles Weber uit Roermond . Hij heeft meerdere kerken gebouwd in een vrij klein gebied, n.l . het voormalig dekenaat Geertruidenberg, dat toen nog tot het bisdom 's-Hertogenbosch behoorde en wel in Geertruidenberg, Raamsdonksveer, Lage Zwaluwe, Zevenbergschen Hoek en Raamsdonk. Ongetwijfeld dankte hij deze goodwill aan het enthousiasme, dat zijn eerste werk in deze regio, de St. Gertrudiskerk van Geertruidenberg, te weeg bracht .

ZIJN PERSOON

Carl Weber (1820-1908)

Op 18 oktober 1820 werd te Keulen in de Glockengasse Karl Eugen Maria Hubert Apollinaris Ferdinand Weber geboren. Een aanduiding van zijn stand leest men in de hoeveelheid voornamen.

Zijn vader, Jozef Clemens Maria Constant Weber, was griffier van de rechtbank en behoorde tot een zeer vooraanstaande familie in Keulen. Zijn moeder, Maria Franziska Crescentia Gschickt, stamde uit Meruniingen in het Schwabenland en was de dochter van een Oberpostkommiissar. Zij kwam te overlijden, toen Karl twee jaar was.

Deze afkomst uit de betere kringen speelde in die tijd een belangrijke rol. Karl Weber zou ook later in ons land in deze kringen verkeren. Het is voor zijn loopbaan - vooral voor zijn eerste opdrachten - belangrijk geweest .
Inzake zijn opleiding is weinig met zekerheid bekend. Betere architecten hadden aan een academie gestudeerd en praktijkstages doorgemaakt bij bo·uwkundigen van naam. Zijn jeugd valt samen met een periode, waarin te Keulen geestdriftig plannen werden gemaakt voor de restauratie en de afbouw van de Dom. In de veertiger jaren is men daaraan metterdaad begonnen en de legende kan weljuist zijn, dat Weber veel ervaring heeft opgedaan en heeft meegewerkt in de z.g. BauhÜtte, een kring van bouwkundigen en kunstenaars, die aan de Keulse Dom heeft gewerkt .

Karl Weber trouwde op 28-jarige leeftijd met de vijf jaar jongere freule Emily of Stratford. Zij was in Londen geboren en de dochter van de Earl of Aldborough en diens echtgenote Elisabeth of Armstrong. Weber was als Architekt in Keulen gevestigd, toen in 1849 een dochter werd geboren. Een jaar later overleed de jonge moeder.

Korte tijd daarna nodigde een van zijn kennissen, de Graaf van Amstenrade, Jean Baptist d ' Ansembourg, hem uit in Amstenrade een kerk te komen bouwen, voorzien van een speciale loge voor de grafelijke familie. Nog voordat deze kerk gereed was~ riep men hem naar Montfort. In beide gevallen deed hij in ons land zijn eerste nare ervaringen op met openbare aanbestedingen, waarbij aannemers te laag hadden ingeschreven . Hij werd - nog steeds in Keulen wonend - in 1855 betrokken bij de bouwplannen voor een kerk in Steijl. Zeer interessant werd hierbij de eerste confrontatie met zijn jongere, grote concurrent Pierre Cuypers, die aan de academie voor schone kunsten in Antwerpen was opgeleid . Cuypers zag zijn ontwerp - hoe fraai van stijl ook genoemd - afgekeurd door de rijkswaterstaat. De hoofdingenieur adviseerde een andere architect te nemen beter bekend met de constructie en noemde met name Weber . (De kunstenaar contra de constructeur?).

Reizend door Limburg kan Weber ook connecties hebben gehad in Roermond . Op de markt was nog het atelier en de winkel van wijlen de goldsmid Schieffer. Zijn oudste dochter Josephine , 38 jaar, was nog bij moeder thuis en Weber trouwde haar in 1857.
Het kan toevallig zijn , dat Pierre Cuypers zich toen stadsarchitect van Roermond is gaan noemeno Het echtpaar Weber-Schieffer met schoornnoeder ging wonen aan de Kapelweg (thans Kapellerlaan), totdat het zich in de zeventiger jaren vestigde aan de Pastoorswal naast de pastorie van de Kathedraal . Weber liet zich voortaan Charles noemen en bevond zich bij de familie Schieffer in een zeer gegoed en degelijk gezelschap . Hij zat in het bestuur van de tekenschool en was een zeer gerespecteerd burger van Roermond.

