Het Huis Oranje-Nassau: een dynastie van overlevers: verschil tussen versies
| (26 tussenliggende versies door dezelfde gebruiker niet weergegeven) | |||
| Regel 46: | Regel 46: | ||
Het rommelde nog even door. Op 26 maart 1405 werd op de burcht in Breda in aanwezigheid van hertogin Johanna en vier Brabantse leenmannen een overeenkomst gesloten tussen Engelbrecht en Johanna enerzijds en [[Hendrik van der Lek]] anderzijds. Aan Hendrik werd toen beloofd dat hij, als Johanna kinderloos zou overlijden, voor 100.000 pond oude groten de heerlijkheid [[Breda]] in pand zou krijgen. Enkele weken later, op 12 april 1405, ontsloeg Hendrik Engelbrecht en Johanna van deze verplichting. Er staat niet bij waarom hij dit deed.<ref>NAG, NDR vóór 1581, inv. nr. 83.912, oorkonde d.d. 12 april 1405. Drossaers en in zijn navolging Cerutti dateerde in haar inventaris deze oorkonde ten onrechte op 23 maart 1404. De tekst van de door mij geziene oorkonde luidt: ‘so solde de borgh, stat unde lant van Breeda myd oere gantser tobe[hoeri]ngen mij, mijnen erven oft holder dys breves myd onsen wyllen versat, verpandt ende verkunden wesen v[ur] hundertdusent pundt aelder groten’. Zie voor de tekst ook: F.F.X. Cerutti ed., Middeleeuwse rechtsbronnen van stad en heerlijkheid Breda (deel I, Utrecht, 1956) p. 367-369; het citaat op p. 368. De taal van de oorkonde doet mij opvallend Oost-Nederlands aan, is in elk geval niet Brabants.</ref><br> | Het rommelde nog even door. Op 26 maart 1405 werd op de burcht in Breda in aanwezigheid van hertogin Johanna en vier Brabantse leenmannen een overeenkomst gesloten tussen Engelbrecht en Johanna enerzijds en [[Hendrik van der Lek]] anderzijds. Aan Hendrik werd toen beloofd dat hij, als Johanna kinderloos zou overlijden, voor 100.000 pond oude groten de heerlijkheid [[Breda]] in pand zou krijgen. Enkele weken later, op 12 april 1405, ontsloeg Hendrik Engelbrecht en Johanna van deze verplichting. Er staat niet bij waarom hij dit deed.<ref>NAG, NDR vóór 1581, inv. nr. 83.912, oorkonde d.d. 12 april 1405. Drossaers en in zijn navolging Cerutti dateerde in haar inventaris deze oorkonde ten onrechte op 23 maart 1404. De tekst van de door mij geziene oorkonde luidt: ‘so solde de borgh, stat unde lant van Breeda myd oere gantser tobe[hoeri]ngen mij, mijnen erven oft holder dys breves myd onsen wyllen versat, verpandt ende verkunden wesen v[ur] hundertdusent pundt aelder groten’. Zie voor de tekst ook: F.F.X. Cerutti ed., Middeleeuwse rechtsbronnen van stad en heerlijkheid Breda (deel I, Utrecht, 1956) p. 367-369; het citaat op p. 368. De taal van de oorkonde doet mij opvallend Oost-Nederlands aan, is in elk geval niet Brabants.</ref><br> | ||
Als we ervan uit gaan dat men met een pond een hoeveelheid van 240 heeft bedoeld, dan komt dit neer op 24 miljoen oude groten.<ref>Met dank aan Ron Fierst van Wijnandsbergen voor de op 2 april 2015 verstrekte inlichtingen omtrent deze transactie.</ref> Dit geeft nog eens aan welke enorme waarde de heerlijkheid Breda toen had. Dat was wel een intrige waard. De groot was een zilveren munt die oorspronkelijk, in de late dertiende eeuw, gelijk was aan 12 penningen. Door de vanaf ca. 1290 sterk toenemende muntontwaarding kreeg de oude groot, zoals hij al spoedig genoemd werd, een veel hogere waarde in penningen. Vanaf 1307 kwam daarom in oorkonden waarin vaste, periodieke verplichtingen werden vastgelegd de clausule voor dat er voor 1 oude groot 16 en geen 12 penningen nodig waren. Deze clausule verdween weer in 1340.<ref>Ron Fierst van Wijnandsbergen, Ghenghe ende gheve in Grave. Fondsvorming van armeninstelingen en middeleeuwse monetaire problematiek (Tilburg, 2013) 228.</ref> De groot werd ook daarna steeds minder waard met als gevolg dat de koers van de oude groot steeds hoger werd. Hoewel de transactie niet doorging, vond men ook in later tijd de oorkonde dermate belangrijk dat hij werd bewaard en zich nog steeds in originali bevindt in het archief van de Nassause Domeinraad.<br> | Als we ervan uit gaan dat men met een pond een hoeveelheid van 240 heeft bedoeld, dan komt dit neer op 24 miljoen oude groten.<ref>Met dank aan Ron Fierst van Wijnandsbergen voor de op 2 april 2015 verstrekte inlichtingen omtrent deze transactie.</ref> Dit geeft nog eens aan welke enorme waarde de heerlijkheid Breda toen had. Dat was wel een intrige waard. De groot was een zilveren munt die oorspronkelijk, in de late dertiende eeuw, gelijk was aan 12 penningen. Door de vanaf ca. 1290 sterk toenemende muntontwaarding kreeg de oude groot, zoals hij al spoedig genoemd werd, een veel hogere waarde in penningen. Vanaf 1307 kwam daarom in oorkonden waarin vaste, periodieke verplichtingen werden vastgelegd de clausule voor dat er voor 1 oude groot 16 en geen 12 penningen nodig waren. Deze clausule verdween weer in 1340.<ref>Ron Fierst van Wijnandsbergen, Ghenghe ende gheve in Grave. Fondsvorming van armeninstelingen en middeleeuwse monetaire problematiek (Tilburg, 2013) 228.</ref> De groot werd ook daarna steeds minder waard met als gevolg dat de koers van de oude groot steeds hoger werd. Hoewel de transactie niet doorging, vond men ook in later tijd de oorkonde dermate belangrijk dat hij werd bewaard en zich nog steeds in originali bevindt in het archief van de Nassause Domeinraad.<br> | ||
Het ging dus niet vanzelf, er was iets wat schuurde. Was dat soms [[Hendrik van der Lek]]?<ref>Zie voor biografische gegevens: Uyttebrouck, Le gouvernement, pp. 706-707 en het Biografisch Portaal op: [https://www.huygens.knaw.nl www.huygens.knaw.nl]</ref> In 1403 heeft Hendrik de strategisch gelegen, belangrijke [[burcht van Oosterhout]] in bezit en hij had daar zelfs een garnizoen in gelegd. Hij belooft dan dat het slot na zijn dood weer terug zou vallen aan [[Johanna van Polanen]] en haar erfgenamen.<ref>A.C.M. Kappelhof, ‘In natte en in droge. De Nassause domeinen in westelijk Noord-Brabant tot 1566’, in: Jaarboek De Oranjeboom, 58 (2005), pp. 1-43, in het bijzonder p. 16. Oosterhout was in 1400 na de dood van [[Willem van Oosterhout]], een bastaardzoon van [[Willem van Duivenvoorde]] als Bredaas leen teruggevallen aan de heerlijkheid Breda.</ref> Maar in 1406 woont Hendrik nog op de [[burcht van Oosterhout]].<ref>21</ref> Hij blijft intensief betrokken bij de Brabantse èn de Hollandse politiek. In 1391 verpandde hertogin [[Johanna van Brabant]] het dorp [[Moergestel]] aan hem, in 1398 gevolgd door [[Schijndel]]. Hendrik maakt ruzie met de heren van Bergen op Zoom en Zevenbergen. In 1425 vertrouwt hertog [[Jan IV van Brabant]] aan hem het bewind toe over Brabant wanneer hij vertrekt naar Holland om dat namens zijn Jans vrouw [[Jacoba van Beieren]] in bezit te nemen. Hij schiet de hertogen van Brabant herhaaldelijk geld voor en dat zal niet voor niets gegaan zijn. Tussen 23 november 1428 en 9 februari 1430 is hij overleden.<ref> | Het ging dus niet vanzelf, er was iets wat schuurde. Was dat soms [[Hendrik van der Lek]]?