Cultuurhistorie van de Biesbosch: verschil tussen versies
| Regel 78: | Regel 78: | ||
Maar liefst 1213 ha riet, griend en gorzen viel onder hun beheer. De hele riviervisserij, met een oppervlak van 910 bunder 51 roede en 50 el viel onder het beheer van het Domein van het Amorisatiesyndicaat dat in 1822 was opgericht om hoofdzakelijk oorlogsmateriaal aan te kunnen schaffen. Later werd het ook gebruikt om oorlogsinvaliden te voorzien van een klein pensioen. De situatie anno vandaag de dag is nog niet veel veranderd. Het grootste gedeelte van de [[Biesbosch]] is nog steeds in handen van de overheid verdeeld over diverse ministeries. | Maar liefst 1213 ha riet, griend en gorzen viel onder hun beheer. De hele riviervisserij, met een oppervlak van 910 bunder 51 roede en 50 el viel onder het beheer van het Domein van het Amorisatiesyndicaat dat in 1822 was opgericht om hoofdzakelijk oorlogsmateriaal aan te kunnen schaffen. Later werd het ook gebruikt om oorlogsinvaliden te voorzien van een klein pensioen. De situatie anno vandaag de dag is nog niet veel veranderd. Het grootste gedeelte van de [[Biesbosch]] is nog steeds in handen van de overheid verdeeld over diverse ministeries. | ||
==== Topografie ==== | ==== Topografie ==== | ||
De Krakeelswaard, het Heijmansgaatje, het gat van het Steenen Huisje, Dooiemanswaard, de Jodenpolder, de Bloedakker, de Doodsweren, het Gat van de Toren van Dordrecht. Namen die tot de verbeelding spreken van iedereen. Namen met een geschiedenis die niet altijd duidelijk is. De naam [[Keizersguldenwaard]] zou zijn ontstaan omdat hij Keizer [[Napoleon Bonaparte]] nog geen [[gulden]] waard was en hij hem voor zijn gevoel met winst verkocht voor 1 [[gulden]]. Een fabeltje, zou je zo in een eerste reactie zeggen. De polder [[Keizersguldenwaard]] komt al heel vroeg voor. Waarschijnlijk staat hij zelfs al op de kaart van [[Jacob Sluijter|Jacob]] en [[Pieter Sluijter]], maar dan nog zonder naam. Toch betekent in het oud Nederland het woord Guldenwert "een waarde hebbende van één gulden in de handel". De keizer zou dan [[Karel V]] zijn geweest. De | De Krakeelswaard, het Heijmansgaatje, het gat van het Steenen Huisje, Dooiemanswaard, de Jodenpolder, de Bloedakker, de Doodsweren, het Gat van de Toren van Dordrecht. Namen die tot de verbeelding spreken van iedereen. Namen met een geschiedenis die niet altijd duidelijk is. De naam [[Keizersguldenwaard]] zou zijn ontstaan omdat hij Keizer [[Napoleon Bonaparte]] nog geen [[gulden]] waard was en hij hem voor zijn gevoel met winst verkocht voor 1 [[gulden]]. Een fabeltje, zou je zo in een eerste reactie zeggen. De polder [[Keizersguldenwaard]] komt al heel vroeg voor. Waarschijnlijk staat hij zelfs al op de kaart van [[Jacob Sluijter|Jacob]] en [[Pieter Sluijter]], maar dan nog zonder naam. Toch betekent in het oud Nederland het woord Guldenwert "een waarde hebbende van één gulden in de handel". De keizer zou dan [[Karel V]] zijn geweest. De mogelijkheid dat er dan een grond van waarheid in het verhaal zit is al meer aanwezig. Zo was er in de 17<sup>e</sup> eeuw ook een polder die de Craceelswaard genoemd werd. Waarschijnlijk een polder waar veel om te doen was geweest in de vorm van een twist. Het wordt spannend als de naam verdwijnt en vervolgens in de loop van de geschiedenis de "Dooiemanswaard" genoemd gaat worden. Zou er echt een dode zijn gevallen in de twist rond de Craceelswaard? | ||
Een nieuwere naam is die van de Bloedakker. Dit was een hele lange smalle griend, waarin de mannen ver moesten lopen. Zo ver dat zij soms met het bloed in de [[klompen]] liepen. Een griend waar niemand graag naar toeging. | |||
De meeste namen in de Biesbosch zijn te herleiden tot bloemen, planten, namen van mannen en vrouwen, al dan niet verbasterd, zoals bijvoorbeeld de Driessenhennip (de hennip van Andries Visser) of de tijd van de visserij met zijn steken. De namen zijn vrijwel allemaal van vroege oorsprong. Zodra een plaat droog viel en verpacht werd moest men er een naam aan verbinden om de percelen te kunnen identificeren. Heel vaak komt dan ook de naam van de eerste pachter hierbij om de hoek kijken zoals bijvoorbeeld bij de Thomaswaard, waarvan de oudste bekende pachter een Thomas Thomaszn was. Voor 1832 blijft het toch een beetje gokken over welk stuk land men het heeft bij verpachting of verkoop. Na 1832 werd het kadaster ingesteld en werd naast de perceelsnaam ook een kadasternummer genoemd in de officiële stukken. Dat maakt het zoeken en identificeren een stuk makkelijker. | |||
==== Namen in de Biesbosch uit de visserijtijd ==== | |||
Door: P.J.M. Martens (effe lustere dec. 2000) bewerkt. | |||
In de [[Biesbosch]] stonden grote zalmsteken die waren onderverdeeld in percelen. Zo'n steek bestond uit een lange rij palen met een wilgentenen vlechtwerk ertussen, waaraan aan weerskanten fuiken stonden. Die steken hadden permanente plaatsen. Beëdigde meters controleerden jaarlijks of daar niets in was veranderd en ook op die manier ontstonden vaste plekken, soms alleen met een perceelsnummer, maar vaak ook met een naam. Veel ervan zijn nu nog steeds in de [[Biesbosch]] terug te vinden. | |||
Het zijn natuurlijk niet alleen perceelsnamen die zijn blijven hangen. Veel stukjes [[Biesbosch]] zijn rechtstreeks naar vis genoemd. Het [[Steurgat]] is daar een voorbeeld van, maar ook de polders de Zalm (de Kroon en de Zalm) en de Kleine Zalm. Onder het huidige spaarbekken de Honderddertig lag vroeger het gat van de Elft; een gedeelte van de voor het spaarbekken afgegraven polder daar, heette ook de Elft. Ook de Spieringpolder, de Spieringsluis en de Palingsloot zijn namen die rechtstreeks naar vis verwijzen. Dat is ook het geval bij het Gat van de Hengst in de Sliedrechtse Biesbosch. | |||