Het echtpaar heeft twee kinderen gehad. Zoon Jos, die zou trouwen met de dochter van een natuursteen-importeur, Stienon, en die in 1944 kinderloos is overleden. Ook werd nog een dochter Josephine geboren, die huwde met notaris E. Courbois uit Nijmegen . Hun enige dochter,Tonnie, die haar grootvader de architect nog heeft gekend, is in 1983 kinderloos overleden als weduwe van jhr.dr. J.L.A.van Rijckevorsel, een bekende kunsthistoricus en directeur-conservator van het museum te Nijmegen.
Na 1892 heeft Weber geen nieuwe kerken meer gebouwd. Wel heeft hij zich nog enige jaren bezig gehouden met de aankleding en bemeubeling van zijn eerder ontworpen kerken. Hij werd door een erger wordende oogziekte gehinderd. In 1897 kwam zijn vrouw te overlijden. Een jaar tevoren was zijn ongehuwde dochter uit het eerste huwelijk, die tot dan in Duitsland was gebleven, bij hen in Roermond komen wonen. Toen deze in 1902 overleed - Weber was nagenoeg blind geworden - trokken zijn zoon Jos en echtgenote bij hem in en namen de verzorging van de invalide vader op zich.

Charles Weber is op 21 maart 1908, ruim 87 jaar oud, overleden.
Hij werd bij zijn vrouw op het oude kerkhof van Roermond begraven.
Een eenvoudig grafteken siert de laatste rustplaats van deze monumentenbouwer.

ZIJN WERK

Na zijn bovengenoemde opdrachten in Limburg kwam het eerste werk in het Bossche bisdom voor Valkenswaard (1858-1859). Hij ontwierp hier een nieuwe kerk met toren in gotische stijl in het centrum van het dorp. Het kerkbestuur (in feite was dat toen de pastoor zelf) verkreeg ontheffing van de verplichting tot openbare aanbesteding. Daar was een speciaal Koninklijk Besluit voor nodig o ~en wilde zoveel mogelijk de parochianen zelf inschakelen voor allerlei hand- en spandiensten en eigen mensen werk verschaffen in plaats van de geofferde gel den naar een vreemde aannemer en vreemd werkvolk te zien gaan. Weber zelf heeft altijd een afkeer gehad van openbare aanbestedingen. In Xontfort had het kerkbestuur, in overleg met de aannemer, ingrijpende veranderingen in de plannen aangebracht, tegen de zin van de architect . Vooral het terugbrengen van de voorgeschreven stenen gewelven naar meer ouderwetse houten latten met stucwerk moet voor Weber pijnlijk zijn geweest . Waar vervoer over water niet mogelijk was, zoals in Valkenswaard, bakte men ter plaatse zelf de stenen in veldovens. Men had 1,2 miljoen stenen nodig, 1500 mud kalk en 3000 wagens zand. De bouwkosten bedroegen ƒ 42.730,43, waarvoor het Rijk geen subsidie verleende, maar wel de gemeente met f 10 . 000.-. De parochie behield een schuld van ƒ 24.040,-.

Als opzichter voor de architect fungeerde A.van Nunen uit Stratum, die, toen de kerk van Valkenswaard nagenoeg klaar was, vergezeld van een ploeg gespecialiseerde metselaars, naar Geertruidenberg ging. Hij werd er als uitvoerder in dienst genomen van het Kerkbestuur. Zelfs materieel als kruiwagens en schoppen konden daar goedkoop worden overgenomen .

In Geertruidenberg (1859-1861) was pastoor Ch.Hermus al in 1857 begonnen met het houden van speciale collectes voor een nieuwe kerk. Hij overleed in 1858, maar zijn opvolger, pastoor L.Haenen, zette de acties voort en toen in 1859 de plannen tot uitvoering gingen komen, werden speciale inschrijvingen gehouden onder de meer gegoede burgers. Zo bracht men ƒ 17.000 bijeen. De eigen fondsen bedroegen ƒ 25.000. Het ontwerp van Weber werd door Mgr.J.Zwijsen ter goedkeuring naar Den Haag gezonden, waarbij een aanvraag om subsidie was gevoegd van ƒ 6.000, op een begroting van ƒ 60.000.

De nieuwe kerk zou moeten komen aan het einde van de Markt, midden op straat, als een pendant van de oude - in hervormde handen gebleven-Gertrudiskerk of Grote Kerk. Voor die tijd een grandioos idee. De gemeenteraad, met burgemeester L. P . Koene- tevens kerkmeester - aan het hoofd, stond hiervoor 1000 m2 grond af aan het kerkbestuur.

Het kerkbestuur moest een doorgang langs de kerk vrijlaten en bestraten. Hoewel men ook nog een paar huizen kon kopen en afbreken, was de bouwplaats erg smal. De ontworpen kerk werd mede daardoor zeer rijzig. Door dit uitgesproken gotisch kenmerk werd de kerk alom als zeer fraai ervaren.


St. Geertrudiskerk te Geertruidenberg. Kerk gesloopt 1964.
St. Geertrudiskerk te Geertruidenberg. Kerk gesloopt 1964.
St. Geertrudiskerk te Geertruidenberg. Kerk gesloopt 1964.