<ref>Zie voor biografische gegevens: Uyttebrouck, Le gouvernement, pp. 706-707 en het Biografisch Portaal op: [https://www.huygens.knaw.nl www.huygens.knaw.nl]</ref> In 1403 heeft Hendrik de strategisch gelegen, belangrijke [[burcht van Oosterhout]] in bezit en hij had daar zelfs een garnizoen in gelegd. Hij belooft dan dat het slot na zijn dood weer terug zou vallen aan [[Johanna van Polanen]] en haar erfgenamen.<ref>A.C.M. Kappelhof, ‘In natte en in droge. De Nassause domeinen in westelijk Noord-Brabant tot 1566’, in: Jaarboek De Oranjeboom, 58 (2005), pp. 1-43, in het bijzonder p. 16. Oosterhout was in 1400 na de dood van [[Willem van Oosterhout]], een bastaardzoon van [[Willem van Duivenvoorde]] als Bredaas leen teruggevallen aan de heerlijkheid Breda.</ref> Maar in 1406 woont Hendrik nog op de [[burcht van Oosterhout]].<ref>A. Verkooren, Arlette Graffart en René Laurent, Inventaire des chartes et cartulaires des duchés de Brabant et de Limbourg et des Pays d’Outre-Meuse (deel III Chartes originales et cartulaires; deel 3; Bruxelles, 1976), nr. 8226 (21 september 1406). </ref> Hij blijft intensief betrokken bij de Brabantse èn de Hollandse politiek. In 1391 verpandde hertogin [[Johanna van Brabant]] het dorp [[Moergestel]] aan hem, in 1398 gevolgd door [[Schijndel]]. Hendrik maakt ruzie met de heren van Bergen op Zoom en Zevenbergen. In 1425 vertrouwt hertog [[Jan IV van Brabant]] aan hem het bewind toe over Brabant wanneer hij vertrekt naar Holland om dat namens zijn Jans vrouw [[Jacoba van Beieren]] in bezit te nemen. Hij schiet de hertogen van Brabant herhaaldelijk geld voor en dat zal niet voor niets gegaan zijn. Tussen 23 november 1428 en 9 februari 1430 is hij overleden.<ref>Uyttebrouck, Le gouvernement, II, 706-707.</ref> | ||
== II. De Nassaus als Brabantse edelen == | == II. De Nassaus als Brabantse edelen == | ||
''Lijn van de dynastie''<br> | |||
[[Engelbrecht I|Engelbrechts]] huwelijk met [[Johanna van Polanen|Johanna]] was rijk aan kinderen. Na zijn dood in 1442 werd hij opgevolgd door zijn oudste zoon [[Jan IV]].<br>Deze huwde met [[Maria van Loon-Heinsberg]], een telg uit een roemrijk en oud adellijk geslacht uit het gebied tussen Maas en Rijn dat vanaf het midden van de dertiende eeuw intense betrekkingen onderhield met de [[hertogen van Brabant]]. Een van de laatste mannelijke leden uit dit geslacht was bisschop van Luik. Na Jans dood in 1475 werd de erfenis gedeeld. De ene zoon [[Jan V]] kreeg de Nassause gebieden ten oosten van de Rijn, de andere [[Engelbrecht II]] de bezittingen in de Nederlanden waaronder [[Breda]].<br> [[Engelbrecht II|Engelbrecht]] trouwde met [[Cymburga van Baden]], stammend uit een Zuid-Duits vorstelijk geslacht. Toen [[Engelbrecht II|Engelbrecht]] in 1504 kinderloos stierf werd hij opgevolgd door een zoon van [[Jan V]], graaf [[Hendrik III van Nassau]]. Deze sloot drie huwelijk waaronder het tweede met [[Claude de Chalons]] waarover verder meer. [[Hendrik III van Nassau|Hendrik]] werd opgevolgd door zijn enige zoon [[René van Chalons]]. Deze sneuvelde in de strijd in 1544 zonder uit zijn huwelijk met [[Anna van Lotharingen]] nageslacht na te laten. Met de onfortuinlijke [[René van Chalons|René]] stierf de tak Nassau-Breda uit. Zoals afgesproken verviel de hele erfenis aan een neef, [[Willem van Oranje|Willem]], een zoon van [[Willem de Rijke]] en [[Juliana van Stolberg]]. Dit werd de latere [[Willem van Oranje]], in oudere bronnen aangeduid als de [[Vader des Vaderlands]] en destijds ook wel bijgenaamd de [[Willem de Zwijger|Zwijger]]. | |||
=== Intriges aan het Brabantse hof === | |||
[[Engelbrecht I]] draaide spoedig volop mee in het Brabantse politieke leven.<ref>Tamse, Nassau en Oranje, pp. 26-33. (artikel van H.P.H. Jansen) en Uyttebrouck, Le gouvernement, pp. 715-716.</ref> Hij werd al snel lid van de hertogelijke raad, maar moest daar weer uit omdat de [[Staten van Brabant]] bezwaar maakten tegen een nietgeboren Brabander. Geen nood, zijn baas hertog Anton gaf hem ander werk. Anton had, nadat zijn eerste vrouw in 1407 gestorven was, een oogje laten vallen op de zeventienjarige [[Elisabeth van Görlitz]], een kleindochter van keizer [[Karel IV]]. Dit kon de nog steeds levende aanspraken van de Luxemburgers op Brabant wellicht versterken terwijl hertog Anton interesse had in het hertogdom Luxemburg. Anton zond Engelbrecht naar koning Wenceslas in Praag om te onderhandelen over een huwelijk. Dat kwam er in 1409. In 1411 kreeg Elisabeth het hertogdom Luxemburg toegewezen. Toen Anton probeerde deze nieuwe aanwinst in bezit te nemen stuitte hij op heftig verzet van de Luxemburgse adel die achter de schermen werd opgestookt door de factie aan het Franse hof die al decennia overhoop lag met de factie rond de Bourgondische hertog. Anton mocht dan hertog van Brabant zijn, maar op de eerste plaats was hij als hertog van Bourgondië een Franse vorst en dus betrokken bij Franse intriges. En dat waren er heel wat, want koning Karel VI was wegens bij vlagen optredende krankzinnigheid niet tot regeren in staat. Twee groepen edelen streden om de voogdij over de handelingsonbekwame vorst. De ene groep werd aangevoerd door de hertog van Bourgondië, de andere door Lodewijk van Orléans. Het kwam tot moord en doodslag. Als gevolg van al deze Franse perikelen sneuvelde Anton in 1415 bij Azincourt in een veldslag tegen de Engelsen.<br> | |||
Hij werd opgevolgd door de nog jonge [[Jan IV]] (1415-1427) die zich al spoedig ontpopte als volstrekt incompetent. En weer werd er een strategisch huwelijk beraamd, dit maal tussen de jonge hertog en zijn volle nicht [[Jacoba van Beieren]] het enigst kind van graaf [[Willem VI van Holland]]. Engelbrecht was hier nauw bij betrokken en het huwelijk kwam er. Er leek een nieuw conglomeraat te ontstaan van Holland-Zeeland-Henegouwen-Brabant en Limburg. Dit betekende een serieuze bedreiging voor de positie van [[Jan zonder Vrees]] in de Nederlanden, en dus intrigeerden hij en zijn zoon en opvolger [[Filips de Goede]] uit alle macht.<br> | |||
In 1418 kwam het tot een heuse crisis: [[Jan IV]] verpatste in twee verdragen de Hollandse bezittingen van zijn jonge vrouw aan haar oom [[Jan van Beieren]], waarop zij haar man verliet. Jan kwam daarna in conflict met de [[Staten van Brabant]] omdat hij te veel geld uitgaf en zich omringde met een kliek van op geld en macht beluste edelen. Engelbrecht koos de partij van de Staten, een goede keuze want de Staten wonnen en hertog Jan werd in 1421 onder curatele gesteld.<br> | |||
Na de kinderloze dood van [[Jan IV]] in 1427 en zijn broer [[Filips van St. Pol]] in 1430 kon de kleinzoon van [[Filips de Stoute]], hertog [[Filips de Goede]] na enige onbetekenende concessies aan de [[Staten van Brabant]] Brabant en Limburg aan zijn domein toevoegen. Bij al deze verwikkelingen was Engelbrecht betrokken, hij was lid van de hertogelijke raad en zegelde als getuige heel wat oorkonden mee. Oom [[Hendrik van der Lek]] vertoefde daar trouwens ook geregeld en zegelde ook talrijke oorkonden. | |||
=== Een vroom sterfbed === | |||
