Het Raamsdonkse gilde van voerlieden en ijsslederijders

Bijna vanzelfsprekend hielden sommige inwoners van een dorp, waarvan een groot gedeelte der bewoners in het boerenbedrijf werkzaam was, zich bezig met het vervoer over land en ijs.
Alles wat nodig was om te kunnen vervoeren, de paarden, de karren en wagens, de sleden en, niet te vergeten, de vakkennis van de voerlieden was immers al aanwezig. Menige boer zal z'n materiaal zelfs graag voor transportdoeleinden hebben ingezet, als er op de boerderij minder werk voorhanden was. Hij kon daardoor iets extra's verdienen en dat was niet alleen welkom maar soms ook broodnodig. In de ambachtsheerlijkheid Raamsdonk kunnen we ons in de 18e eeuw een dergelijke situatie voorstellen. In het buurtschap "het Veer", gunstig gelegen aan goed vaarwater, ontwikkelden zich activiteiten op het gebied van de handel en de verwerking van landbouwproducten en watergewassen. Er kwam meer en meer behoefte aan transportmogelijkheden, zowel over water als over land. Wellicht zullen, na verloop van tijd, enige inwoners van Raamsdonk als voerman en ijsslederijder gevestigd hebben.
In 1730 werd een gilde opgericht, dat zich bezig hield met het vervoer van passagiers en vracht over land en ijs. In dat gilde werden de Raamsdonkse voerlieden en ijsslederijders[1] verenigd en werd het vervoer in en vanuit de ambachtsheerlijkheid Raamsdonk aan regels gebonden.
Er werd een reglement opgesteld:
"waar na alle ofteende yegelyke Voerlieden, die met Wagens, Karren, Chaisen, ofte andere Rytuigen, mitsgaders alle die des Winters met Yssleeden ter Vragte, met Personen of Goederen, zouden genegen zijn te Ryden, mitsgaders alle ende Passagiers, zich zullen hebben te reguleren".
Op 27 december 1730 werd dit reglement door schout en gerechte van Raamsdonk bij besluit vastgesteld. Aan Simon van Son, schout en heer van Raamsdonk, werd verzocht zijn goedkeuring en toestemming te verlenen de oprichting van het gilde.[2] Deze boog zich nogmaals over het stuk en stelde vast dat het reglement "tot nutte en dienste van onse Ingezetenen" was en gelaste ieder, die het aanging zich te houden aan de gestelde regels. Met z'n handtekening en zegel bekrachtigde hij op 30 december 1730 het reglement.
Wat ertoe heeft geleid of wiens initiatief het is geweest het gilde op te richten is niet bekend. Het ligt voor de hand te veronderstellen, dat de voerlieden en ijsslederijders door middel van een gilde hun belangen wilden beschermen tegen ongewenste concurrentie van collega's van buiten Raamsdonk. Of waren het de Raamsdonkse dorpsbestuurders, die de los van elkaar opererende voerlieden en ijsslederijders in een gilde bijeen brachten? Een goed georganiseerd transportwezen bevorderde de mogelijkheden tot handel en verkeer in hun dorp.
De actieve Simon van Son zal dan zeer waarschijnlijk de drijvende kracht zijn geweest. Het realiseren van een dagelijkse beurtslededienst - zodra dat mogelijk was - op Dordrecht, kan bij de oprichting van het gilde eveneens een rol gespeeld hebben. Ook tijdens de winters, die in de 18e eeuw over het algemeen langdurig en streng waren, was er behoefte aan een regelmatige en zo kort mogelijke verbinding met deze stad en
van daaruit met steden in Holland. Mogelijk zag het dorpsbestuur in de oprichting van het gilde een kans het vervoer in noordelijke richting, dat normaal in goede handen was van beurtschippers, in de winter zoveel mogelijk te continueren.
Het reglement bevatte, naast de algemene artikelen, o.a. de organisatie, het bestuur en het tuchtrecht betreffende, ook die artikelen, die in verband stonden met het vervoer per slede. Het lijkt er op, dat er haast was en men het vervoer per slede in de winter van 1730-1731 geregeld wilde hebben.
Enige maanden later, 7 april 1731, stelden schout en gerechte van Raamsdonk d.m.v. een ampliatie een aanvulling op het reglement vast. Daarin werd het vervoer over land beter geregeld.
Tevens voegden zij daaraan toe een “Lyste van de gereguleerde Vragten te Land met een Huyfkar en Paard". Zowel het reglement van 1730 als de ampliatie daarop verschenen in de vorm van een aanplakbiljet.[3] Iedereen kon zich daardoor op de hoogte stellen van hetgeen m.b.t. het gilde was vastgesteld. Ter onderscheiding wordt in dit artikel gesproken van "het reglement" en "de ampliatie" daarop, tezamen het gildereglement vormend.
Hoewel het gemeentearchief van Raamsdonk meer gegevens bevat over het gilde, wilde ik me hier voornamelijk beperken tot de beide biljetten. Ze verschaffen interessante gegevens, waardoor we ons een beeld kunnen vormen van de werkwijze van een van de weinige gilden uit de Raamsdonkse geschiedenis.
Vooral in de steden zijn er op het gebied van het vervoer vele gilden vele actief geweest. Ze stonden bekend onder diverse namen, zoals: voermansgilde, gilde van de slepers, gilde van de voerlieden, gilde van de wagenaars of vrachtrijdersgilde. Al deze gilden hadden hun eigen uitgebreide en vaak gewijzigde keuren, ordonnanties of reglementen.Sommige van deze gilden waren van respectabele ouderdom en vaak al honderden jaren vóór het Raamsdonkse gilde actief. Geertruidenberg had het gilde van de wagen- en karlieden. Dit gilde werd in 1680, op initiatief van de voerlieden opgericht. Het reglement, zoals dat bij de oprichting van dit gilde werd opgesteld, is eveneens bewaard gebleven.[4] Opmerkelijk zijn de verschillen tussen het Raamsdonkse en het Bergse gildereglement.
Het gildebestuur en haar taak
Het bestuur van het Raamsdonkse voermans- en ijsslederijdersgilde werd gevormd door een opperdeken en twee dekens. De opperdeken werd uit het gerecht van Raamsdonk daartoe gecommitteerd. De beide dekens, ook wel hoofdlieden genoemd werden door schout en gerechte uit de gelederen der gildebroeders gekozen. Zowel de opperdeken als de twee dekens werden telkens voor de duur van twee jaar aangesteld. [5]. Het valt op, dat de dekens niet door de gildebroeders uit hun midden voorgedragen werden, iets wat gebruikelijk was bij vele gilden. Het toont echter de invloed , die het dorpsbestuur op het gilde uitoefende; een in de 18e eeuw overigens algemeen voorkomend verschijnsel. Het eerste gildebestuur werd begin januari 1731 beëdigd en bestond uit: opperdeken Pieter van Raemsdonck en de dekens Adam Somers en Huibert van Lottum. [6]
Het gildebestuur had de hulp van een gildeknecht. Deze werd eveneens door schout en gerechte aangesteld, maar was in tegenstelling tot de gildebroeders tot "wederzeggens" in dienst van het gilde.