De zomermaanden van 1859 vergingen met problemen rond de goedkeuring. De rijkswaterstaat, belast met de beoordeling der plannen, máakte moeilijkheden o.m. over de fundering en vooral over de begroting . Weber liet daarop de funderingswijze van de oude kerk onderzoeken. Tenslotte ging de rijkswaterstaat accoord. Men kreeg vrijstelling van de verplichting tot openbare aanbesteding, maar geadviseerd werd, de spits van de toren weg te laten, als men er geen geld voor had . Een subsidie werd geweigerd. Wel kreeg de pastoor een verhoging van zijn jaarwedde met ƒ 200 als tegemoetkoming in de lasten van de geldleningen. Nog juist op tijd kwam op 2 september 1859 de toestemming om voor eigen rekening te gaan bouwen. Men kon nog in het najaar de fundering metselen.

Zijbeuk van de Geertrudiskerk te Geertruidenberg. Kerk gesloopt 1964.
Zijbeuk van de Geertrudiskerk te Geertruidenberg. Kerk gesloopt 1964.
Zijbeuk van de Geertrudiskerk te Geertruidenberg. Kerk gesloopt 1964.

Gedurende de wintermaanden werd er volgens de gewoonte van die tijd niet aan de bouw gewerkt, zodat de specie van de fundering kon verharden. In het vroege voorjaar begon men dan met het opgaand metselwerk en werd, meestal plechtig, een eerste steen gelegd. In dit geval was dat op 27 maart 1860. Men zorgde in dat jaar het werk onder dak te krijgen om de volgende winter beschut te kunnen doorwerken. Volgens deze globale planning werden alle kerken in die tijd gebouwd. Als opzichter voor de architect verscheen op het werk J.A.van Dijk, die de nodige detailtekeningen voor zijn rekening zou nemen. (Hij werd later stadsarchitect van Eindhoven en zou daar zijn leermeester Weber inschakelen voor een ontwerp van het neogotische stadhuis). Voor de rijkswaterstaat verscheen regelmatig J .C .J. Huijsers uit Breda. om een waakzaam oog te houden op de bouw . Uit de bewaard gebleven stukken valt nog te lezen, dat de stenen uit Hurwenen, het hout uit Utrecht, mergel en leien uit Maastricht en glas uit België kwamen . Al dit materiaal werd over water aangevoerd . De gemeenteverslagen maken gewag van grote bedrijvigheid, die heerste door de bouw van de nieuwe kerk. De toren werd compleet gebouwd en de bouwsom overschreed, geheel overeenkomstig de voorspelling van de rijkswaterstaat, de ƒ 80.000. Op 4 augustus 1862 werd de kerk, tegelijk met het belendend kerkhof, gewijd.

Voor niet meer dan ƒ 30.000 bouwde Weber te Winssen (1860-1863) een nieuwe, grotere kerk tegen de middeleeuwse toren.
In Vijlen verrees de schitterend gelegen hoogste kerk van Nederland, n.l. 195 m boven N.A. P ~, in de jaren 1860-1863. De toren werd een paar jaar later verhoogd.

Van 1861- 1863 werd, weer onder leiding van de dagelijkse opzichter A.van Nunen, die in Geertruidenberg was afgewerkt, een kerk zonder toren met enige rijkssubsidie in Bérgeijk 't Loo gebouwd. In Limmel (Maastricht) volgde tezelfdertijd een nieuwe kerk met als bijzonderheid, dat Weber hier een gewelf liet maken van houten stroken. De toren volgde een paar jaar later. In Lutterade stichtte men een nieuwe parochie, waarvoor Weber in 1862-1863 de kerk bouwde.

In Roermond werd in die tijd het felle en met veel politieke achtergronden geladen gevecht gevoerd om de restauratie van de Munsterkerk . Aan de opvattingen van Cuypers werd de voorkeur gegeven en hij kreeg er later zijn standbee l d . Pierre Cuypers trouwde met een zuster van Jozef Alberdinck Thijm, de bekende katholieke voorman , die ook zijn grote promotor zou worden en hem zou overhalen om zijn bureau over te brengen naar Amsterdam.

Bij wie op de hoogte is van de verhoudingen, die vaak heersten in een stad tussen seculiere en reguliere geestelijkheid, behoeft het geen verbazing te wekken, dat Weber na de affaire van de Munsterkerk opdrachten kreeg van reguliere zijde. Zo bouwde hij, vlak bij huis, van 1863 tot 1866 het grote redemptoristenklooster bij de Kapel in 't Zand en voerde een veraf gelegen opdracht tot het ontwerpen van een kerk in Franeker uit. Betrekkingen met de paters Franciscanen, die deze parochie bedienden, zullen hieraan niet vreemd zijn geweest .