Na 1430 trad de ouder wordende Engelbrecht op de achtergrond. Zijn in 1442 opgemaakt testament doet hem uitkomen als een vroom man die vele legaten schenkt aan goede doelen en een dagelijkse mis sticht voor zijn zieleheil.<ref>KHA, inv. nr. A2-169 (notariële akte d.d. 24 april 1442).</ref> De notaris voor wie het testament wordt verleden kondigt aan dat de ''illustris et magnificus domicellus Engelbertus comes de Nassouw et Vyanden dominusque temporalis de Grymberghen, Lecka et Breda’'' in zijn laatste ziekbed ligt. Hij is tot de slotsom gekomen: | |||
''ende kerstelyck es dat elck kerstenmensche syn siele besorgt ende bedencke den wech die sy varen moet, soo begheere ick ende es myn wytterste wille ende in vormen van rechten testamente dat dit ghesciede ende volvuert worde'' | |||
Elke christen moest letten op zijn ziel en denken aan het moment dat deze naar een andere wereld zou verhuizen. Om dit goed te laten verlopen kon volgens de toen vigerende opvattingen geven aan goede doelen nuttig zijn. En daar deed Engelbrecht met overgave aan mee. Zijn zijden kleren moesten worden bestemd voor het vervaardigen van liturgische gewaden zoals koorkappen en kazuifels voor de deken en het kapittel van Breda. Er moest in Breda een nieuwe kapelrie komen die na zijn dood zou worden gesticht in de nog bestaande Wendelinuskapel. De kerk van Breda was ooit door de [[heren van Breda]] gesticht; het was hun kerk, zij droegen de pastoor ter benoeming voor aan de aartsdiaken van Kempenland en zij lagen er begraven. De kerk is er nog en is, op de Sint Jan in [['s-Hertogenbosch]] na, de mooiste gothische kerk van Noord-Brabant. | |||
=== Het domein: expansie en consolidatie === | |||
Een middeleeuws vorst of heer had zijn domeinen. Deze bestonden uit de burcht, andere gebouwen en een opeenstapeling van goederen en rechten die inkomsten opleverden. De heer moest leven van zijn domein. Het was dus zaak dit goed te beheren en het als dat kon uit te breiden.<ref>Over de Nassause domeinen in Brabant en aangrenzend Holland: Kappelhof, ‘Het domein van de heren van Breda ca 1200 tot 1568’, versie mei 2020 op www.academia.edu. en: Cerutti, Middeleeuwse rechtsbronnen, deel I, p. xlv-lxxvi.</ref> Dit beleid werd overigens al gevoerd door de voorgangers van [[Engelbrecht I]].<br> | |||
Uitbreiding in de breedte betekende dat heerlijkheden, heerlijke rechten, tienden en goederen werden verworven door huwelijk of aankoop en dat eerder afgedwaalde domeinbestanddelen werden gerecupereerd. Hoewel het toeval ook een rol speelde, valt in de aankooppolitiek wel een lijn te bespeuren. Favoriet waren gebieden die grensden aan wat men al had. Een voorbeeld hiervan de ambachtsheerlijkheid [[Drimmelen]] die in 1411 van de Hollandse graaf werd aangekocht.<ref>NAG, NDR vóór 1581, inv. nr. 782.908 (oorkonde d.d. 13 juli 1411). Een Hollandse ambachtsheerlijkheid is te vergelijken met een Brabantse heerlijkheid.</ref> [[Drimmelen]] grensde aan twee zijden aan gebieden die al in bezit van de Nassaus waren. Versterking van de positie in Brabant en Luxemburg had eveneens prioriteit. Zo werden in 1417 van een ver familielid Elisabeth van Vianden verworven Vianden met Bütgenbach, Sankt-Vith en Dasburg en de halve heerlijkheid Grimbergen.<ref>NAG, NDR vóór 1581, onder andere inv. nrs. 843.1033, 871.1045, 871.1059 en 872.1065 (diverse oorkonden uit 1415-1417).</ref><br> | |||
Uitbreiding in de diepte hield in dat de meeste hertogelijke lenen in het land van Breda werden verworven. Toen de heer van Breda rond 1198 zijn bezit in en rond [[Breda]] had opgedragen aan hertog [[Hendrik I van Brabant]], had deze dat in leen teruggegeven en daaraan het gezag over een uitgestrekt gebied in het noordwesten van zijn hertogdom toegevoegd.<ref>M. Dillo en G.A.M. van Synghel met medewerking van E.T. van der Vlist eds., Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312. Deel II. De heerlijkheden Breda en Bergen op Zoom. Den Haag, 2000, pp. 122-127, nrs. 924-925.</ref> Van deze uitbreiding werden echter uitgezonderd de leenmannen die de hertog daar al had. Aldus waren enclaves ontstaan in het land van Breda waar de [[heer van Breda]] geen zeggenschap over had.<br>De belangrijkste enclaves lagen in [[Zundert]], [[Princenhage]], [[Sprundel]], [[Roosendaal]], [[Wouw]], [[Nispen]] en [[Baarle]]. Met succes wisten de Nassaus de meeste van deze enclaves te verwerven. Een goed voorbeeld is de heerlijkheid [[Zundert-Hertog]] die [[Jan IV]] in 1464 ruilde tegen Lummen in Limburg. Aangezien Lummen meer waard was dan [[Zundert-Hertog]] moest aan de andere partij, [[Willem van der Marck]] en zijn echtgenote [[Johanna van Schoonhoven]] bijbetaald worden.<ref>NAG, NDR vóór 1581, inv. nr. 107.1876.</ref> Alleen de hertogelijke enclaves in Baarle ontsnapten aan deze consolidatiepolitiek, zodat een groot deel van het dorp [[Baarle]] nu nog steeds tot de Belgische gemeente [[Baarle-Hertog]] behoort. | |||
Herstel van het domein betekende dat men probeerde domeinen die rond 1300 waren losgemaakt van de heerlijkheid Breda terug te winnen. Een voorbeeld hiervan is [[Oosterhout]] met de burcht dat in 1400 na de kinderloze dood van [[Willem van Duivenvoorde]] jr. volgens oude afspraken terugviel. We zagen al dat [[Hendrik van der Lek]] de burcht kort daarna in bezit had, maar later kwam [[Oosterhout]] toch in handen van [[Engelbrecht I]]. Ook een groot deel van de rond 1300 afgedwaalde lage heerlijkheid van Roosendaal werd kort na 1500 aangekocht.<br> | |||
Bemoeienis van rechtbanken zetelend buiten het land van [[Breda]] zoals de schepenbank van Antwerpen en de Soevereine Raad van Brabant in Brussel werd zoveel mogelijk ingeperkt. In de bronnenpublicatie van Cerutti getuigt een groot aantal oorkonden uit de vijftiende eeuw van de conflicten die dat met zich meebracht.<ref>F.F.X. Cerutti, Middeleeuwse rechtsbronnen van stad en heerlijkheid van Breda. Deel II. Utrecht, 1972, passim.</ref> Ook de onder de hertog vallende St. Petersmannen van Leuven werd het leven zuur gemaakt.<ref>A.C.M. Kappelhof, ‘Meisseniers en Sint Petersmannen; hun verhouding tot de heer van Breda’, in: Jaarboek De Oranjeboom, 30 (1977), pp. 83-115. De Sint Petersmannen waren oorspronkelijk onderhorigen van de St. Peterskerk in Leuven. </ref> De [[heer van Breda]] wenste geen pottenkijkers. | |||
=== Tegenvallers: Ravenstein en de Grote Waard === | |||