Een hengst is een uitgepaaide zalm. Hengsten waren mager en brachten weinig op. (Vergelijk het begrip ‘ijle’ -iele- haring.)<br> | |||
Er zijn ook een heleboel namen waarbij de herkomst uit de visserij minder voor de hand ligt: de Alloijzenpolder op het eiland van Dordrecht is daar een voorbeeld van. Ongeveer op die plaats lag in de zestiende en zeventiende eeuw een grote zalmsteek die de Steek van Aleuyssen werd genoemd (op spelling werd vroeger niet echt gelet). Op de plaats waar nu (ongeveer) de Dordtse Biesbosch ligt, lagen vroeger een paar zandplaten die de Noorderspringer en de Middenspringer werden genoemd. Ze ontleenden hun naam aan een oude steek, die op zestiende eeuwse kaarten voorkomt als de 'Steek genaamt den Springer'. | |||
Het [[Gat van de Bakens]] herinnert aan de [[bolbakens]] die in de visserijtijd waren geplaatst, daar waar ooit de bedding van [[de Maas]] had gelopen, die de grens vormde tussen het gebied van de Graven van Nassau en de Grafelijkheid van Holland (het zuidelijke en het noordelijke deel). Onder de naam [[Jannezand]] is jarenlang een perceel verpacht voor zogenaamde kant-of kleine visserij. Het ging daarbij dan niet om een zalmsteek maar om visserij vanaf de wal, meestal met schutwant of met lijnen.<br> | |||
Veel namen zoals die nu nog voortleven in de [[Biesbosch]] komen van visserijpercelen zoals die er gelegen hebben in de tijd van 1560 tot aan het einde van de achttiende eeuw (1777 is het laatste jaar dat de rentmeester de percelen met naam en toenaam in zijn rekeningen vermeld) Al die tijd hadden de steken en dus ook de percelen, vaste plaatsen.<br> | |||
Vóór 1560 was dat anders, toen wisselden plaatsen en namen regelmatig.<br> | |||
De percelen waren delen van steken. De steken zelf hadden verschillende lengtes. Voor de percelen gold dat niet, die waren op enkele uitzonderingen na bijna allemaal even groot: 100 roeden lang (d.i. ca 375 meter). | |||
Aan de hand van de perceels- en steeknamen is eenvoudig te zien hoeveel namen er nu nog voortleven. Sommige zijn inmiddels ook weer verdwenen, maar zijn dikwijls op oude kaarten nog terug te vinden. | |||
Op een kaart uit 1842 komen bijvoorbeeld het Gat van de Puttesteek en het Gat van de Vogelaer nog voor (Jan Puttesteek en Vogelaersteek). Om in het gebied van de Dordtse Biesbosch te blijven: Tongplaat komt van de Tongsteek. De namen van de waterlopen Middenels en Noorderels hangen vermoedelijk samen met de naam van de Elststeek die daar gelegen heeft. | |||
De Haeftensteek heeft vermoedelijk zijn naam gegeven aan de platen Hooge Hof en Lage Hof die daar vroeger lagen (de naam Hoge Hof komt als polder nog voor). | |||
Het Gat van de Vissen is genoemd naar de Vissensteek en de [[Langeplaat]] ontleent haar naam aan de Langesteek.<br> | |||
Het meest noordelijke perceel van de Langesteek heette de Slegh, het [[Gat van de Slek]] verwijst daar nog naar. De Langesteek (die zijn naam overigens eer aan deed) had vanaf het zuiden gezien op ongeveer eenderde van zijn lengte een duidelijke knik. Net ten noorden daarvan lag een perceel dat wat langer was dan de gebruikelijke honderd roeden, namelijk 130 roeden (d.i. ruim 480 in plaats van ongeveer 375 meter). Het was ook een goed (en dus zeer bekend) perceel, want het bracht jarenlang een heel behoorlijke pacht op. Het Gat van de Honderddertig heet er naar. Er lag vroeger ook een zandplaat van die naam, later omgevormd tot polder en weer later tot het huidige spaarbekken Honderddertig. Er wordt wel eens beweerd dat de naam zou komen van 130 botsteken die daar gestaan zouden hebben, maar dat is onjuist.<br>Botsteken hebben nooit bestaan. | |||
De steek Kerckensloot heeft met het [[Gat van de Kerksloot]] te maken. Het tweede perceel (vanuit het zuiden gezien) van deze steek heette 'Luysen en vlooien', de naam Gat van de Vlo(o)eien is daaraan ontleend. | |||
De volgende steek in oostelijke richting heet de Joachim Broekhovens Geyster. Het meest zuidelijke perceel ervan heet Plomp (Gat van de Plomp en andere namen met Plomp komen daar vandaan). Het perceel boven de Plomp stond bekend als Seykgat. Op wat oudere waterkaarten heet het water dat van het [[Noordergat van de Plomp]] (bij het strandje) onder de Toontjesplaat door richting Hofmansplaat loopt nog Zijkgat. | |||
Waarschijnlijk vonden ze dat bij de ANWB niet zo netjes, want op de | |||
tegenwoordige waterkaarten komt die naam niet meer voor. | |||
De naam van de steek zelf, de Gijster, vinden we nog terug in het grote | |||
spaarbekken. De naam zelf kwam ook vroeger veel voor: Diepe Gijster, | |||
Broekhovens Gijster en op de Steek van Hoekenisse lag ook een perceel dat | |||
kortweg Gijster heette. | |||
Waar de term Gijster vandaan komt, of wat hij zou moeten betekenen is mij | |||
helaas niet bekend. Vissers noemden in vroeger eeuwen een perceel dat als | |||
zeer slecht bekend stond een 'Geysterbak'. Hoogst waarschijnlijk zullen deze | |||
perceelsnamen daar wel mee samenhangen, maar de betekenis blijft | |||
onduidelijk.<ref>1</ref> | |||
Aan de percelen van de Steek van Hoekenisse kunnen we zien dat ook de | |||
namen met Turfzak (vroeger de plaat, later de polder die zo heette en | |||
natuurlijk het Gat van de Turfzak) uit de visserijtijd stammen. Dat geldt ook | |||
voor het poldertje Kindem, net ten zuiden van het spaarbekken de Gijster) | |||
dat is genoemd naar het meest zuidelijke perceel van deze steek. | |||
Wie oude kaarten bestudeert zal vermoedelijk nog wel op meer namen stuiten die samenhangen met de visserij. | |||
Er heeft in het gebied vroeger een klooster gestaan, Heijsterbach. In de ontwikkeling van woorden gebeurt het vaker dat de G en de H wisselen; of er van enige samenhang sprake is blijft onbekend. | |||
<br>'''Literatuur:''' | |||
