Het Raamsdonkse gilde van voerlieden en ijsslederijders: verschil tussen versies
| Regel 35: | Regel 35: | ||
In het dagelijkse gildegebeuren oefende de gildeknecht een belangrijke taak uit. Hij trok aan de bel voor het bij elkaar roepen van de voerlieden, als er om ‘n vracht(beurt) [[gedobbeld]] moest worden, en hij bewaarde de [[dobbelstenen]], die daarbij nodig waren.<br> | In het dagelijkse gildegebeuren oefende de gildeknecht een belangrijke taak uit. Hij trok aan de bel voor het bij elkaar roepen van de voerlieden, als er om ‘n vracht(beurt) [[gedobbeld]] moest worden, en hij bewaarde de [[dobbelstenen]], die daarbij nodig waren.<br> | ||
Hij hield toezicht op de naleving van het gildereglement en brandde het [[wapen van Raamsdonk]] in de sleden van de gildebroeders. Het waarschuwen van de aan de beurt liggende voerlieden, zodra zich passagiers aanmeldden of vracht werd aangeboden, was eveneens z'n taak. De gehele dag moest hij dan ook ter beschikking van het gilde staan of ervoor zorgen dat er een plaatsvervanger aanwezig was. De gildeknecht was niet alléén de boodschappenjongen van het bestuur, zoals z'n naam zou doen vermoeden. Over de verdienste van de gildeknecht - het was niet noodzakelijk dat hij ook gildebroeder was - worden we in tegenstelling tot de verdiensten van de opperdeken en de beide dekens enigszins ingelicht. Het reglement vermeldt, dat hij van elke vracht, die in en vanuit vervoerd, twee [[stuiver]]s genoot. Voor het merken of branden van het wapen in de sleden ontving hij zes [[stuiver]]s per slee. De verdiensten als gildeknecht zullen niet royaal zijn geweest. Toch kon hij zijn inkomsten nog aanmerkelijk verhogen. Evenals de gildebestuurders, de schout en de andere heren van het gerecht had ook de gildeknecht, wanneer hij een overtreder van het gildereglement bekeurde, recht op 1/3 deel van de opgelegde boete. Dat kan voor hem een aansporing zijn geweest zeer oplettend te zijn. | Hij hield toezicht op de naleving van het gildereglement en brandde het [[wapen van Raamsdonk]] in de sleden van de gildebroeders. Het waarschuwen van de aan de beurt liggende voerlieden, zodra zich passagiers aanmeldden of vracht werd aangeboden, was eveneens z'n taak. De gehele dag moest hij dan ook ter beschikking van het gilde staan of ervoor zorgen dat er een plaatsvervanger aanwezig was. De gildeknecht was niet alléén de boodschappenjongen van het bestuur, zoals z'n naam zou doen vermoeden. Over de verdienste van de gildeknecht - het was niet noodzakelijk dat hij ook gildebroeder was - worden we in tegenstelling tot de verdiensten van de opperdeken en de beide dekens enigszins ingelicht. Het reglement vermeldt, dat hij van elke vracht, die in en vanuit vervoerd, twee [[stuiver]]s genoot. Voor het merken of branden van het wapen in de sleden ontving hij zes [[stuiver]]s per slee. De verdiensten als gildeknecht zullen niet royaal zijn geweest. Toch kon hij zijn inkomsten nog aanmerkelijk verhogen. Evenals de gildebestuurders, de schout en de andere heren van het gerecht had ook de gildeknecht, wanneer hij een overtreder van het gildereglement bekeurde, recht op 1/3 deel van de opgelegde boete. Dat kan voor hem een aansporing zijn geweest zeer oplettend te zijn. | ||
[[Bestand:smakbak-Raamsdonk-01.jpg|thumb|De [[smakbak]] te [[Raamsdonk]]]] | |||
Versie van 1 aug 2026 19:40

Bijna vanzelfsprekend hielden sommige inwoners van een dorp, waarvan een groot gedeelte der bewoners in het boerenbedrijf werkzaam was, zich bezig met het vervoer over land en ijs.
Alles wat nodig was om te kunnen vervoeren, de paarden, de karren en wagens, de sleden en, niet te vergeten, de vakkennis van de voerlieden was immers al aanwezig. Menige boer zal z'n materiaal zelfs graag voor transportdoeleinden hebben ingezet, als er op de boerderij minder werk voorhanden was. Hij kon daardoor iets extra's verdienen en dat was niet alleen welkom maar soms ook broodnodig. In de ambachtsheerlijkheid Raamsdonk kunnen we ons in de 18e eeuw een dergelijke situatie voorstellen. In het buurtschap "het Veer", gunstig gelegen aan goed vaarwater, ontwikkelden zich activiteiten op het gebied van de handel en de verwerking van landbouwproducten en watergewassen. Er kwam meer en meer behoefte aan transportmogelijkheden, zowel over water als over land. Wellicht zullen, na verloop van tijd, enige inwoners van Raamsdonk als voerman en ijsslederijder gevestigd hebben.