Niet alle pogingen het domein uit te breiden lukten. Een voorbeeld van een avontuur dat op een mislukking uitliep was Ravenstein.<ref>G.F. van der Ree-Scholtens, De grensgebieden in het noordoosten van Brabant ca. 1200-1795. Assen/Maastricht, 1993, pp. 55-56.</ref> [[Engelbrecht I]] had zwakke rechten op Ravenstein via de moeder van zijn vrouw [[Odilia van Salm]]. De heerlijkheid Ravenstein-Herpen (met Uden) was in 1397 na enig duwen en trekken toegevallen aan de graaf van Kleef. Deze had het gebied als weduwegoed gegeven aan zijn zuster Elisabeth weduwe van de laatste heer [[Reinoud van Valkenburg-Born]]. Toen Elisabeth in 1421 in geldnood zat, verpandde zij alle rechten die zij zou kunnen hebben ''-zo staat het in de oorkonde-'' op Ravenstein aan Engelbrecht en [[Robert van Virneburg]].<ref>NAG, NDR vóór 1581, inv. nr. 792.1122 (oorkonde d.d. 12 maart 1421).</ref> Beide heren waren schoonzoons van Odilia. De hertog van Kleef sloeg onmiddellijk terug en verbood in een brief de bestuurders en bewoners van land anderen als hun heer te erkennen. Hij was hun heer, niemand anders. Zij hadden hem trouw gezworen en daar hield hij hen aan; anders zouden er wellicht moeilijkheden komen.<ref>NAG, NDR vóór 1581, inv. nr. 793.1130 (oorkonde d.d. 10 april 1321).</ref> Elisabeth was helemaal niet bevoegd om haar weduwegoed te verpanden. Zij bezat alleen het vruchtgebruik.<br> | |||
Engelbrecht en Robert waren echter al aan de slag gegaan. Zij versterkten, overigens op kosten van Elisabeth, de [[burcht van Ravenstein]]. Zij legden er een garnizoen in en lieten het bevoorraden. Er werd modern geschut aangeschaft, ‘[[donderbussen]]’ en ‘[[donderkloten]]’ genaamd, naast traditioneel wapentuig zoals 8000 pijlen.<ref>NAG, NDR vóór 1581, inv. nrs. 792.1131 (oorkonde 12 april 1421), 794.1142 (oorkonde 29 juni 1421) en 795 (ongedateerde lijst van meubels en wapentuig, ca. 1421).</ref> Het kwam tot gevechten waarna er arbitrage plaatsvond. Daarover ontstond ook weer ruzie. Partijen wendden zich toen tot de rechter. Engelbrecht en zijn compagnon Robert gingen in beroep bij de Duitse keizer wat aantoont hoe onafhankelijk zij zich konden opstellen tegenover hun leenheer de hertog van Brabant. De keizer verwees de zaak echter terug naar [[Filips de Goede]] als [[hertog van Brabant]] waarna deze in 1444 de knoop doorhakte: Ravenstein werd voorgoed Kleefs, [[Jan IV]] werd schadeloos gesteld met een grote som gelds. Ondanks al deze capriolen heeft dit de verhouding tussen de hertog en zijn leenman de heer van Breda niet geschaad. | |||
Een andere tegenvaller was de ondergang van de Grote Zuid-Hollandse waard als gevolg van de [[St. Elisabethsvloed]] in november 1421 en daarop volgende stormvloeden in combinatie met een burgeroorlog in Holland. De Nassaus hadden daar enkele ambachtsheerlijkheden liggen. Het uit veengrond bestaande gebied veranderde in een binnenzee waar al spoedig volop zalm en andere vis werd gevangen. De Nassaus verpachtten de visgronden, voor zover die aan hen toebehoorden. Deze pacht bracht ieder jaar meer op. Later slibde het gebied, dat de naam van [[Biesbosch]] kreeg, weer op en aan. De Nassaus hadden als ambachtsheer het recht van aanwas. Vis maakte plaats voor vaak vruchtbare kleigrond. Zo verkeerde een ramp in een voordeel. | |||
=== Diest: een voordelige ruil === | |||
In het midden van de vijftiende eeuw stierf het geslacht Van Heinsberg-Loon in mannelijke lijn uit. Er bleven twee vrouwen over waarvan er een, Maria, zoals we al lazen getrouwd was met Jan IV van Nassau en de andere met de hertog van Gulik-Berg. Maria bezat de plaatsen Millen, Gangelt en Waldfeucht, gelegen ten oosten van Sittard even over de grens. Deze drie plaatsen grensden aan Guliks gebied. In 1499 verdeelden de graaf van Nassau en de hertog van Gulik-Berg de buit. Engelbrecht II kreeg van Gulik de stad Diest, met Sichem, Meerhout en Vorst en het erfburggraafschap van Antwerpen, Gulik kreeg Millen, Gangelt en Waldfeucht. Met Diest en het weinig omvattende maar wel prestigieuze erfburggraafschap bouwde [[Engelbrecht II]] zijn positie in Brabant verder uit.<ref>NAG, NDR vóór 1581, inv. nrs. 919-924.</ref><br> | |||
Er werd dus volop gehandeld in onroerend goed en daarbij gingen grote geldbedragen over de toonbank. De laat-middeleeuwse maatschappij was al veel meer dan vaak wordt aangenomen een maatschappij waar veel om geld en invloed draaide. Beide waren wederkerig: geld leidde tot invloed, en invloed leverde geld op. | |||
=== Bastaarden als pionnen === | |||
Buitenechtelijke verhoudingen kwamen in de Middeleeuwen onder de adel veel voor. De uit deze relaties geboren kinderen werden bastaarden genoemd. Zij deelden niet in de erfenis, maar werden vaak wel begiftigd met legaten en behoorden tot de familia van de heer.<br>Bovendien konden de jongens, als zij talent hadden, voor bestuurlijke taken worden ingezet.<ref>A.C.M. Kappelhof, ‘Philips bastaard van der Lek: een avontuurlijk edelman (ca. 1370-1428)’, in: Jaarboek De Oranjeboom, 70 (2017) 191-211. Zie ook academia.edu.</ref> Meisjes werden uitgehuwelijkt aan hoge functionarissen of lagere adellijke heren.<br> | |||
Bij de Nassaus en hun collega’s in Bergen op Zoom, de Glymes, was het niet anders. De al genoemde [[Jan III van Polanen]] was eerst gehuwd met [[Maria van Brabant]], een bastaarddochter van hertog [[Jan III van Brabant]]. [[Jan van Nassau]], een bastaardzoon van [[Jan IV]], werd benoemd tot [[kastelein]] van [[Heusden]]. Deze Hollandse heerlijkheid had [[Jan IV]] in pand gekregen en er moest een kastelein komen als vertegenwoordiger van de heer. Voor dat werk had Jan IV geen tijd, maar geen nood, er was een bastaardzoon beschikbaar. Na zijn dood in 1505 werd bastaard [[Jan van Nassau]] als lid van de familie begraven in de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Breda.<ref>Johan Hendriks, Gerard Otten en Patricia Böschen, Het Breda boek. Zwolle, 2008, p. 100.</ref> Een van Jans achterkleinzoons was Hendrik, de jonker van Nassau genaamd Merwe. Deze werd in 1553 benoemd tot schout van Roosendaal en trad in het huwelijk met een bastaard uit het huis Glymes.<ref>A.W.E. Dek, Genealogie van het vorstenhuis Nassau. Zaltbommel, 1970, pp. 132-138.</ref> Bastaard ging hier met bastaard samen.<br>[[René van Chalons]] kreeg geen kans wettig nageslacht te verwekken maar liet wel een bastaardzoon na, Palamedes genaamd. Deze kreeg in 1546 van de voogden van de nog minderjarige [[Willem van Oranje]] een leenrente van 1.500 pond op de domeinen van Breda.<ref>Dek, Genealogie, 144.</ref> Voor deze mensen werd gezorgd en als het uitkwam werd van hen een wederdienst gevraagd. | |||
=== Bouwactiviteiten === | |||
Grote mannen richten monumenten op voor zich zelf en hun nageslacht. Dat was in de Middeleeuwen niet anders dan nu. Veel van deze objecten behoren nu nog tot onze fraaiste monumenten. Favoriet waren paleizen, kerken, kapellen en grafmonumenten.<ref>Tamse, Nassau en Oranje, pp. 44-45.</ref> [[De heren van Breda]] hebben daar ijverig aan meegedaan. Ze moesten ook wel want hun rivalen deden hetzelfde. [[Jan III van Polanen]] begon in 1362 met de bouw van een grote burcht in Breda met vier hoektorens.<ref>Placidus Pennings ofm cap., ed., ‘Het discours of de kroniek der heeren van Breda’, in: Bijdragen en Mededelingen van het Historisch Genootschap, 65 (1947), p. 364. G.W.C. van Wezel, Het paleis van Hendrik III graaf van Nassau te Breda. Zeist/Zwolle, 1999.</ref> Jan IV voegde een nieuwe vleugel toe die in stijl leek op het nog bestaande markiezenhof in Bergen op Zoom.<ref>Zie voor de stand van zaken rond het onderzoek naar het kasteel van Breda: Guido van den Eynde, ‘Van verf naar bakstenen’, in: Jeroen Grosfeld e.a., ‘… Een thans niet meer bestaande schilderij’ (Breda’s Museum,Breda, 2013) 39-44.</ref><br> | |||