*H. den Tuinder, de namengalerij van de Biesbosch P.J. Jozee e.a., Perceelsbenaming in de Biesbosch H. den Tuinder, Gedenkboek | |||
=== Gebruikers van de Biesbosch === | |||
==== Vissers ==== | |||
Dr. P.J.M. Martens, Zalmvisserij in de Biesbosch (Effe Lustere, december 2000) bewerkt.<br>In [[Dordrecht]], maar vooral ook in [[Geertruidenberg]] was al sprake van een omvangrijke handel in zoetwater- en zeevis voordat de [[St. Elisabethsvloed]] het gebied waar nu de [[Biesbosch]] ligt onder water zette. De handel vanuit Geertruidenberg richtte zich al sedert de middeleeuwen op | |||
Zuid-Brabantse en Vlaamse steden: Antwerpen, Mechelen, Brussel, Leuven, Gent. Met de stad Leuven werden in de veertiende eeuw zelfs overeenkomsten gesloten voor het leveren van vis tijdens de vastenperiode.<br> | |||
Goede Christenen aten dan geen vlees. | |||
De eerste groep mensen die weer brood in de ondergelopen waard zagen, waren de vissers. | |||
De meeste overstromingen en in ieder geval de [[St. Elisabethsvloed]] zelf, vonden in het najaar plaats. Als het ijs na de winter weg was, stond dat water er nog. Een paar fuiken en wat schutwant zijn dan snel geplaatst. | |||
De visserij in de Biesbosch gold als "binnenvisserij". Een begrip dat nu als logisch wordt beschouwd. Maar de grens tussen binnenvisserij en kustvisserij lag wel heel dicht bij. | |||
Nog volgens de visserijwet uit 1908 lag de grens op de as van de spoorwegbrug aan de [[Moerdijk]]. Ten westen hiervan, dus het [[Hollands Diep]], werd nog beschouwd als kustwater en het gebied ten oosten, het hele gebied van de [[Biesbosch]] was dus binnenvisserij. De "binnenvissers" maakten zelf nog een belangrijk onderscheid. Riviervissers zijn zij die zich gedurende het hele jaar rond bezig hielden met visserij op de grote rivieren, waar zij voornamelijk jacht maakten op trekvis. De binnenvissers waren de vissers die het stilstaande water beviste en als hoofdberoep vaak iets anders hadden zoals herbergier, boer of arbeider. | |||
De streek was vooral bekend vanwege de vangst van steur, zalm en elft. Op de rivier werden veel prikken gevangen. Deze haalden de vissers niet uit het water, maar lieten ze in hun netten achter de boten zitten. Zo werden die netten met levende prikken naar Vlaardingen gesleept, waar veel zeevissers waren. Deze zeevissers kochten de prikken van de Werkendammers en namen ze in grote tonnen mee naar zee. Als de zeevissers op kabeljauw wilden vissen, hadden ze altijd een paar jongetjes aan boord. Deze werden prikkenbijters genoemd. Als de visser dan dacht dat ze in de buurt van een school kabeljauw waren, wilde hij ze lokken. De jongetjes moesten dan die levende prikken pakken, in hun mond stoppen, en achter hun kop doorbijten.<br> | |||
Dan werden ze op een rij aan haken geslagen en over boord gegooid. Als ze dat een tijdje gedaan hadden, kregen ze een hele vieze smaak in hun mond.<br> | |||
Om die vieze smaak te verdrijven, kregen de jongens een vijg. | |||
Over die visserijactiviteiten in de eerste jaren is overigens niet zo veel bekend. Nog lang zijn er plannen geweest om de dijken rond het gebied te herstellen. Het heeft bijna honderd jaar geduurd voordat men er zich bij neerlegde dat de schade onherstelbaar was en dat er onderhand eens iets moest worden geregeld met betrekking tot de visrechten op het gebied. Dat gebeurde in 1516. | |||
{{clr}} | {{clr}} | ||
<br><br> | <br><br> | ||
Versie van 4 aug 2026 17:55
Ontstaan Biesbosch

We kennen allemaal het verhaal omtrent het ontstaan van de Biesbosch. Er zijn de zogenaamde legendes die u allemaal al wel eens gehoord zult hebben, zoals over het kind Beatrijs dat in een biezenmandje, samen met een kat die de mand voortdurend in evenwicht wist te houden, voortgestuwd werd door de golven en bij de muren van Dordrecht aankwam en gered werd. Ook het verhaal van de 72 verdronken dorpen en de 100.000 mensen die omgekomen zouden zijn in de golven is een dergelijke legende.
Laten we eens een paar zaken gaan ontrafelen.
Groote Waard
De Groote Waard was de naam voor twee verschillende begrippen die vaak door elkaar gehaald worden.
- Polder “Groote Waard”: Bij Geertruidenberg lagen de twee polders “de Venen beneden den Bergh” en “de Venen boven den Bergh” die samen de polder “Groote Waard” vormden. Deze polders werden door de rivier de Donge gescheiden. De noordgrens van deze beide polders werd gevormd door de Oude Maas.
-
- Hoogheemraadschap "de Groote Waard": een grote bestuurseenheid voor waterbeheer.
Het hoogheemraadschap omvatte een aantal polders met hun eigen dijken en eigen dijkgraven en heemraden, waaronder het Land van Putten en Strijen in het westen, de Tiesselenswaard in het noordwesten, de Dordtse waard in het noorden met o.a.
Dordrecht, Sliedrecht en Werkendam en de polder Groote Waard. Deze polders waren allemaal op zich zelf staande gebieden binnen Holland. Zo was de Land van Heusden in 1296 nog leengoed van de Graaf van Kleef en kwam in 1357 naar de Graaf van Holland.
De Tiesselenswaard had, net zo als de Groote Waard, in 1282 als Heer Floris V, Graaf van Holland. De heerlijkheden Putten en Strijen hadden ook hun eigen bestuur. De vorming van het Hoogheemraadschap en de inpoldering van dit gebied gebeurde tussen 1203-1222 door Graaf Willem I van Holland die zich erg interesseerde voor waterstaatszaken. Dit hele gebied werd door een buitendijk omgeven en stond onder het toezicht van het Hoogheemraadschap "De Groote Waard". Het was de Graaf van Holland die de dijkgraaf aanstelde van dit Hoogheemraadschap. De Dijkgraaf moest zijn rekening van inkomsten en uitgaven doen bij de tresorier (penningmeester)
van de graaf en aan de Grafelijke raad, zijnde het hoogste rechtscollege.
De Groote of Zuidhollandse Waard voor 1421.