In 1730 werd een gilde opgericht, dat zich bezig hield met het vervoer van passagiers en vracht over land en ijs. In dat gilde werden de Raamsdonkse voerlieden en ijsslederijders[1] verenigd en werd het vervoer in en vanuit de ambachtsheerlijkheid Raamsdonk aan regels gebonden.
Er werd een reglement opgesteld:
"waar na alle ofteende yegelyke Voerlieden, die met Wagens, Karren, Chaisen, ofte andere Rytuigen, mitsgaders alle die des Winters met Yssleeden ter Vragte, met Personen of Goederen, zouden genegen zijn te Ryden, mitsgaders alle ende Passagiers, zich zullen hebben te reguleren".
Op 27 december 1730 werd dit reglement door schout en gerechte van Raamsdonk bij besluit vastgesteld. Aan Simon van Son, schout en heer van Raamsdonk, werd verzocht zijn goedkeuring en toestemming te verlenen de oprichting van het gilde.[2] Deze boog zich nogmaals over het stuk en stelde vast dat het reglement "tot nutte en dienste van onse Ingezetenen" was en gelaste ieder, die het aanging zich te houden aan de gestelde regels. Met z'n handtekening en zegel bekrachtigde hij op 30 december 1730 het reglement.
Wat ertoe heeft geleid of wiens initiatief het is geweest het gilde op te richten is niet bekend. Het ligt voor de hand te veronderstellen, dat de voerlieden en ijsslederijders door middel van een gilde hun belangen wilden beschermen tegen ongewenste concurrentie van collega's van buiten Raamsdonk. Of waren het de Raamsdonkse dorpsbestuurders, die de los van elkaar opererende voerlieden en ijsslederijders in een gilde bijeen brachten? Een goed georganiseerd transportwezen bevorderde de mogelijkheden tot handel en verkeer in hun dorp.
De actieve Simon van Son zal dan zeer waarschijnlijk de drijvende kracht zijn geweest. Het realiseren van een dagelijkse beurtslededienst - zodra dat mogelijk was - op Dordrecht, kan bij de oprichting van het gilde eveneens een rol gespeeld hebben. Ook tijdens de winters, die in de 18e eeuw over het algemeen langdurig en streng waren, was er behoefte aan een regelmatige en zo kort mogelijke verbinding met deze stad en
van daaruit met steden in Holland. Mogelijk zag het dorpsbestuur in de oprichting van het gilde een kans het vervoer in noordelijke richting, dat normaal in goede handen was van beurtschippers, in de winter zoveel mogelijk te continueren.
Het reglement bevatte, naast de algemene artikelen, o.a. de organisatie, het bestuur en het tuchtrecht betreffende, ook die artikelen, die in verband stonden met het vervoer per slede. Het lijkt er op, dat er haast was en men het vervoer per slede in de winter van 1730-1731 geregeld wilde hebben.
Enige maanden later, 7 april 1731, stelden schout en gerechte van Raamsdonk d.m.v. een ampliatie een aanvulling op het reglement vast. Daarin werd het vervoer over land beter geregeld.
Tevens voegden zij daaraan toe een “Lyste van de gereguleerde Vragten te Land met een Huyfkar en Paard". Zowel het reglement van 1730 als de ampliatie daarop verschenen in de vorm van een aanplakbiljet.[3] Iedereen kon zich daardoor op de hoogte stellen van hetgeen m.b.t. het gilde was vastgesteld. Ter onderscheiding wordt in dit artikel gesproken van "het reglement" en "de ampliatie" daarop, tezamen het gildereglement vormend.
Hoewel het gemeentearchief van Raamsdonk meer gegevens bevat over het gilde, wilde ik me hier voornamelijk beperken tot de beide biljetten. Ze verschaffen interessante gegevens, waardoor we ons een beeld kunnen vormen van de werkwijze van een van de weinige gilden uit de Raamsdonkse geschiedenis.
Vooral in de steden zijn er op het gebied van het vervoer vele gilden vele actief geweest. Ze stonden bekend onder diverse namen, zoals: voermansgilde, gilde van de slepers, gilde van de voerlieden, gilde van de wagenaars of vrachtrijdersgilde. Al deze gilden hadden hun eigen uitgebreide en vaak gewijzigde keuren, ordonnanties of reglementen.Sommige van deze gilden waren van respectabele ouderdom en vaak al honderden jaren vóór het Raamsdonkse gilde actief. Geertruidenberg had het gilde van de wagen- en karlieden. Dit gilde werd in 1680, op initiatief van de voerlieden opgericht. Het reglement, zoals dat bij de oprichting van dit gilde werd opgesteld, is eveneens bewaard gebleven.[4] Opmerkelijk zijn de verschillen tussen het Raamsdonkse en het Bergse gildereglement.