Intussen had men in Raamsdonksveer als het ware de bouwrekening van Geertruidenberg gepresenteerd gekregen. Er was daar, sedert de oprichting van een afzonderlijke parochie in 1843, gebruik gemaakt van een schuurkerk en er moest een nieuwe kerk komen.
Bijna vanzelfsprekend moest Weber deze ontwerpen. De rijkswaterstaat liet zich echter ditmaal niet meer verrassen. Mgr. Zwijsen zag zich genoodzaakt zelf het besluit te nemen het ontwerp te verkleinen om goedkeuring en subsidie te krijgen. Er moest openbaar worden aanbesteed en de toren werd van het plan geschrapt.

De enige bekende afbeelding van de door Carl Weber ontworpen kerk te Raamsdonksveer. Verbouwd door J.Kuypers,verwoest 1944.
De enige bekende afbeelding van de door Carl Weber ontworpen kerk te Raamsdonksveer. Verbouwd door J.Kuypers,verwoest 1944.
De enige bekende afbeelding van de door Carl Weber ontworpen kerk te Raamsdonksveer. Verbouwd door J.Kuypers,verwoest 1944.

De subsidie bedroeg ƒ 2500.- van het Rijk. De niet op de groei ontworpen kerk werd door een Utrechtse aannemer gebouwd voor ƒ 33.000 en bleek weldra te klein. Het zou nog tot in de negentiger jaren duren voordat ze ingrijpend kon worden vergroot (door Jos Cuypers) en met een fraaie vieringstoren kon worden gesierd. Dit ontwerp van Weber was een van de laatste projecten, waarmee zich de rijkswaterstaat moest bemoeien, omdat het K.B. van Willem I uit 1824, dat voor de bouw, verbouw en afbraak van kerken de koninklijke goedkeuring nodig maakte, werd ingetrokken.
Meer vrijheid en dus werden daarna nog veel mooiere kerken gebouwd. De bisschoppen moesten toen zelf scherper gaan toezien op de bouwplannen van de pastoors om de schuldenlast, die zij op zich namen, binnen redelijke perken te houden.
Zo moest al voor de kerk van Heesch (1865-1868) , op last van Mgr. Zwijsen , de toren tot tweemaal toe tijdelijk met stro worden afgedekt, totdat er meer geld beschikbaar kwam voor verder bouwen.
Dat gebeurde nadat de gemeente f 10 . 000 subsidie verleende en Weber garandeerde de eventuele meerkosten voor zijn eigen rekening te zullen nemen . Hij heeft trouwens vaker honorarium opgeofferd en zelfs geld bijgedragen om zijn scheppingen voltooid te krijgen.
In Heesch werden gewelven gebouwd van ijsselstenen.

Na de kerken van Puiflijk (1866-1867), Nuenen (1870-1872), Zeelst (1871- 1872) en Nieuwkuijk (1872-1 874) adviseerde Mgr. Zwijsen het kerkbestuur van Lage Zwaluwe met architect Weber in zee te gaan voor de bouw van een nieuwe kerk. Reeds in 1876 was het schetsplan voor een kruisbasiliek met fronttoren gereed, maar voordat men aan bouwen toekwam waren er al grote moeilijkheden. Men had een strook grond van het kerkhof nodig en door de hoge waterstand was de bouwput niet droog te houden. en moest tot op 4,5m diepte de leemachtige grond uitgraven. Er moest een stoommachine worden aangevoerd, die met bediening ƒ 25 per dag kostte. (Een vakman haalde ƒ 1 tot ƒ 1, 20) . Aan Prins Frederik schreef men, dat de arme pachters in zijn kroondomein zich voor grote extrakosten geplaatst zagen, omdat de grond zo slecht was. Hij schonk een bijdrage van ƒ 1000.

Toen men eind 1877 met de fundering dacht klaar te zijn, moest Weber grote delen daarvan afkeuren. De opzichter Ant. Mulders uit Raamsdonksveer, die te weinig toezicht op de speciebereiding had gehouden, moest bij de nieuwe bisschop, Mgr.A.Godschalk, op speciale audiëntie komen om er met een flinke reprimande zijn ontslag op staande voet in ontvangst te nemen . M.Jansen uit Nuenen volgde hem op. Een Waalse steenhouwer, H. J . Troupin, die nog veel voor Weberkerken zou gaan werken, leverde en bewerkte de Savonnière-steen. De metselstenen kwamen ditmaal per schip uit Duitsland. De kolommen werden op een stenen gewelf berekend, maar - waarschijnlijk door gebrek aan vaklieden - maakte men een gestucadoord houten plafond. Het tijdperk van de z.g. stucadoorsgotiek liep ten einde . Thijm en Cuypers waren al eerder te velde getrokken voor eerlijkheid in de toepassing van bouwmaterialen.
Men wenste geen genoegen meer te nemen met imitaties, met allerlei fraai gekleurd stucwerk, met imitatie-marmer, compleet met vlammen en voegen.