- Ondergang Groote Waard
(zie bijlage bij 6) Om tot de bloei te komen die men aan het Hoogheemraadschap “Groote Waard” toeschrijft, moet het gedurende een lange periode betrekkelijk rustig geweest zijn, gevrijwaard van oorlogen en overstromingen. In de periode na 1375 ging het verkeerd.
Alleen al in de eerste 20 jaren van de 15e eeuw waren er al vier grote dijkdoorbraken geweest. Inmiddels was men al lang in de Hoekse en Kabeljauwse twisten verwikkeld geraakt en de mannen hadden hun hoofd meer bij de oorlogvoering dan bij de bescherming van land en volk. De dijken raakten dan ook langzaam maar zeker in verval en dijkdoorbraken bleven niet uit. Een andere bedreiging voor de dijken werd gevormd door de hebberigheid van de mens naar het witte goud uit die tijd, namelijk het zout.
Zoals al blijkt uit de namen van de polder rond Geertruidenberg, “De Venen”, bestond de grond in het zuidwesten van het gebied uit veen. Veen werd vroeger afgegraven voor brandstof, turfwinning. In deze omgeving was het zoutgehalte heel hoog in de turf en zout was een heel kostbaar product in die tijd. Het was één van de weinige manieren om vlees en groenten langer houdbaar te maken. Dordrecht was een belangrijk centrum in de zouthandel.
Dit vormde een belangrijke bedreiging. Zout werd gewonnen uit en nabij de rond de polders aangelegde dijken. Natuurlijk werd ook in die tijd wel onderkend dat het "moeren", zoals het zout delven werd genoemd, niet bevorderlijk was voor de sterkte van de dijken. Er werd in 1375 een verbod uitgevaardigd om binnen een afstand van 4 mijlen (4 x 1600 meter) van de dijk te moeren, maar het kwaad was eigenlijk al geschied en de zucht naar geld te groot. Het zou nog tot 1477 duren voor Maria van Bourgondië het moeren werkelijk verbood. Voor de “Groote Waard” was dat mosterd na de maaltijd. Een zware storm en vloedgolf hadden op St. Elizabethsdag 1421 de waard al van de kaart geveegd. De Biesbosch was bijna geboren.
De gevolgen
De gevolgen van de stormvloed waren enorm. Niet alleen voor dit gebied zoals wel eens gedacht wordt. Het ernstigste werd Zeeland getroffen - met name de Beverlanden, Tholen en Schouwen. Maar ook Voorne en Putten, het IJgebied bij Amsterdam, de Zaanstreek en Waterland leden een enorme schade. Het dorp Petten verdween deels in de golven net zo als Enkhuizen.
In Tiel stormden de daken van de huizen. De ravage was compleet en de ontreddering langs de hele Noordzeekust groot. Het was dus niet alleen deze streek waar zorg en aandacht naar uit moest gaan. Als je je realiseert dat men met de mogelijkheden van vervoer, transport en communicatie uit de 20ste eeuw 10 maanden nodig had om de 67 grote stroomgaten te dichten in Zeeland na de ramp van 1953, in combinatie met 11.500 mensen en al het beschikbare materieel, dan is het te begrijpen dat men in 1421 niet wist waar te beginnen.

Op diverse plaatsen in de omgeving begaven de dijken het en 42.500 ha land in de Groote Waard liepen onder. Volgens de schrijver van de Cronicon Tielense die toen leefde, zijn er 2.000 mensen in dit gebied omgekomen. Een geloofwaardig aantal. De 100.000 slachtoffers die genoemd worden, samen met de 72 dorpen die verdwenen zouden zijn, werden pas ten tonele gevoerd in de in 1517 verschenen Divisiekroniek van Aurelius. Met de gemiddelde levensverwachting van 50 jaar voor de mens zitten er dus al diverse generaties tussen de ramp en het verschijnen van deze wiki. Het is geen verhaal meer "uit de eerste hand".
Reinier Snoy, een tijdgenoot van Aurelius, beschreef in zijn boek Annales dat men wel met de herbedijking van de 16 ondergelopen dorpen van de Waard was begonnen en zelfs al bijna geslaagd was, maar dat o.a. door de gierigheid van de penningmeesters de dijkwerkers geen loon kregen en dus wegbleven. De Graaf van Holland was overtuigd van het belang van dijkherstel en deed daar zijn uiterste best voor. Mensen die weigerden mee te werken, mochten zelfs zonder pardon gedood worden. Maar als Dordrecht in 1420 nog Geertruidenberg plat brandde, mag je dan in 1422 verwachten dat men geld uitlegt voor het herstellen van elkaars waterschade? Ook kwam nu extra duidelijk naar voren dat alle polders zelfstandige gebieden waren met hun eigen belangen. Het motto lijkt:
"ieder voor zich, en God voor ons allen"
Het gebied stond dan wel onder water, maar was nog niet verloren. Er zal best hard gewerkt zijn, maar de natuur speelde ook zo zijn eigen spelletjes.
De winter van 1422 op 1423 was zeer extreem. Tussen 6 januari en 22 februari 1423 vroor het zo hard dat alle rivieren en de Zuiderzee kompleet dichtgevroren raakten. De vorstinval werd voorgegaan door zware sneeuwval. In Parijs viel zelfs zo veel als men in 30 jaar nog niet gezien had.
Hierdoor was de waterstand in de rivieren in het voorjaar weer extreem hoog. Echt ten onder ging de Waard in 1424 toen, weer op St. Elizabethsdag, een enorme vloedgolf over het land spoelden. De schade was weer enorm langs de hele kust. De Krimpenerwaard ging voor een paar jaar onder water, en de Groote Waard ontving zijn genadeslag.
Er wordt vaak gezegd dat de 15e eeuwse mens niet voldoende het belang kon overzien van wat er bij zijn buren gebeurde. Maar als je je realiseert wat de toenmalige faciliteiten waren, de oorlog waarin de onderlinge steden en de Adel verwikkeld waren, de slechte staat van onderhoud van de dijken en niet te vergeten de barre weersomstandigheden, dan moet je je misschien wel afvragen of ze ooit een kans gehad hebben.
Gevolgen voor de bewoners
De Groote Waard stond vol met water, door de stroomgaten ontstonden nieuwe geulen en ook het getij kreeg vrij spel. Mede op basis van archeologisch onderzoek kunnen we nu stellen dat de waard aanvankelijk bij laag water nog grotendeels droog kwam te vallen. Maar ook al staat er steeds maar een laagje van een paar centimeter water op je land, het valt niet meer te bewerken, het levert niets meer op. Langzaam aan begonnen de bewoners hun heil elders te zoeken en raakte het gebied ontvolkt. Huizen, kastelen en burchten werden steen voor steen afgebroken en de steenjutters namen het materiaal mee naar andere gebieden.