In 1411 begon [[Engelbrecht I]] in Breda met de bouw van een nieuwe gotische kerk die pas in de zestiende eeuw zou worden voltooid en met zijn bijna honderd meter hoge toren nog altijd een sieraad van de stad is.<ref>Zie voor de stand van zaken rond het onderzoek naar het kasteel van Breda: Guido van den Eynde, ‘Van verf naar bakstenen’, in: Jeroen Grosfeld e.a., ‘… Een thans niet meer bestaande schilderij’ (Breda’s Museum,Breda, 2013) 39-44.</ref> Niet precies bekend is wat de Nassaus aan de bouw hebben bijgedragen, maar we mogen gerust aannemen dat dit veel is geweest. In 1449 liet [[Jan IV]] het heilig sacrament van de Nieuwervaart plechtig overbrengen naar de kerk in Breda. Het stadje Nieuwervaart was door de [[St. Elisabethsvloed]] en daarop volgende overstromingen nauwelijks bewoonbaar meer en kon de stroom van pelgrims niet goed meer opvangen. Nu kwamen die pelgrims naar Breda waar ze offerden en zo bijdroegen aan de financiering van de kerkbouw.<ref>Thomas Ernst van Goor, Beschryving, p. 89. Placidus Pennings ofm cap., ‘Geschiedenis der katholieke kerk te Breda’, in: D.Th. Enklaar e.a. red., Geschiedenis van Breda. Deel I, Schiedam, 1977 (ongewijzigde herdruk van de eerste editie uit 1948) , p. 134-135.</ref> | |||
=== Steun aan een religieuze hervormingsbeweging === | |||
[[Jan IV]] en zijn vrouw Maria stonden welwillend tegenover de hervormingsbeweging binnen de kerk die in het midden van de vijftiende eeuw op gang kwam. Een van de door de hervormers voorgestane maatregelen was het herstel van de tucht binnen kloosters. Voor vrouwenkloosters betekende dat een streng slot dat moest voorkomen dat zij contact hadden met mannen en de wereld buiten de muren van het klooster met al zijn verleidingen. Dat merkten de zusters van het norbertinessenklooster Catharinadal in Breda, dat even buiten de middeleeuwse stadsmuur stond en vanouds nauwe banden had met de heren van Breda. Hoewel de zusters wat tegenstribbelden werd de observantie in 1463 doorgevoerd. Voortaan mochten de zusters nadat zij de eeuwige geloften hadden afgelegd het klooster niet meer uit.<ref>Frans Gooskens, ‘Magister Anselmus Fabri van Breda en de stichting van een gasthuis voor oude mannen aan de Haagdijk te Breda in 1455. Deel 3. Het functioneren van zijn netwerk in de regio Breda-Gilze-Zundert vóór en na zijn overlijden in 1449’, in: Jaarboek De Oranjeboom, 64 (2011), pp. 44-51.</ref> | |||
Maria van Loon-Heinsberg stichtte twee vrouwenkloosters, dat van Vredenberch in de Boeimeer even buiten de stad en een klooster voor grauwe zusters in de stad.<ref>Valentijn Paquay, ‘De laatste vrouwe van Breda op Huize Valkenbergh: Maria van Loon-Heinsberg (1502)’, in: Jaarboek De Oranjeboom, 43 (1990), pp. 135-207.</ref> | |||
== III. Van Brabants naar West-Europees == | |||
=== ''Stijging op de ladder'' === | |||
Vanaf [[Engelbrecht II]] gingen de Bredase Nassaus tot de hofadel van de [[Bourgondische vorsten|Bourgondische]] en [[Habsburgse vorsten]] behoren.<ref>Tamse, Nassau en Oranje, pp. 36-44.</ref> Deze opgang werd gemarkeerd door de toelating van Engelbrecht II in 1473 tot de prestigieuze ridderorde van het Gulden Vlies, een eer die zijn vader niet te beurt was gevallen. Wie de keten met het gulden vlies om zijn hals droeg had direct toegang tot de vorst. Daar moesten de vliesridders wel wat voor doen. Engelbrecht en zijn opvolgers werden vaak uitgezonden met bestuurlijke, diplomatieke of militaire opdrachten. Vooral [[Engelbrecht II]] was voortdurend op veldtocht, [[Hendrik III]] deed veel diplomatiek werk voor zijn heer keizer [[Karel V]].<ref>Charles Piot ed., ‘Vlaamsche Kronyk‘ door NN, in : Chroniques de Brabant et de Flandre. Bruxelles, 1879, pp. 256-274.</ref> Dat betekende ook dat zij niet zo vaak meer in Breda resideerden. Het Bourgondisch-Habsburgse rijk dijde steeds meer uit. In 1496 werd [[Engelbrecht II]] aangesteld tot stadhouder van de Nederlanden toen [[Filips de Schone]] naar Duitsland trok. Zij waren lid van wat we een imperial club kunnen noemen, geleid door het hoofd van de dynastie. Familierelaties en persoonlijke banden, liefst met een huwelijk als bindmiddel, speelden hierin een cruciale rol. Op aandringen van keizer [[Karel V]] huwde [[Hendrik III]] in 1524 met [[Mencia de Mendoza y Fonseca]], een telg uit een hoogadellijk Castiliaans geslacht. De keizer zag graag dat de elites uit de verschillende delen van zijn rijk aan elkaar verwant raakten. | |||
=== Strategische huwelijken === | |||
Voordat [[Hendrik III]] met [[Mencia de Mendoza y Fonseca|Mencia]] trouwde had hij al een grote slag geslagen. Zijn tweede huwelijk met [[Claude de Chalon]] in 1515 leverde hem het prinsdom Orange op doordat Claudes broer Philibert kinderloos stierf. De zoon van Hendrik en Claude René mocht zich tooien met de titel ‘bij de gratie Gods prins van Orange’. Het prinsdom was namelijk een onafhankelijk vorstendom dat geen leenband had met de koning van Frankrijk, de Rooms koning of een andere vorst.<br> | |||
Op zijn sterfbed had [[Maximiliaan van Egmond]] in 1548 de wens uitgesproken dat zijn enigst kind, [[Anna van Buren]], zou trouwen met [[Willem van Oranje]]. Drie jaar later werd het huwelijk in Buren (provincie Gelderland) gesloten. Anna was toen waarschijnlijk de rijkste vrouw in de Nederlanden. Haar bezittingen lagen in Zeeland, het Rivierengebied en in Brabant, waar zij de stad Eindhoven en de Baronie van Cranendonk met Maarheeze, Soerendonk, Gastel en Budel bezat.<br>Na twee kinderen gekregen te hebben, Filips Willem en Maria, stierf zij nog maar 25 jaar oud in 1558, haar man radeloos achterlatend.<br>[[Willem van Oranje|Willem]] schreef daarover: | |||
‘Haar dood veroorzaakte bij mij zulk een radeloosheid en onuitsprekelijke smart, dat ik een hevige koortsaanval kreeg gepaard gaande met zenuwtrekkingen.’<ref>Ditzhuyzen, Oranje-Nassau, p. 39.</ref> | |||
=== Bouwactiviteiten === | |||
De bouwactiviteiten werden in deze periode opgevoerd. [[Engelbrecht II]] liet het al door [[Willem van Duivenvoorde]] in Brussel gebouwde hotel afbreken en herbouwen.<ref>Wezel, Paleis Hendrik III, p. 73.</ref> In Mechelen kocht hij een huis dat door zijn opvolger werd verbouwd.<ref>Wezel, Paleis Hendrik III, p. 77.</ref> In 1514-1516 liet [[Hendrik III]] de oude burcht in [[Diest]] slopen en gaf opdracht tot de bouw van een nieuw paleis. Volgens Van Wezel bevat het Italiaans-klassieke elementen<ref>Wezel, Paleis Hendrik III, p. 77-80.</ref> In 1530 gaf [[Hendrik III]] aan de Italiaanse kunstenaar-architect [[Tommaso Vincidor da Bologna]] opdracht tot de bouw van een nieuw paleis in [[Breda]] dat de onconfortabele middeleeuwse burcht moest gaan vervangen. Dit paleis was uitgevoerd in de toen voor de Nederlanden moderne renaissancestijl.<ref>Hendriks, Het Breda boek, p. 115.</ref><br> | |||