Het gildebestuur en haar taak
Het bestuur van het Raamsdonkse voermans- en ijsslederijdersgilde werd gevormd door een opperdeken en twee dekens. De opperdeken werd uit het gerecht van Raamsdonk daartoe gecommitteerd. De beide dekens, ook wel hoofdlieden genoemd werden door schout en gerechte uit de gelederen der gildebroeders gekozen. Zowel de opperdeken als de twee dekens werden telkens voor de duur van twee jaar aangesteld. [5]. Het valt op, dat de dekens niet door de gildebroeders uit hun midden voorgedragen werden, iets wat gebruikelijk was bij vele gilden. Het toont echter de invloed , die het dorpsbestuur op het gilde uitoefende; een in de 18e eeuw overigens algemeen voorkomend verschijnsel. Het eerste gildebestuur werd begin januari 1731 beëdigd en bestond uit: opperdeken Pieter van Raemsdonck en de dekens Adam Somers en Huibert van Lottum. [6]
Het gildebestuur had de hulp van een gildeknecht. Deze werd eveneens door schout en gerechte aangesteld, maar was in tegenstelling tot de gildebroeders tot "wederzeggens" in dienst van het gilde.
Een van de belangrijkste taken van het gildebestuur en de gildeknecht was het toezicht op de stipte naleving van het gildereglement. Zij waren verplicht de overtreders van het gildereglement te bekeuren, hun de vastgestelde boete en eventueel bijkomende straf op te leggen en erop toe te zien dat aan de opgelegde boete en/of straf werd voldaan. Aan het Raamsdonkse gerecht waren zij in deze verantwoording schuldig. Nalatigheid of verzuim kon leiden tot een terechtwijzing, 'n tijdelijke schorsing of zelfs ontslag als gildebestuurder of gildeknecht.
Ook de schout en de andere leden van het Raamsdonkse gerecht hielden toezicht op de naleving van de gilderegels en mochten overtreders bekeuren. Mocht er tussen een van hen en een door hen geverbaliseerde verschil van mening ontstaan over de toepassing van het gildereglement, dan besliste in eerste instantie het gildebestuur in de kwestie. Het gildebestuur oordeelde in alle gevallen, dat er verschil van mening was, zowel tussen de gildebroeders onderling als tussen hen en inwoners van Raamsdonk, vreemdelingen , bevrachters of passagiers. Voelde iemand zich door een uitspraak van het gildebestuur benadeeld en wilde hij een beslissing van dit bestuur ongedaan maken,
dan kon hij een beroep doen op schout en gerechte. Deze nam de klacht pas in behandeling als de eventueel opgelegde boete was betaald en besliste in de zaak naar hun goeddunken.
Het innen van geldboeten behoorde tot de taak van de opperdeken, die daarvan en van alle andere inkomsten van het gilde, administratie moest houden. Van elke opgelegde boete was 1/3 deel bestemd voor de bekeurder, 1/3 deel werd gestort in de gildekas en 1/3 deel kwam ten goede aan de Armen van Raamsdonk.
Het reglement noch de ampliatie[7] daarop vermeldden waarvoor het geld uit de gildekas moest worden aangewend. Gebruikelijk was een deel daarvan te bestemmen of te reserveren voor zieke, gebrekkige of bejaarde gildebroeders. Ook weduwen en jonge kinderen van overleden gildebroeders werden uit de gildekas ondersteund. Van enige sociale betrokkenheid, gilden vaak eigen, staat noch in het reglement noch in de ampliatie iets vermeld.
Alleen de armen mochten rekenen op ondersteuning, maar het animo dit d.m.v. het betalen van een boete te doen, zal niet bijster groot zijn geweest.Het beheren van het gildeboek of register behoorde eveneens tot de taak van de opperdeken. In het gildeboek stonden het reglement en de ampliaties daarop geschreven. Ook noteerde de opperdeken daarin de namen van de (nieuwe) gildebroeders. Het gildeboek, de administratie, het archief en de bezittingen van een gilde werden door de opperdeken meestal bewaard in een gildekist. Van veel gilden zijn de bescheiden verloren gegaan, het Raamsdonkse gilde vormt hierop geen uitzondering. Waarschijnlijk is er van het gilde niets bewaard gebleven.