Maar hoe zit het dan met het schilderij uit het Rijksmuseum waarop de overstroming afgebeeld staat?
Het schilderij is gemaakt in 1490. Het meest waarschijnlijke is dat het de actuele situatie van die tijd weergeeft. Hier en daar zijn nog dorpen of restanten daarvan zichtbaar hetgeen zou kloppen met het reisverslag van een Italiaan die ongeveer 100 jaar na de ramp door het gebied reisde en beschreef hoe de kerktoren en daken van hoge huizen boven het water uitstaken.
Misschien komt er meer inzicht in deze theorie door een grootschalig onderzoek dat enige jaren geleden in Dordrecht gestart is samen met TNO-NITG (Nederlands Instituut voor toegepaste geowetenschappen).
De eerste echte kaart waarop de situatie blijkt, is de kaart van Sluijter uit 1560. Daarop is de Biesbosch één grote binnenzee. Waarschijnlijk is de kaart getekend bij hoog water. De geleerden denken nu dat hier een situatie ontstond die vergelijkbaar is met de huidige Waddenzee.
De Verzanding

De eerste representatieve kaart is dus van de gebr. Sluijter uit 1560, waarschijnlijk getekend bij hoogwater.
De eerste representatieve kaart is dus van de gebr. Sluijter uit 1560, waarschijnlijk getekend bij hoogwater.
Hier is al duidelijk op zichtbaar dat een aantal maatregelen zijn genomen door de besturen van de polders die het "overleefd" hebben, zoals bijvoorbeeld het Land van Altena. Al in 1460 hadden zij de westelijke bedijking van het gebied weer in orde gebracht tussen De Werken en Dussen. Het dorp Werkendam lag op het aller noordoostelijkste puntje van de Dordrechtse Waard en behoorde zodoende niet tot het nieuw bedijkte land van Altena. Als een puistje bleef het onbedijkt liggen. Op kaarten uit de 17e en zeker op die uit de 18e eeuw zien we aan de noordzijde steeds meer verlanding. Waarom alleen aan de noordzijde? De vissteken zijn hoofdzakelijk getekend aan de zuidzijde van de waterplas die bekend stond als het "Bergse Veld" en op het Nassause gebied. Aan de noordzijde, het gebied dat behoorde aan de Grafelijkheid, waren wel een paar zalmsteken, maar lang niet zo veel en bovendien zijn ze daar al snel verdwenen. Het zou op er kunnen duiden dat het water daar veel ondieper was en het daarom ook eerder droogviel. Met het droogvallen ontstond ook een klimaat waarop bies en zegge zich kon handhaven met alle gevolgen voor verlanding van dien.
Daarnaast speelde ook de belangen van Dordrecht een invloedrijke rol.
Dordrecht had, na veel geruzie met Gorinchem, in 1540 definitief het stapelrecht van Karel V verkregen, waardoor alle koopwaren, die over de rivier aangevoerd werden, niet doorgevoerd mochten worden voordat ze in Dordrecht opgeslagen en in het openbaar te koop aangeboden waren. Veel handelaren maar ook een aantal andere steden waren daar, op zijn zachtst gezegd, niet gelukkig mee en deden van alles om dit stapelrecht te ontlopen.
Doordat de Werkendamse killen breed en goed bevaarbaar waren, konden veel schepen, op weg naar Antwerpen, Dordrecht omzeilen. Het is vanzelfsprekend dat dit weer allerminst naar de zin van Dordrecht was.
De stad Dordrecht probeerde reeds in 16e eeuw om de loop van het Oude Wiel voor Werkendam te veranderen en de hierachter gelegen Werkendamse Killen te laten verzanden. Er werden lange stenen strekdammen aangelegd, die gedeeltelijk haaks in de stroming werden aangebracht om het verzandingproces te versnellen. Deze dammen noemde men de Hoofden van Dordt. Ze dienden meerdere belangen. Enerzijds het economisch belang van Dordrecht, anderzijds boden de hoofden en de verlanding daarachter de inwoners van Werkendam enige mate van bescherming tegen het water.
De hoofden bleven echter ondanks het besluit van Karel V zorgen voor onrust bij Werkendam. In 1581 escaleerde de ruzie en de stad Dordrecht riep de hulp in van de Staten van Holland. Burgers en ingezetenen van Gorinchem en omliggende dorpen en steden waren met een oorlogsschip en flink bewapend naar Werkendam gevaren om daar de palen, die door de Dordtenaren in de grond gestoken waren om de loop van de rivier te beïnvloeden, te verwijderen. De Staten besloten een afvaardiging te sturen om ter plaatse polshoogte te gaan nemen. Uiteindelijk werd besloten de hoofden te beschermen tegen aanvallen door het stationeren van een oorlogsschip in de Werkendamse killen.
Eén van deze hoofden werd gebouwd vanaf de Ewoutenwaard en zorgde zo voor verzanding van het gebied achter dit hoofd. Het water dat de Ewoutenwaard scheidde van deze nieuwe aanwas kreeg de toepasselijke naam het Gat van het Hooft. Aan het nieuwe land dat zo ontstond, herinnert de voormalige polder de hooftlanden.
Maar van wie was nou dat nieuwe land? Werkendam was een ambachtsheerlijkheid met een ambachtsheer. Deze had het recht om zich met het besturen van het dorp bezig te houden. Hij stelde bijvoorbeeld de nieuwe predikant en de schout aan. Hij was de eigenaar van grote stukken grond rond Werkendam en van de molen, tevens had hij het recht van de visserij en vogelarij in eigendom. Maar ook den Aanwas der Landen kwam in zijn bezit. Door het geheel of gedeeltelijk verpachten van zijn rechten ontving hij pacht.
De pachtsommen vormden voor een deel zijn bron van inkomsten. In het begin van de 16e eeuw was Adam van der Duyn ambachtsheer van Werkendam. Deze werd gedagvaard door de Raden en Meesters van de Rekenkamer der Domeinen om aan te tonen welk recht hij had op de door hem bezeten Visscherijen, Vogelarijen en Aenwas der landen onder de gemelte Jurisductie gelegen en aangezien de Raden en Meesters van Rekeningen beweerden, dat de ambachtsheer van Werkendam geen genoegsame Tytel hadde tot de voorsz. Visscherijen, Vogelarijen en Aenwas der Landen, die hij als Ambagtsheer was possiderende, zo werd hem gelast: van de gemelte Visscherijen, Vogelarijen en Aenwas der Landen, zich te onthouden en sijne handen daar van af te trecken. Doch de ambachtsheer beriep zich op goed bezit en op 5 september 1535 werd een overeenkomst gesloten. Het hield in dat met betrekking tot de visserij en de vogelarij ieder de helft zou krijgen, maar met het land lag het anders. Daar voor werd besloten dat de ambachtsheer voor hem en zijn nakomelingen zoude behoude alle de aengewassen Landen, Mits jaerlyckx aen de Graeffelijkheijts Domeijnen, betaelende, een Erffpagt van drie grooten van idere Mergen en alsoo ter leen te verheffen.