Deze bouwwerken waren ook bedoeld om te imponeren. Zij gaven een signaal af aan de bezoeker: kijk eens wat ik mij kan veroorloven, voor mij speelt geld geen rol. De locatiekeuze was veelzeggend. De paleizen in Brussel en Mechelen lagen naast de residentie van de landvoogd. Macht zocht macht op. Het paleis in [[Breda]] stond in de oudste heerlijkheid die de Nassaus in Brabant hadden liggen. Dat zij ook in Diest een nieuw paleis wilden hebben geeft aan dat zij deze heerlijkheid erg belangrijk vonden, belangrijker nog dan Antwerpen waarvan zij burggraaf waren en dat in die tijd het centrum van de Europese internationale handel was. Ze hadden er zonder probleem een huis kunnen kopen en dat kunnen uitbouwen tot een stadspaleis. Deze keuze zegt veel over de oriëntatie van de Nassaus. Zij meden de handel en het daardoor vergaarde kapitaal. Hun voorkeur ging uit naar steden waar de regering zetelde en naar kleine landelijke steden als [[Diest]] en [[Breda]].<br> | |||
Rond 1520 begon [[Hendrik III]] met de bouw van een nieuwe grafkapel in de [[Onze-Lieve-Vrouwekerk]] in Breda. Hij richtte hierin een grafmonument op voor zijn oom [[Engelbrecht II]]. De bouw werd in 1526 voltooid, de decoratie dateert van 1530-1534. Het ontwerp is geïnspireerd door het werk van de Bossche bouwmeesters [[Alart Duhamel]] en [[Jan Heins]].<br> | |||
Kapel en grafmonument hebben de tand des tijds goed doorstaan en zijn een bezoek meer dan waard. | |||
=== Armenzorg === | |||
[[Engelbrecht II]] en zijn opvolgers waren minder dan hun voorgangers betrokken bij de kerk, maar [[Hendrik III]] heeft zich wel ingrijpend bemoeid met de Bredase armenzorg. Vertrekpunt waren de na ca. 1520 opkomende ideeën over een andere aanpak van het pauperisme. Ondersteuning mocht alleen nog gegeven worden aan mensen die te oud, te jong of te ziek waren om nog te kunnen werken.<br>Bedelen werd verboden en de bestaande armenzorgfondsen moesten worden samengevoegd in één instelling die door of vanwege de plaatselijke overheden werden bestuurd.<ref>Joke Spaans, Armenzorg in Friesland 1500-1800. Hilversum/Leeuwarden, 1997, pp. 40-43.</ref> In 1536 voegde Hendrik III de Bredase armenzorgfondsen samen in de Aalmoezenierskamer.<br> | |||
In 1532 stichtte hij een fonds waarvan jaarlijks 100 armen gekleed en gevoed konden worden.<ref>Goor, Beschryving, pp. 481-485 (oorkonde d.d. 6 januari 1532).</ref> De uitverkorenen kregen ieder twee hemden, een tabbaard, een paar hozen, een paar schoenen, een bonnette (een soort hoed), 20 [[stuiver]]s en een roggenbrood van één [[stuiver]]. Daarvoor moesten ze wel op [[Allerheiligenavond]] (31 oktober) biechten en op [[Allerzielen]] (2 november) communiceren. In aanmerking kwamen alleen lieden die oud, gebrekkig en ziek waren en daardoor niet meer de kost konden verdienen. Voor klaplopers en nietsnutten was dit fonds niet bestemd. Bij de begrafenis van [[Hendrik III|Hendrik]] in 1538 liepen deze ‘echte’ armen achter de baar aan. | |||
=== Trouw wordt beloond, ontrouw bestraft === | |||
Anders dan oudere auteurs meenden en nog vaak gedacht wordt, bleef het leenstelsel tot aan de revoluties van het einde van de achttiende eeuw springlevend. Voor alle duidelijkheid: ik bedoel hier het leenstelsel als een verhouding tussen een sterkere leenheer en een zwakkere vazal. De vazal beloofde zijn heer bij te staan in raad en daad. Dat kwam neer op het geven van adviezen en meetrekken ten strijde wanneer de leenheer daar om vroeg. In ruil daarvoor kreeg de vazal bescherming en een leengoed bestaande uit bijvoorbeeld een heerlijkheid of een vaste jaarlijkse uitkering op de vorstelijke domeinen. Het leenstelsel was een sociaal systeem dat mensen aan elkaar bond, over weer verplichtingen schiep en zo de samenleving structuur en vastigheid gaf. Dit werkte veel beter dan velen denken. Daarom bleef het ook langer bestaan.<br> | |||
In de late Middeleeuwen werden het lidmaatschap van een vorstelijke raad en het dienst doen in het leger meestal in een commanderende functie steeds lucratiever. De hoge adel waaronder dus ook de Nassaus verdiende al in de vijftiende eeuw véél meer aan leger en raad dan aan zijn domeinen.<ref>R. van Uytven, ‘De Brabantse adel als politieke en sociale groep tijdens de late Middeleeuwen’, in: J. Verbesselt en anderen, De adel in het hertogdom Brabant . Brussel, 1985, pp. 75-88, in het bijzonder pp. 83-87</ref> Het contract tussen leenheer en leenman had ook een keerzijde: ontrouw werd bestraft aan lijf en goed, de ontrouwe leenman kon ter dood worden veroordeeld, het leen kon in beslag worden genomen door de leenheer. | |||
== IV. Van internationaal naar Noord-Nederlands == | |||
=== Keuze voor de Opstand === | |||
Het ging de dynastie voor de wind, het fortuin leek hen gunstig gezind, maar in 1567 veranderde dat plotsklaps. Willem van Oranje koos voor de Opstand wat betekende dat hij volgens de normen van die tijd zijn leenheer, zijn meester, ontrouw werd. De in 1568 tegen hem door de procureur-generaal van de Raad van Beroerten uitgebrachte aanklacht was daar heel duidelijk over. Op de allereerste plaats werd Willem ervan beschuldigd ontrouw te zijn geweest aan Zijne Majesteit de koning van Spanje. Hij had zich gedragen als de aanstichter en het hoofd van een opstand.<ref>Piot, ‘Vlaamsche Kronyk’, p. 371-372 (tekst van de aanklacht met mogelijk kopiïstenfouten).</ref> Wanneer hij niet voor de rechtbank verscheen zouden zijn leengoederen verbeurd worden verklaard. Willem was op tijd gevlucht, want zijn standgenoten de graven van Egmond en Hoorne, die van hetzelfde werden beschuldigd, werden op 5 juni 1568 op de markt van Brussel onthoofd.<br> | |||
Ik ga ervan uit dat de lezer de voornaamste feiten van de Opstand kent zodat ik mij verder kan beperken tot de minder vaak gesignaleerde gevolgen voor Brabant. De Opstand verliep aanvankelijk niet gunstig; in 1575 waren alleen nog Zeeland, Friesland en het grootste deel van Holland in handen van de ‘rebellen’, zoals de koningsgezinden hen noemden. Toen Willem in 1584 in een voormalig klooster in Delft, waar hij zijn intrek had genomen, werd vermoord door een agent van koning Filips II was het Huis Oranje-Nassau bankroet.<ref>Pieter Scherft, Het sterfhuis van Willem van Oranje. Leiden, 1966.</ref> Bijna al zijn domeinen waren in Spaanse handen, Breda had een Spaans garnizoen, het omringende platteland was door de oorlog die toen al 12 jaar woedde totaal verwoest en de Brabantse economie was ingestort. Willem liet negen ten dele nog niet uitgehuwelijkte dochters en drie zoons na. De oudste zoon, Filips Willem, verbleef in gevangenschap in Spanje, de tweede zoon Maurits was 17 jaar oud en de jongste Frederik Hendrik lag nog in de wieg. Pas in 1609 werden de erfgenamen het eens over de verdeling van erfenis. | |||
=== Geen katholieke tak === | |||