De pastoor had na de plechtige consecratie op 15 september niet alleen Mgr . Godschalk, maar ook architect Weber onder gasten aan het diner.

Intussen was de ingrijpende restauratie van het kerkje van Blitterswijk (1876-1878) beëindigd, waarbij Weber middeleeuwse muur- en plafondschilderingen liet blootleggen en conserveren.
In Roermond moest de Vincentius-vereniging over een behuizing kunnen beschikken. In de Kruisherenstraat maakte Weber daarvoor de plannen gratis gereed en veel kunstenaars schonken hun bijdragen. Te Maasniel (1880-1882) moest in een arme parochie het kerkje worden vergroot. In plaats van honorarium te vragen schonk Weber een bijdrage van ƒ 100. Hij liet een bescheiden jonge timmerman uit Valkenswaard, Harry van Doremalen, die hij in opleiding had, omdat hij in hem een goede opzichter zag, bij deze bouw ervaring opdoen.

Al meer dan een generatie lang waren er plannen om de gehuchten Katwijk en Klein-Linden tot een afzonderlijke parochie te verheffen , maar dit kon steeds niet doorgaan, omdat men het niet eens kon worden over de plaats , waar de nieuwe kerk moest komen. Men bleef touwtrekken en met bijdragen en toezeggingen tegen elkaar opbieden , totdat Weber in 1881-1882 in Katwijk aan de Maasoever kon beginnen met een miniatuur kruisbasiliek, compleet met toren voor circa 100 zitplaatsen.

Voordat een architect op een bouwplaats verscheen waren er vaak jarenlange problemen en complicaties aan voorafgegaan, meestal over de plaats van de nieuwe kerk en de grondverwerving. In Best (1881-1882) woedde een hevige strijd tussen de pastoor en de Eerw. Zusters over de bouwplaats. De bisschop moest zelf een beslissing nemen, voordat men in 1881 kon gaan bouwen.
De kerk werd prachtig met eerlijke stenen gewelven en (gekleurde) baksteen in het interieur~ maar de bouwpastoor, aldus zegt de overlevering, is er aan gestorven. De pastoor werd ziek en overleed toen zijn kerk nauwelijks klaar was. Hij was in eigen beheer zelf bossen gaan kopen voor steigerhout en kocht voor de vervaardiging van stenen een tweedehandse vormmachine, die het liet afweten. Zijn opvolger mocht beginnen met uit te zoeken wat de bouw had gekost. De gemeente schonk voor de kerk ƒ 15.000 en verleende voor de bouw van de toren een paar jaar later een renteloos voorschot van ƒ 10.000. Maar Mgr. Godschalk was intussen wat zuiniger geworden op zijn pastoors en verbood het bouwen van de toren in eigen beheer. Men was weer terug bij de openbare aanbesteding. Het moet - zegt men - de aannemer Troupin, die met zijn steenhouwerij in Best was gevestigd, als laagste inschrijver veel geld hebben gekost.

In de carrière van architect Weber is de Vughtse St.Petruskerk (1881-1884) een keerpunt geworden.

Pastoor J.A.F.Lips , geboortig uit Waspik, had in Hank al een nieuwe parochie gesticht. Tijdens de bouw van Weber's kerk in Raamsdonksveer had hij diens opzichter geleend om een tekening voor hem te maken van een kerkje, dat hij bijna eigenhandig in Hank had gebouwd. Het was een promotie, toen hij in 1880 in Vught werd benoemd om daar, met zijn bouwervaring, een grote kerk te gaan zetten. Na even geschrokken te zijn van het honorarium, dat Pierre Cuypers vroeg , ging hij met Weber in zee. Samen maakten ze het plan om eens iets anders te laten zien dan wat er rondom en overal aan spitsbogen en neogotische kerken verrees.

Het langgerekte interieur van de Geertrudiskerk te Geertruidenberg. "Een woud van kolommen en pilarenop een smal grondvlak".
Het langgerekte interieur van de Geertrudiskerk te Geertruidenberg.
"Een woud van kolommen en pilarenop een smal grondvlak".
Het langgerekte interieur van de Geertrudiskerk te Geertruidenberg.
"Een woud van kolommen en pilarenop een smal grondvlak".


De centrale aanleg moest tegemoetkomen aan de bezwaren die de, in de voorgaande jaren gebouwde, langgerekte kerken opleverden. Door dit ontwerp ontstond meer ruimte in het midden van de kerk, wat de gelovigen meer zicht gaf op het altaar waardoor een grotere betrokkenheid zou ontstaan. In dit opzicht kon de St.Gertrudiskerk van Geertruidenberg als voorbeeld dienen, hoe het ditmaal niet moest: geen woud van kolommen en pilaren op een smal grondvlak, die het uitzicht belemmerden, maar een flinke ruimte in het centrum. Zo kwam Weber tot een teruggrijpen op de voorbeelden van laat-romaanse kerken, waarvan hij er verschillende goed moet hebben gekend.Zelf noemt hij in zijn correspondentie: de Apostelkirche van Keulen, de Munster van Bonn, de Sankt de abdijkerk van Maria-Laach en zowaar ook Peter van Sinzig, de Munsterkerk van Roermond .