Ook de Ewoutenwaard viel voor een deel onder deze aanwas. Percelen konden door particulieren in erfpacht genomen worden en daarna door hen bebouwd worden alsof zij de eigenaren waren, zo lang de erfpacht jaarlijks voldaan werd. Doordat de erfpacht of thijns niet verhoogd kon worden, werden de kosten voor de ambachtsheer om de boekhouding daarvan bij te houden uiteindelijk hoger dan de opbrengst. Veel van dit soort zaken zijn daardoor in de vergetelheid geraakt.
Omdat de Biesbosch Grafelijkheidsdomein was kwam daar de aanwas van het land toe aan de Grafelijkheid die de opkomende gronden begon te verpachten of er eendenkooien op aanlegde en deze verpachtte.
Dikwijls zijn er plannen gemaakt om aan de noordzijde een dijk aan te leggen langs de ontstane platen en zo het verzandingsproces te versnellen en de afvoer van bovenwater te verbeteren. Dankzij deze plannen, die overigens pas in de 19e eeuw uitgevoerd werden, zijn door de loop der eeuwen schitterende kaarten van dit gebied getekend waarvan de kaart van Cruqius uit 1730-1731 het bekendst is geworden.
Literatuur:
- Historische reeks deel 4 De ondergang van de Middeleeuwse Grote Waard door C.C.W. de Korver
- De zalmvissers van de Biesbosch 1421-1869, Dr. P.J.M. Martens
- Op zoek naar 7 huizen, V.C. Wikaart -Derkzen In een opslag van het oog, Paul v.d. Brink
Eigendomsrechten Biesbosch

Het is door de eeuwen heen nooit gelukt om het hele gebied dat bekend stond als Biesbosch onder één toezichthouder te krijgen. Gedurende de langste tijd van haar bestaan viel het gebied van de Biesbosch onder twee verschillende jurisdicties. Stad en Land van Geertruidenberg behoorden toe aan de heren van Nassau en stonden onder het beheer en toezicht van de Nassause Domeinraad. Ook het water aan de noordzijde van de stad, tot aan de oude loop van de Maas behoorde hiertoe. In het oosten lag de grens globaal daar waar het water ophield en het land begon. In het westen lag de grens bij "Lauwenhoek" iets ten oosten van de huidige Moerdijkbruggen.
Het noordelijke deel van de Biesbosch viel onder jurisdictie van de Graven van Holland en was daardoor Grafelijkheids Domein. Dit waren dan ook de instanties waartoe de bevolking zich moest wenden als zij "iets" in het gebied wilden. Dat iets kon bestaan uit vissen, waardoor men visrecht moest zien te krijgen, zoals in het zuidelijke gebied het meest aan de orde zal zijn geweest. Het kon ook gaan om het verkrijgen van kooirechten voor de vogelvangst en het pachten van de opkomende gronden in het noorden voor de griend- en rietcultuur en de landbouw. Aan deze situatie kwam deels een einde in de 19e eeuw. Al onder het Franse bewind werd een groot gedeelte van de gronden in de Biesbosch verkocht aan particulieren. Een situatie die niet meer teruggedraaid kon worden na het vertrek van deze heren. Ook onder hun toezicht was men begonnen met de opzet, naar Frans voorbeeld, van het kadaster. Daarvoor moesten voor heel Nederland gemeentegrenzen vastgesteld worden.
Hierbij werd dit gebied verdeeld over de diverse gemeenten die aan de rand van het gebied lagen. Geertruidenberg, Made en Drimmelen, Dussen, Werkendam, Dordrecht en Zwaluwe kregen allemaal een groter of kleiner deel binnen hun gemeentegrenzen. De Grafelijkheid en de Nassause Domeinraad waren organen uit de tijd van de Verenigde Provincies die niet meer terug kwamen in het Nieuwe Nederland. Tijdens de Bataafse Republiek werden de Nassause Domeinen en de Grafelijkheids Domeinen Staatsdomeinen. De Nassause Domeinen bleven na het herstel van oude rechten Staatsdomeinen en de oude Grafelijkheids Domeinen werden aanvankelijk Kroondomeinen. De diverse soorten domeinen bleven dus wel eigenaar van de grond alleen werd hun bezit binnen gemeentegrenzen gebracht en benoemd. De geschiedenis van de Domeinen is een heel interessante, zeker binnen dit gebied.
Rechten van de Koninklijke familie op de grond en het geschuif van het bezit hiervan tussen familie en de Staat der Nederlanden, de vererving binnen de koninklijke familie zijn boeiend. Maar ook een interessante invalshoek kan de vraag zijn waarvoor het geld gebruikt werd dat hier in de Biesbosch opgehaald werd door middel van verpachting. In de periode dat de grond weer eens aan het Rijk behoorde werden allerlei soorten Domeinen opgericht die een eigen doel hadden. In 1832 waren drie vormen van Domeingronden in Werkendam aanwezig. De Staat der Gewone Domeinen had een paar kleine stukjes maar het grootste deel van de grond was ondergebracht in het Domein voor Volksvlijt dat in Brussel kantoor hield.
Maar liefst 1213 ha riet, griend en gorzen viel onder hun beheer. De hele riviervisserij, met een oppervlak van 910 bunder 51 roede en 50 el viel onder het beheer van het Domein van het Amorisatiesyndicaat dat in 1822 was opgericht om hoofdzakelijk oorlogsmateriaal aan te kunnen schaffen. Later werd het ook gebruikt om oorlogsinvaliden te voorzien van een klein pensioen. De situatie anno vandaag de dag is nog niet veel veranderd. Het grootste gedeelte van de Biesbosch is nog steeds in handen van de overheid verdeeld over diverse ministeries.