De deling van de erfenis was alleen al gecompliceerd doordat de oudste zoon Filips Willem , die vernoemd was naar zijn peetroom Filips II, in Spanje verbleef en katholiek was opgevoed. Hij had samen met zijn zuster Maria recht op de Brabantse bezittingen en die waren ook aan hem toebedeeld in het testament dat zijn vader kort vóór zijn dood had opgesteld.<ref>Scherft, Sterfhuis, pp. 1-2 en 15-21.</ref> In 1596 keerde Filips Willem terug naar de Nederlanden om daar in 1608 te worden ingehuldigd als heer van Breda. Op aandringen van de Franse koning Hendrik IV trouwde hij met een nicht van deze vorst, maar het huwelijk bleef kinderloos. In 1618 stierf Filips Willem, korte tijd later gevolgd door zijn nog zeer jonge echtgenote. Hij werd begraven voor het hoofdaltaar van de St. Sulpiciuskerk in Diest. Bij testament had hij al zijn bezittingen vermaakt aan zijn oudste halfbroer Maurits. Er ontstond dus geen katholieke tak van het Huis Oranje-Nassau. Als Filips Willem nageslacht had gehad was dat wel gebeurd en dit zou voor politieke complicaties hebben gezorgd. | |||
In de zeventiende eeuw was er nog een katholieke tak in het Huis Nassau, te weten de van Jan VI de oude afstammende tak Nassau-Siegen. Deze probeerde onder meer in 1625 zonder veel succes Breda in bezit te krijgen.<ref>Ada Peele, Een uitzonderlijke erfgenaam. De verdeling van de nalatenschap van Koning-Stadhouder Willem III en een consequentie daarvan: Pruisisch heerlijk gezag in Hooge en Lage Zwaluwe, 1702-1754. (Hilversum, 2013) p. 83.</ref> | |||
=== Van Brabant naar Noord-Nederland === | |||
Prins Maurits stierf op zijn beurt in 1625 zonder ooit gehuwd te zijn geweest. Hij werd opgevolgd door zijn halfbroer Frederik Hendrik, waarmee de meeste bezittingen van Willem van Oranje weer in één hand kwamen. Maurits en Frederik Hendrik waren beide uitstekende veldheren en goede bestuurders.<ref>Ada Peele, Een uitzonderlijke erfgenaam. De verdeling van de nalatenschap van Koning-Stadhouder Willem III en een consequentie daarvan: Pruisisch heerlijk gezag in Hooge en Lage Zwaluwe, 1702-1754. (Hilversum, 2013) p. 83.</ref> Frederik Hendrik was daarenboven ook nog een goed diplomaat en in staat om mensen voor zich te winnen. Zijn vrouw Amalia van Solms-Braunfels ontpopte zich, ook na Frederiks dood in 1647, als een daadkrachtige en ambitieuze vrouw die zich de kaas niet van het Hollandse brood liet eten. | |||
In 1647 was de positie van het Huis in de Republiek bijzonder sterk geworden. Formeel waren zij als stadhouder dienaren van het hoogste bestuurscollege, de Staten-Generaal, maar feitelijk was Frederik Hendrik de dirigent van het orkest geworden. In 1637 verleende de Franse koning Lodewijk XIII aan Frederik Hendrik de titel van Son Altesse, in het Nederlands Zijne Hoogheid.<ref>J.J. Poelhekke, Frederik Hendrik Prins van Oranje. Een biografisch drieluik. Zutphen, 1978, pp. 475-481.</ref> Om zijn prestige te vergroten liet Frederik Hendrik nieuwe paleizen bouwen, maar deze stonden niet meer in Brabant, maar lagen rond Den Haag: Honselersdijk in het Westland en Nieuwburch onder Rijswijk terwijl Amalia van Solms daar nog de Oranjezaal aan toevoegde, het tegenwoordige Huis Ten Bosch, thans het privéverblijf van koning Willem-Alexander. In Den Haag zelf was er het Oude Hof (thans paleis Noordeinde) en het stadhouderlijk kwartier, de zuidwestelijke hoek van het Binnenhof. De zoon van Frederik Hendrik, Willem II voegde het jachtslot Dieren in Gelderland toe, diens zoon Willem III liet paleis het Loo bouwen bij Apeldoorn ook in Gelderland. Beide jachtsloten en bijbehorende uitgestrekte jachtgebieden lagen op de Veluwe, niet in Brabant.<br> | |||
Met de dood van Filips Willem in 1618 werd de band van het Huis met Brabant een louter zakelijke. De Oranjes resideerden niet meer in Brabant. Alleen Amalia van Solms werd na de dood van haar man vrouwe van Turnhout en resideerde daar op het kasteel.<ref>Harry de Kok, ‘Amalia van Solms en Turnhout’, in: Jaarboek Oranje-Nassau, 2008, pp. 31-48.</ref><br>Symptomatisch voor deze accentverschuiving was dat het paleis in Diest niet werd afgebouwd en dat het paleis in Brussel in 1750 werd verkocht aan de landvoogd Karel van Lotharingen. De Van Polanens en de Bredase Nassaus tot en met René van Chalons werden begraven in de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Breda, maar Willem van Oranje en zijn opvolgers, op Filips Willem na, liggen begraven in de Nieuwe Kerk in Delft. | |||
=== Brabant Oranjeland === | |||
Hoewel de leden van de dynastie weinig meer in Brabant kwamen, bleef dit gebied voor hen wel van belang. In 1686 gaf stadhouder Willem III opdracht het paleis in Breda te voltooien. Het werd goed onderhouden zodat het altijd, als dat moest, de prins en zijn hofhouding kon ontvangen. Een belangrijk deel van de domeinen van het Huis lag in Staats-Brabant. In het oosten bezaten zij Grave en het land van Cuijk, Eindhoven en omgeving en de baronie van Cranendonk. Ten westen van de Donge bezaten zij een uitgestrekt aaneengesloten territoor met als kern de baronie van Breda, Steenbergen en Willemstad en aan de Hollandse kant van de grens Zevenbergen, Klundert, de Zwaluwen, Made, Drimmelen en Geertruidenberg. Het huidige West-Brabant was een echt oranjeland.<ref>A.C.M. Kappelhof, ‘Het fortuin van de Oranjes. De betekenis van de West-Brabantse domeinen voor het huis Oranje-Nassau tijdens de Republiek’, in: Jaarboek De Oranjeboom, 57 (2004), pp. 132-145.</ref> De greep van het Huis op dit gebied was bijzonder sterk. Feitelijk kon niemand hier ook maar iets ondernemen zonder voorafgaande toestemming van de prins of zijn raad, de in Den Haag op het Binnenhof zetelende Nassause Domeinraad. De opbrengst van de hier gelegen domeinen was aanzienlijk en vormde een solide basis voor het Huis. De inkomsten uit politieke ambten zoals dat van stadhouder of kapitein-generaal waren immers afhankelijk van het politieke fortuin dat zoals altijd grillig en onzeker was. West-Brabant was het centrum van de Hausmacht van het Huis Oranje-Nassau. | |||
== V. Conclusie: de Oranjes als overlevers == | |||
[[Johanna van Polanen]], het enigst kind van [[Jan III van Polanen]] heer van der Lek en Breda, werd vermoedelijk uitgehuwelijkt aan graaf [[Engelbrecht van Nassau]] omdat hij een buitenstaander was. Engelbrecht bleek politiek talent te hebben. In de vijftiende eeuw waren de Bredase Nassaus eerst en vooral hoge Brabantse edelen. Engelbrecht deed volop mee met de intriges aan het Brabantse hof en slaagde erin steeds op tijd van partij te wisselen. Bij zijn dood in 1442 was de Duitser een Brabander geworden.<br>Vanaf 1473 gingen de Bredase Nassaus behoren tot de West-Europees georiënteerde hofadel van de Habsburgers. In het kielzog van hun toenemende macht nam ook hun rijkdom toe. Strategische huwelijken speelden daarbij een cruciale rol. Macht moest zichtbaar zijn en dus lieten de Nassaus aan iedereen zien hoe rijk zij waren; aan andere rivaliserende edelen, aan de reiziger en aan het volk. Her en der verrezen paleizen, de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Breda werd herbouwd in de nieuwe stijl van de Brabantse gothiek, in deze kerk richtten zij voor zich zelf schitterende grafmonumenten op. In hun stad Breda waren zij bestuurlijk actief. In de zestiende eeuw entameerde graaf Hendrik III een nieuwe meer rationele sociale politiek; tegelijkertijd volgde hij het voorbeeld van zijn voorouders door aan goede werken te doen.<br> | |||