Interieur van de Bartholomeuskerk te Zevenbergschenhoek. Deze koepelkerk had een grote vrije ruimte in het centrum. Verwoest 1944.
Interieur van de Bartholomeuskerk te Zevenbergschenhoek. Deze koepelkerk had een grote vrije ruimte in het centrum. Verwoest 1944.
Interieur van de Bartholomeuskerk te Zevenbergschenhoek. Deze koepelkerk had een grote vrije ruimte in het centrum. Verwoest 1944.

Eind 1881 zat de fundering voor de St.Petruskerk in de grond.
De bouw stond onder de dagelijkse leiding van iemand uit Rotterdam, die nogal hoog van de toren blies over zijn ervaring, zich architect noemde en iedereen liet weten, dat hij het was, die de kerk bouwde. Weber was door de pastoor beperkt in zijn persoonlijk toezicht, omdat zijn bezoeken nogal duur gevonden werden. Het contract met Weber was op dit punt onduidelijk.
De planning werd niet gehaald. Het was een te groot project om in één seizoen onder dak te krijgen, temeer omdat het in die zomer van 1882 bar slecht weer was en in het najaar al niet veel beter. Toen begonnen zich al onheilspellende scheuren te vertonen. Een kolom begon uit het lood te staan. Op 1 december schreef de bisschop nog aan de pastoor, dat hij beter op kon houden, om het metselwerk gedurende de winter de tijd te gunnen te verstenen. Enkele dagen later, op 5 december 1882 , voltrok zich een groot drama. Midden onder het werk stortte een gedeelte in van het noorder-transept mèt de daarin staande steigers: acht doden, twee zwaargewonden en een enorme ravage waren het gevolg.

De justitie riep Weber ter verantwoording. Hij bleek geen fouten te hebben gemaakt in zijn constructies. Zijn berekeningen waren juist. De bisschop benoemde een commissie van deskundigen en Weber gaf zijn opmerkingen bij hun rapport. Men werd het eens over maatregelen, die moesten worden genomen en de bisschop besliste, dat Weber, maar dan onder diens persoonlijke leiding en verantwoordelijkheid, de bouw mocht voortzetten. Dat besluit was moeilijk en moedig, omdat de justitie nog geen oordeel had gevormd over de schuldvraag. De bisschop schreef bijna letterlijk:

God zegene de greep.

De Rotterdamse branie-opzichter was intussen door Weber ontslagen.
Er was van alles aan het licht gekomen, dat niet voor het daglicht was bedoeld. Hij zou later tot in hoogste instantie worden veroordeeld tot een geldboete en drie maanden celstraf voor o.m. dood door schuld. Die eenzame opsluiting was nodig, gelet op 's mans bijzondere geaardheid. Ook dat nog!

Wat Weber na de hervatting in het voorjaar van 1883 nog van het bouwwerk heeft weten te maken verdient aanzienlijk meer respect dan he t hem heeft opgeleverd. Hetzelfde geldt voor de jonge Van Doremalen, die de dagelijkse leiding opgedragen kreeg . Weber liet iedereen verbijsterd staan, toen hij het aandurfde reeds in 1883 stenen gewelven te laten aanbrengen. Velen hielden het bouwwerk voor gammel en gevaarlijk . (Dit is tot op de dag van vandaag in Vught zo gebleven, ook al heeft het gebouw de twijfelaars van toen royaal overleefd) . Ruim 50 maal kwam Weber in 1883 naar het werk.
Toen de kerk op 21 april 1884 werd geconsacreerd was er een waardige plechtigheid , maar geen groot feest .

De "kathedraal van het westen" . Verwoest 1944.
De "kathedraal van het westen" . Verwoest 1944.
De "kathedraal van het westen" . Verwoest 1944.