Topografie
De Krakeelswaard, het Heijmansgaatje, het gat van het Steenen Huisje, Dooiemanswaard, de Jodenpolder, de Bloedakker, de Doodsweren, het Gat van de Toren van Dordrecht. Namen die tot de verbeelding spreken van iedereen. Namen met een geschiedenis die niet altijd duidelijk is. De naam Keizersguldenwaard zou zijn ontstaan omdat hij Keizer Napoleon Bonaparte nog geen gulden waard was en hij hem voor zijn gevoel met winst verkocht voor 1 gulden. Een fabeltje, zou je zo in een eerste reactie zeggen. De polder Keizersguldenwaard komt al heel vroeg voor. Waarschijnlijk staat hij zelfs al op de kaart van Jacob en Pieter Sluijter, maar dan nog zonder naam. Toch betekent in het oud Nederland het woord Guldenwert "een waarde hebbende van één gulden in de handel". De keizer zou dan Karel V zijn geweest. De mogelijkheid dat er dan een grond van waarheid in het verhaal zit is al meer aanwezig. Zo was er in de 17e eeuw ook een polder die de Craceelswaard genoemd werd. Waarschijnlijk een polder waar veel om te doen was geweest in de vorm van een twist. Het wordt spannend als de naam verdwijnt en vervolgens in de loop van de geschiedenis de "Dooiemanswaard" genoemd gaat worden. Zou er echt een dode zijn gevallen in de twist rond de Craceelswaard?
Een nieuwere naam is die van de Bloedakker. Dit was een hele lange smalle griend, waarin de mannen ver moesten lopen. Zo ver dat zij soms met het bloed in de klompen liepen. Een griend waar niemand graag naar toeging.
De meeste namen in de Biesbosch zijn te herleiden tot bloemen, planten, namen van mannen en vrouwen, al dan niet verbasterd, zoals bijvoorbeeld de Driessenhennip (de hennip van Andries Visser) of de tijd van de visserij met zijn steken. De namen zijn vrijwel allemaal van vroege oorsprong. Zodra een plaat droog viel en verpacht werd moest men er een naam aan verbinden om de percelen te kunnen identificeren. Heel vaak komt dan ook de naam van de eerste pachter hierbij om de hoek kijken zoals bijvoorbeeld bij de Thomaswaard, waarvan de oudste bekende pachter een Thomas Thomaszn was. Voor 1832 blijft het toch een beetje gokken over welk stuk land men het heeft bij verpachting of verkoop. Na 1832 werd het kadaster ingesteld en werd naast de perceelsnaam ook een kadasternummer genoemd in de officiële stukken. Dat maakt het zoeken en identificeren een stuk makkelijker.
Namen in de Biesbosch uit de visserijtijd
Door: P.J.M. Martens (effe lustere dec. 2000) bewerkt.
In de Biesbosch stonden grote zalmsteken die waren onderverdeeld in percelen. Zo'n steek bestond uit een lange rij palen met een wilgentenen vlechtwerk ertussen, waaraan aan weerskanten fuiken stonden. Die steken hadden permanente plaatsen. Beëdigde meters controleerden jaarlijks of daar niets in was veranderd en ook op die manier ontstonden vaste plekken, soms alleen met een perceelsnummer, maar vaak ook met een naam. Veel ervan zijn nu nog steeds in de Biesbosch terug te vinden.
Het zijn natuurlijk niet alleen perceelsnamen die zijn blijven hangen. Veel stukjes Biesbosch zijn rechtstreeks naar vis genoemd. Het Steurgat is daar een voorbeeld van, maar ook de polders de Zalm (de Kroon en de Zalm) en de Kleine Zalm. Onder het huidige spaarbekken de Honderddertig lag vroeger het gat van de Elft; een gedeelte van de voor het spaarbekken afgegraven polder daar, heette ook de Elft. Ook de Spieringpolder, de Spieringsluis en de Palingsloot zijn namen die rechtstreeks naar vis verwijzen. Dat is ook het geval bij het Gat van de Hengst in de Sliedrechtse Biesbosch.
Een hengst is een uitgepaaide zalm. Hengsten waren mager en brachten weinig op. (Vergelijk het begrip ‘ijle’ -iele- haring.)
Er zijn ook een heleboel namen waarbij de herkomst uit de visserij minder voor de hand ligt: de Alloijzenpolder op het eiland van Dordrecht is daar een voorbeeld van. Ongeveer op die plaats lag in de zestiende en zeventiende eeuw een grote zalmsteek die de Steek van Aleuyssen werd genoemd (op spelling werd vroeger niet echt gelet). Op de plaats waar nu (ongeveer) de Dordtse Biesbosch ligt, lagen vroeger een paar zandplaten die de Noorderspringer en de Middenspringer werden genoemd. Ze ontleenden hun naam aan een oude steek, die op zestiende eeuwse kaarten voorkomt als de 'Steek genaamt den Springer'.
Het Gat van de Bakens herinnert aan de bolbakens die in de visserijtijd waren geplaatst, daar waar ooit de bedding van de Maas had gelopen, die de grens vormde tussen het gebied van de Graven van Nassau en de Grafelijkheid van Holland (het zuidelijke en het noordelijke deel). Onder de naam Jannezand is jarenlang een perceel verpacht voor zogenaamde kant-of kleine visserij. Het ging daarbij dan niet om een zalmsteek maar om visserij vanaf de wal, meestal met schutwant of met lijnen.
Veel namen zoals die nu nog voortleven in de Biesbosch komen van visserijpercelen zoals die er gelegen hebben in de tijd van 1560 tot aan het einde van de achttiende eeuw (1777 is het laatste jaar dat de rentmeester de percelen met naam en toenaam in zijn rekeningen vermeld) Al die tijd hadden de steken en dus ook de percelen, vaste plaatsen.
Vóór 1560 was dat anders, toen wisselden plaatsen en namen regelmatig.
De percelen waren delen van steken. De steken zelf hadden verschillende lengtes. Voor de percelen gold dat niet, die waren op enkele uitzonderingen na bijna allemaal even groot: 100 roeden lang (d.i. ca 375 meter).
Aan de hand van de perceels- en steeknamen is eenvoudig te zien hoeveel namen er nu nog voortleven. Sommige zijn inmiddels ook weer verdwenen, maar zijn dikwijls op oude kaarten nog terug te vinden.
Op een kaart uit 1842 komen bijvoorbeeld het Gat van de Puttesteek en het Gat van de Vogelaer nog voor (Jan Puttesteek en Vogelaersteek). Om in het gebied van de Dordtse Biesbosch te blijven: Tongplaat komt van de Tongsteek. De namen van de waterlopen Middenels en Noorderels hangen vermoedelijk samen met de naam van de Elststeek die daar gelegen heeft.
De Haeftensteek heeft vermoedelijk zijn naam gegeven aan de platen Hooge Hof en Lage Hof die daar vroeger lagen (de naam Hoge Hof komt als polder nog voor).
Het Gat van de Vissen is genoemd naar de Vissensteek en de Langeplaat ontleent haar naam aan de Langesteek.