Natuurlijk voorzagen het reglement en de eventuele ampliaties daarop niet in alles. Het was dan ook de taak van het bestuur misbruiken en al wat strijdig was met de intentie van het gildereglement te signaleren en ter kennis van het gerecht te brengen. Zo ook moesten zij alles, dat kon leiden tot verbetering zowel ten gunste van de gildebroeders als van hun passagiers of bevrachters, rapporteren aan het gerecht. Door de inbreng van het gildebestuur konden schout en gerechte het gildereglement aanpassen en verbeteren, hetgeen moest leiden tot een zo optimaal mogelijk functioneren van het gilde. In de voorname taal van de ampliatie werd het aldus geformuleerd:
"Reserverende Schout en Gerechte verder aan haar de interpretatie van alle duisterheden en verschillen die bij den Opperdeeken ende de Dekenen niet sullen konnen getermineert worden als mede de Magt en Faculteit omme dese Ampliatie verder ten alle tijden nog soodanig te altereren/ en amplieren ofte corrigeren als hun goeddunken zal".
De gildeknecht en z'n taak
In het dagelijkse gildegebeuren oefende de gildeknecht een belangrijke taak uit. Hij trok aan de bel voor het bij elkaar roepen van de voerlieden, als er om ‘n vracht(beurt) gedobbeld moest worden, en hij bewaarde de dobbelstenen, die daarbij nodig waren.
Hij hield toezicht op de naleving van het gildereglement en brandde het wapen van Raamsdonk in de sleden van de gildebroeders. Het waarschuwen van de aan de beurt liggende voerlieden, zodra zich passagiers aanmeldden of vracht werd aangeboden, was eveneens z'n taak. De gehele dag moest hij dan ook ter beschikking van het gilde staan of ervoor zorgen dat er een plaatsvervanger aanwezig was. De gildeknecht was niet alléén de boodschappenjongen van het bestuur, zoals z'n naam zou doen vermoeden. Over de verdienste van de gildeknecht - het was niet noodzakelijk dat hij ook gildebroeder was - worden we in tegenstelling tot de verdiensten van de opperdeken en de beide dekens enigszins ingelicht. Het reglement vermeldt, dat hij van elke vracht, die in en vanuit vervoerd, twee stuivers genoot. Voor het merken of branden van het wapen in de sleden ontving hij zes stuivers per slee. De verdiensten als gildeknecht zullen niet royaal zijn geweest. Toch kon hij zijn inkomsten nog aanmerkelijk verhogen. Evenals de gildebestuurders, de schout en de andere heren van het gerecht had ook de gildeknecht, wanneer hij een overtreder van het gildereglement bekeurde, recht op 1/3 deel van de opgelegde boete. Dat kan voor hem een aansporing zijn geweest zeer oplettend te zijn.




Bron, Digitalisering en Wiki opmaak: Terry van Erp

- ↑ Terry van Erp - IJsslederijders zijn personen die vroeger met een ijsslede reden of goederen vervoerden over bevroren wateren, vaak verenigd in historische gilden. Het betrof een ambachtelijke of praktische manier van transport tijdens strenge winters in Nederland.
- ↑ Terry van Erp - Simon van Son (1691-1751) werd in 1710 aangesteld tot schout van Raamsdonk.
In 1724 werd de ambachtsheerlijkheid Raamsdonk door de Staten van Holland in leen uitgegeven aan Simon van Son. Deze was daarna tot z'n dood schout én heer van Raamsdonk, een ongebruikelijke combinatie. - ↑ Beide biljetten (±60 x 50 cm) werden te Dordrecht gedrukt door Joannes van Braam, "boekverkooper, ordinaris Stads Drukker, en van 't Klein Zegel en de Gedrukte Papieren".
Gemeente-Archief Raamsdonk, Inv. Bondam, tweede afdeling B nr. 18k. en B nr. 180. - ↑ Terry van Erp (Eigen archief) - C.J. Mollenberg."Onuitgegeven bronnen van de geschiedenis van Geertruidenberg" ('s-Hertogenbosch, 1899), p. 344-350.
- ↑ Terry van Erp - In artikel één van het reglement lezen we: “welke Opperdeeken en Deekens of Hooftluiden alle twee jaaren zullen veranderen". De praktijk was anders. Sommige lieden bleven jarenlang aaneengesloten gildebestuurder. Wél werden ze iedere twee jaar opnieuw als gildebestuurder beëdigd.
- ↑ G.A. Raamsdonk. Register Eedboek 1725-1810.
- ↑ Terry van Erp - Vroeger werd een ampliatie gebruikt als een aanvullend besluit of wet waarmee de overheid een eerdere regel versterkte of veranderde. Vaak als plakkaat of in een krant gepubliceerd.