Intussen zat men in Zevenbergschen Hoek in onzekerheid af wachten. In het najaar van 1882 had men de funderingen voor de nieuwe kerk al gereed gemaakt, maar men kon in het voorjaar niet verder. Zou Weber schuldig worden bevonden en wellicht zelfs veroordeeld worden voor het gebeuren in Vught? Was zijn plan voor een koepelkerk wel solide? Men heeft in Zevenbergschen Hoek moeten wachten totdat Weber vrijuit bleek te gaan en weer tijd kreeg voor hun kerk, maar vooral totdat bleek, dat de kerk van Vught tot een goed einde was gebracht. Met de ploeg gewelven-bouwers van Vught - vooral niet de oorspronkelijke aannemer - kwam Van Doremalen naar Den Hoek. Het lijkt wel alsof Weber in Vught is wakker geschrokken en daarom zijn allermooiste, door vriend en vijand geprezen kathedraal van, het westen in Zevenbergschen Hoek kon bouwen. Eigenlijk heette ze de Bartholomeuskerk, maar iedereen spreekt nog van dé koepelkerk. In Vught was de relatie tussen Weber en de pastoor bekoeld, omdat deze laatste de architect geen extra-honorarium wenste te betalen. Dit was ook niet overeengekomen. De bouw van de kerk uit Vught had, zonder torens en zonder koepel, die d~ pastoor zelf bekostigde, al ruim ƒ 170.000 gekost bij een begroting van ƒ 135.000. Het honorarium was beperkt tot 3½% van maximaal ƒ 100.000. Maar in Den Hoek zou Weber nog lang aan de pastoor schrijven als zijn "waarde vriend".
In Vught zijn de hoektorens van het plan nooit meer gebouwd, maar de kerk van Zevenbergschen Hoek werd volledig gerealiseerd.
Tot laat in de negentiger jaren adviseerde Weber pastoor J.Migchels inzake allerlei verfraaiingen en de inventaris van hun beider koepelkerk.
In Cromvoirt (bij Vught) verwoeste 1886 een brand de kerk en pastorie, die samen onder één strodak de armoede van dit dorp tot uitdrukking brachten. Weber ontwierp een fraai klein kerkje met pastorie en een paar jaar later de toren. Deze werd met een verlaagd tussenstuk met de kerk verbonden. Het resultaat was een opmerkelijke silhouet-werking. Het geheel had niet veel geld gekost.

Dit kon niet worden gezegd van de vier koepelkerken, die Weber hierna nog zou gaan bouwen. De bisschop vond ze wel prachtig, maar ook erg duur, doordat bij het plan ook twee fronttorens hoorden. In Uden (1887-1889) verliep de bouw daarvan zeer voorspoedig onder de betrouwbare leiding van Van Doremalen, maar in Raamsdonk (1888-1889) zijn de torens maar stompjes gebleven.
Voor de klokken moest Weber later de sterkte van een torentje op de koepel nadrukkelijk garanderen. Toch had men daar bewust voor dit type kerk gekozen en voor het plan van Weber. Voor een meer gewone neo-gotische kruisbasiliek, waarvoor men architect Stornebrink uit Wychen een schets had laten maken, voelde men niet zoveel. Nog grotere concurrentie ondervond Weber in Geldrop (1881-1891). Een bezoek van het kerkbestuur op studiereis aan Zevenbergschen Hoek gaf hier de doorslag. Wel hadden de torens veel voeten in de aarde. Weber moest hier zelf een bijdrage toezeggen om zijn plannen voltooid te krijgen.

De St.Bavokerk te Raamsdonk
De St.Bavokerk te Raamsdonk
De St.Bavokerk te Raamsdonk

In Geisteren (1885) had Weber intussen de middeleeuwse toren met zijn vele markante speklagen gerestaureerd.
Bij de bouw van een neo-gotische kerk in Afferden (Gld.) in de jaren 1890-1891 had de jonge opzichter W.Wijsbek uit Uden, die toch zijn sporen al had verdiend als opzichter aan de toren van Best en de kerken van Cromvoirt en Raamsdonk, de pech van zijn leven.
Als gevolg van gebrekkig bodemonderzoek begon de toren, halverwege opgebouwd, te verzakken. Kostbare voorzieningen, zoals heien in en om de toren en een ijzeren rooster, moesten erger voorkomen. Ter herinnering hieraan staat de toren nog steeds onafgebouwd. Hoewel men geld genoeg had verbood de bisschop verdere investering. De architectuur en vooral de materiaalkeuze van de kerk werden door een overdaad aan geldmiddelen geteisterd. Eén legaat voor de bouw van een nieuwe kerk had ƒ 91.000 opgebracht.

Ook in Overasselt (1890-1891) wordt de architectuur van Weber erg druk genoemd. De kerk met één toren aan de zijkant van het front is hoog opgetrokken. De pastoor de zijkant van wilde zelfs nog hoger bouwen. Ook hier werd in eigen beheer gebouwd en dus kwam men tot forse overschrijding van de begroting, hoezeer de bisschop intussen ook was gaan waarschuwen voor zowel dat bouwen in eigen beheer als voor de begrotingen van Weber.

De "Weberkerk" te Lage Zwaluwe. Verwoest 1944.
De "Weberkerk" te Lage Zwaluwe. Verwoest 1944.
De "Weberkerk" te Lage Zwaluwe. Verwoest 1944.