Het meest noordelijke perceel van de Langesteek heette de Slegh, het Gat van de Slek verwijst daar nog naar. De Langesteek (die zijn naam overigens eer aan deed) had vanaf het zuiden gezien op ongeveer eenderde van zijn lengte een duidelijke knik. Net ten noorden daarvan lag een perceel dat wat langer was dan de gebruikelijke honderd roeden, namelijk 130 roeden (d.i. ruim 480 in plaats van ongeveer 375 meter). Het was ook een goed (en dus zeer bekend) perceel, want het bracht jarenlang een heel behoorlijke pacht op. Het Gat van de Honderddertig heet er naar. Er lag vroeger ook een zandplaat van die naam, later omgevormd tot polder en weer later tot het huidige spaarbekken Honderddertig. Er wordt wel eens beweerd dat de naam zou komen van 130 botsteken die daar gestaan zouden hebben, maar dat is onjuist.
Botsteken hebben nooit bestaan.
De steek Kerckensloot heeft met het Gat van de Kerksloot te maken. Het tweede perceel (vanuit het zuiden gezien) van deze steek heette 'Luysen en vlooien', de naam Gat van de Vlo(o)eien is daaraan ontleend.
De volgende steek in oostelijke richting heet de Joachim Broekhovens Geyster. Het meest zuidelijke perceel ervan heet Plomp (Gat van de Plomp en andere namen met Plomp komen daar vandaan). Het perceel boven de Plomp stond bekend als Seykgat. Op wat oudere waterkaarten heet het water dat van het Noordergat van de Plomp (bij het strandje) onder de Toontjesplaat door richting Hofmansplaat loopt nog Zijkgat.
Waarschijnlijk vonden ze dat bij de ANWB niet zo netjes, want op de tegenwoordige waterkaarten komt die naam niet meer voor.
De naam van de steek zelf, de Gijster, vinden we nog terug in het grote spaarbekken. De naam zelf kwam ook vroeger veel voor: Diepe Gijster, Broekhovens Gijster en op de Steek van Hoekenisse lag ook een perceel dat kortweg Gijster heette.
Waar de term Gijster vandaan komt, of wat hij zou moeten betekenen is mij helaas niet bekend. Vissers noemden in vroeger eeuwen een perceel dat als zeer slecht bekend stond een 'Geysterbak'. Hoogst waarschijnlijk zullen deze perceelsnamen daar wel mee samenhangen, maar de betekenis blijft onduidelijk.[1]
Aan de percelen van de Steek van Hoekenisse kunnen we zien dat ook de namen met Turfzak (vroeger de plaat, later de polder die zo heette en natuurlijk het Gat van de Turfzak) uit de visserijtijd stammen. Dat geldt ook voor het poldertje Kindem, net ten zuiden van het spaarbekken de Gijster) dat is genoemd naar het meest zuidelijke perceel van deze steek.
Wie oude kaarten bestudeert zal vermoedelijk nog wel op meer namen stuiten die samenhangen met de visserij.
Er heeft in het gebied vroeger een klooster gestaan, Heijsterbach. In de ontwikkeling van woorden gebeurt het vaker dat de G en de H wisselen; of er van enige samenhang sprake is blijft onbekend.
Literatuur:
- H. den Tuinder, de namengalerij van de Biesbosch P.J. Jozee e.a., Perceelsbenaming in de Biesbosch H. den Tuinder, Gedenkboek
Gebruikers van de Biesbosch
Vissers
Dr. P.J.M. Martens, Zalmvisserij in de Biesbosch (Effe Lustere, december 2000) bewerkt.
In Dordrecht, maar vooral ook in Geertruidenberg was al sprake van een omvangrijke handel in zoetwater- en zeevis voordat de St. Elisabethsvloed het gebied waar nu de Biesbosch ligt onder water zette. De handel vanuit Geertruidenberg richtte zich al sedert de middeleeuwen op
Zuid-Brabantse en Vlaamse steden: Antwerpen, Mechelen, Brussel, Leuven, Gent. Met de stad Leuven werden in de veertiende eeuw zelfs overeenkomsten gesloten voor het leveren van vis tijdens de vastenperiode.
Goede Christenen aten dan geen vlees.
De eerste groep mensen die weer brood in de ondergelopen waard zagen, waren de vissers.
De meeste overstromingen en in ieder geval de St. Elisabethsvloed zelf, vonden in het najaar plaats. Als het ijs na de winter weg was, stond dat water er nog. Een paar fuiken en wat schutwant zijn dan snel geplaatst.
De visserij in de Biesbosch gold als "binnenvisserij". Een begrip dat nu als logisch wordt beschouwd. Maar de grens tussen binnenvisserij en kustvisserij lag wel heel dicht bij.
Nog volgens de visserijwet uit 1908 lag de grens op de as van de spoorwegbrug aan de Moerdijk. Ten westen hiervan, dus het Hollands Diep, werd nog beschouwd als kustwater en het gebied ten oosten, het hele gebied van de Biesbosch was dus binnenvisserij. De "binnenvissers" maakten zelf nog een belangrijk onderscheid. Riviervissers zijn zij die zich gedurende het hele jaar rond bezig hielden met visserij op de grote rivieren, waar zij voornamelijk jacht maakten op trekvis. De binnenvissers waren de vissers die het stilstaande water beviste en als hoofdberoep vaak iets anders hadden zoals herbergier, boer of arbeider.
De streek was vooral bekend vanwege de vangst van steur, zalm en elft. Op de rivier werden veel prikken gevangen. Deze haalden de vissers niet uit het water, maar lieten ze in hun netten achter de boten zitten. Zo werden die netten met levende prikken naar Vlaardingen gesleept, waar veel zeevissers waren. Deze zeevissers kochten de prikken van de Werkendammers en namen ze in grote tonnen mee naar zee. Als de zeevissers op kabeljauw wilden vissen, hadden ze altijd een paar jongetjes aan boord. Deze werden prikkenbijters genoemd. Als de visser dan dacht dat ze in de buurt van een school kabeljauw waren, wilde hij ze lokken. De jongetjes moesten dan die levende prikken pakken, in hun mond stoppen, en achter hun kop doorbijten.
Dan werden ze op een rij aan haken geslagen en over boord gegooid. Als ze dat een tijdje gedaan hadden, kregen ze een hele vieze smaak in hun mond.
Om die vieze smaak te verdrijven, kregen de jongens een vijg.
Over die visserijactiviteiten in de eerste jaren is overigens niet zo veel bekend. Nog lang zijn er plannen geweest om de dijken rond het gebied te herstellen. Het heeft bijna honderd jaar geduurd voordat men er zich bij neerlegde dat de schade onherstelbaar was en dat er onderhand eens iets moest worden geregeld met betrekking tot de visrechten op het gebied. Dat gebeurde in 1516.
Bron, Digitalisering en Wiki opmaak: Terry van Erp

- ↑ 1