Bron, Digitalisering en Wiki opmaak: Terry van Erp

- ↑ Terry van Erp - IJsslederijders zijn personen die vroeger met een ijsslede reden of goederen vervoerden over bevroren wateren, vaak verenigd in historische gilden. Het betrof een ambachtelijke of praktische manier van transport tijdens strenge winters in Nederland.
- ↑ Terry van Erp - Simon van Son (1691-1751) werd in 1710 aangesteld tot schout van Raamsdonk.
In 1724 werd de ambachtsheerlijkheid Raamsdonk door de Staten van Holland in leen uitgegeven aan Simon van Son. Deze was daarna tot z'n dood schout én heer van Raamsdonk, een ongebruikelijke combinatie. - ↑ Beide biljetten (±60 x 50 cm) werden te Dordrecht gedrukt door Joannes van Braam, "boekverkooper, ordinaris Stads Drukker, en van 't Klein Zegel en de Gedrukte Papieren".
Gemeente-Archief Raamsdonk, Inv. Bondam, tweede afdeling B nr. 18k. en B nr. 180. - ↑ Terry van Erp (Eigen archief) - C.J. Mollenberg."Onuitgegeven bronnen van de geschiedenis van Geertruidenberg" ('s-Hertogenbosch, 1899), p. 344-350.
- ↑ Terry van Erp - In artikel één van het reglement lezen we: “welke Opperdeeken en Deekens of Hooftluiden alle twee jaaren zullen veranderen". De praktijk was anders. Sommige lieden bleven jarenlang aaneengesloten gildebestuurder. Wél werden ze iedere twee jaar opnieuw als gildebestuurder beëdigd.
- ↑ G.A. Raamsdonk. Register Eedboek 1725-1810.