Toen men intussen in Lierop (1890-1892) een koepelkerk wilde gaan bouwen met liefst vier torens en een pastorie, waarvoor de bisschop al toestemming had gegeven, wilde deze nog waarschuwen tegen het bouwen in eigen beheer. Er bereikten hem alarmerende kostencijfers uit Overasselt en Afferden, maar het was al te laat. De pastoor van Lierop was al begonnen het werk in gedeelten zelf uit te geven. De steeds weer veel te lage begrotingen en de grotere omvang, die het werk kreeg door het zelf bouwen, hebben de naam van Weber geen goed gedaan. Dat de bouw van zo'n kerk voor een parochie tot een pijnlijke operatie werd en van de pastoors zeer veel vergde, leek Weber niet te deren. De overlevering wil, dat men de pastoor in Lierop heeft zien huilen, omdat hij er financieel geen raad meer mee wist.
Nu echter is de kerk een monument, waarop men in Lierop zo trots is, dat men het ongepast vindt, dat bij het uitzicht op de majestueuze koepelkerk vanaf de E3-weg een verkeersbord is aangebracht, dat de afrit aangeeft naar Someren. Weber moet van de latere trots en tevredenheid wel een voorgevoel hebben gehad.

Op 20 mei 1892 sloeg de bliksem in de kathedraaltoren van Roermond. De spits en de kap van de kerk werden verwoest.
Weber, die op een paar meter afstand van die kerk woonde, restaureerde de toren en de kerk en ontwierp een nieuwe, meer gotische spits, die nog vele jaren aan zijn naam heeft herinnerd. Vooral deze opdracht moet hem voldoening hebben gegeven en zo niet bedoeld, dan toch door hemzelf als een rehabilitatie zijn gevoeld na de miskenning van zijn plannen tot restauratie van de Munsterkerk.

NASCHRIFT

Meer dan de helft van Weber 1 s werk is verloren gegaan. Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog werden verwoest of onherstelbaar zwaar beschadigd de kerken van Raamsdonksveer, Lage Zwaluwe, Zevenbergschen Hoek, Nieuwkuyk , Maasniel en de toren (en kerk) van Geisteren.
Om uiteenlopende redenen werden afgebroken de kerken van Valkenswaard (1929), Steijl (1930), Lutterade (1934), Winssen (1942), Franeker (1960), } Montfort (1963) en Geertruidenberg (1964).
De kerk van Heesch is in 1961 door brand verwoest. De neo-gotische torenspits van de Roermondse kathedraal bezweek bij een storm in 1921. Betrekkelijk kort geleden zijn het oude stadhuis van Eindhoven en het Vincentiushuis in Roermond afgebroken.
Veranderingen in de liturgie hebben ook veel van de door Weber ontworpen inventarissen van kerken, zoals altaren, preekstoelen, banken en decoratie's verloren doen gaan.
Tegenover deze triest aandoende opsomming van hetgeen verdwenen is kan gelukkig worden gesteld , dat zeer representatieve en prachtige door Weber ontworpen gebouwen behouden zijn gebleven.
Om er slechts enkele te noemen, die een bezichtiging zeker waard zijn: de kerkjes van Vijlen en Bergeijk-'t Loo uit Weber's beginperiode, de kruisbasiliek met machtige toren in Best en de imposante koepelkerken van Vught, Raamsdonk, Uden, Geldrop en Lierop.
Vooral in deze neo-romaanse kerken lijkt Weber zijn afkomst en heimwee naar zijn geboortestad Keulen te hebben vastgelegd.
In dit jaar - 1985 - wordt in Keulen, veertig jaar na de verwoestende oorlog, de vrijwel voltooide restauratie van de twaalf romaanse kerken, die de stad rijk is, op grootse wijze gevierd.
Bij alle publiciteit , die hiermede gepaard gaat, wordt ongewild goed duidelijk gemaakt, hoezeer een afspiegeling van deze Keulse rijkdom aan bouwkunst in kerken van onze provincie is terecht gekomen door het werk van architect Weber.

Bron: De Dongebode 1985 - P. J . C. Boeren.



raamsdonkshistorie.nl
raamsdonkshistorie.nl

Geraadpleegde Literatuur:

  • Deursen, A. van, Carl (Karel) Weber (1820-1908) Van stukadoorsgotiek tot koepelkerk, (2020)
  • Helvoort, H. van, De kerken van C. Weber, (1974)
  • Broek, C. van den, Leven en werk van Carl Weber (1820-1908), (1988)
  • Dunk, Th.H. von der, Eminente persoonlijkheden zijn gelukkig in den loop van 1908 niet aan de Nederlandsche Bouwkunst ontvallen : de prijzige koepelkerken van Carl Weber (1820-1908) in Noord-Brabant, In: Noordbrabants Historisch Jaarboek 22-23 (2005-2006), p. 39-84


Zie ook het boek van André van Deursen: [Carl (Karel) Weber (1820-1908)]