Een keerpunt is het jaar 1567: [[Willem van Oranje]] kwam toen in opstand tegen zijn heer. Dit was een avontuur dat naar wij achteraf kunnen zeggen goed afliep, maar Willem zal zich wel eens afgevraagd hebben waar hij aan begonnen was. In de nieuwe staat die uit de Opstand ontstond, de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën, bekleedden de afstammelingen van Willem van Oranje een aparte positie, die ondanks tegenslagen, in de loop van de zeventiende en achttiende eeuw steeds sterker werd. Vanaf 1747 waren zij erfelijk stadhouder van alle gewesten én van de generaliteitslanden, en opperbevelhebber van leger en vloot. Het enige wat nog ontbrak was de koningstitel. Die zouden ze in 1815 na een nieuwe eclips, de [[Franse Revolutie]], krijgen.<br> | |||
Van de grote dynastieën die schitterden aan het hof van keizer Karel V, de Aarschots, de Lalaings, de Egmonds, de Hoornes, is niets meer over. De Oranjes hebben het allemaal overleefd, doordat zij zich steeds op tijd aanpasten aan nieuwe omstandigheden. Meer-malen zag het er voor hen slecht uit, zoals in 1650, toen Willem II onverwacht stierf en alleen een posthuum geboren zoon naliet, in 1702 toen deze zoon kinderloos overleed en er een langdurig conflict over de erfenis ontstond, in 1711 toen Johan Willem Friso van Nassau-Dietz verdronk toen hij op weg van Brabant naar Holland bij de [[Moerdijk]] het [[Hollands Diep]] overstak en alweer een posthuum geboren zoon naliet, in 1795 toen de Bataafse Revolutie Willem V dwong te vluchten naar Engeland en alle bezittingen werden geconfisqueerd en in 1890 toen de populariteit van het Huis Oranje-Nassau na de dood van koning [[Willem III]] een dieptepunt bereikt had.<br> | |||
Talent maar ook geluk hielpen hen de positie te krijgen die zij nu nog hebben. Ze zochten steeds het centrum van de macht: in 1403 verhuisde Engelbrecht van Nassau-Dillenburg van Münster naar Breda waar hem een rijke erfdochter opwachtte, in de zestiende eeuw resideerden zij in Brussel en Mechelen, vanaf 1584 vestigden zij zich in Den Haag, het centrum van de politieke macht van de opkomende Republiek. In en rond Den Haag verrezen vier paleizen. Twee daarvan zijn nog steeds in gebruik: het paleis Noordeinde als werkpaleis voor het staatshoofd koning [[Willem Alexander]] en het [[Huis Ten Bosch]] als privéwoning voor de koning, [[koningin Maxima]] en hun drie kinderen. | |||
{{clr}} | {{clr}} | ||
<br><br> | |||
Door: Ton Kappelhof<br> | |||
Den Haag, Nederland, juli 2020 | |||
<br><br> | <br><br> | ||
{{Appendix|2= | {{Appendix|2= | ||
| Regel 57: | Regel 143: | ||
<br><br> | <br><br> | ||
[[Bestand:Header-01.jpg|800px|alt=raamsdonkshistorie.nl|center|thumb|[https://raamsdonkshistorie.nl raamsdonkshistorie.nl]]] | [[Bestand:Header-01.jpg|800px|alt=raamsdonkshistorie.nl|center|thumb|[https://raamsdonkshistorie.nl raamsdonkshistorie.nl]]] | ||
[[Huis Oranje-Nassau]] | |||
Huidige versie van 22 aug 2026 09:33
Inleiding
Het was een goed idee van de organisatoren van het 47ste Kempisch congres om te kiezen voor de adel in de Kempen. [1] Over dit onderwerp zijn namelijk nog maar weinig synthetische studies verschenen, wel zijn er veel boeken en artikelen geschreven over bepaalde kastelen en geslachten.
Wat echter ontbreekt is de synthese. Zo missen we node een studie over de lage adel in de Meierij van 's-Hertogenbosch of over het gegeven dat de lage adel in het noordwesten van het hertogdom Brabant al in de dertiende eeuw aan het verdwijnen is.
Dit artikel gaat over een bijzonder adellijk geslacht dat zijn stamslot had in het noordwesten van de Kempen, de Nassaus, later het Huis Oranje-Nassau. Bij het horen van de namen koning Willem-Alexander en prinses Beatrix zal niet iedereen meteen denken aan adel in de de Kempen. Toch draagt het Nederlandse staatshoofd als een van haar titels die van baron van Breda. Hij stamt immers af van Engelbrecht I van Nassau die op 1 augustus 1403 trouwde met Johanna van Polanen en daarmee heer van Breda werd.
Een Duitse man van ongeveer 33 jaar trouwde met een meisje van 11. Het was een huwelijk met grote gevolgen tot de dag van vandaag toe.
Twee vragen
In dit artikel wil antwoord geven op twee vragen:
- Wat heeft dit geslacht voor Brabant en meer nog de Kempen in de loop der tijd betekend?
- Hoe en waardoor veranderde hun oriëntatie: eerst van Duits naar Brabants, toen naar West-Europees en tenslotte naar Noord-Nederlands?
Het betoog vangt aan in 1403 wanneer Engelbrecht van Nassau-Dillenburg trouwt met Johanna van Polanen en daarmee heer van Breda wordt. Ik besteed wat meer aandacht aan de periode tot 1567 toen Willem van Oranje naar Duitsland vluchtte omdat de hertog van Alva er aan kwam en Willem hem, naar al spoedig zou blijken terecht, niet vertrouwde.
I. Het begin: een huwelijk tussen een meisje van 11 en een man van 33
Waarom koos men voor Engelbrecht?
‘Hy trouwde eene Welgeboren Frouw met gedogen Een eenige erfdochter, ryck ende seer vermogen’ [2]
Op 1 augustus 1403 trouwde de in 1394 geboren Johanna van Polanen, het enigst kind van Jan III van Polanen heer van Breda en van der Lek met de rond 1370 geboren Engelbrecht graaf van Nassau-Dillenburg. [3] Of zoals een oude kroniek geschreven door een anonieme waarschijnlijk uit Breda afkomstige schrijver vermeldt:
‘Anno M IIIJ/c III op sinte Peeters dach ad Vincula, quam grave Enghelbert van Nassouwen int lant ende besliep joncfrouwe Johanna […] opt selven nacht.’ [4]
Een vorst uit Midden-Duitsland betrad daarmee het Brabantse politieke toneel. We mogen voetstoots aannemen dat Johanna geen enkele zeggenschap had over de keuze van haar man. Het waren haar moeder Odilia van Salm (= Obersalm in de Elzas) en haar oom Hendrik van der Lek die beslisten aan wie zij zou worden uitgehuwelijkt. De keuze voor een Midden-Duitse vorst, die weliswaar uit een oud en edel geslacht stamde, maar die geen bezittingen had in Brabant lag niet voor de hand. Wat heeft Odilia en Hendrik ertoe bewogen voor deze toen al ongeveer 33-jarige man te kiezen? Engelbrecht bekleedde al een functie, namelijk die van domproost van Münster. Het Duitse dialect dat hij sprak week sterk af van het Brabants. De nieuwe heer van Breda zal aanvankelijk moeilijk te verstaan zijn geweest. Het geslacht Nassau wordt in de bronnen voor het eerst vermeld kort voor 1100. De graven uit dit adellijke geslacht hadden bezittingen aan weerszijden van de rivier de Lahn. Hoewel oud en aanzienlijk, behoorden zij in 1403 nog niet tot de rijksvorstenstand omdat zij hun goederen niet rechtstreeks in leen hielden van de keizer. [5] In de Nederlanden hadden zij geen goederen of functies, alleen slapende rechten op Vianden in Luxemburg en Grimbergen in Brabant. Johanna van Polanen daarentegen had heel wat te bieden. Het meisje was rijk. Haar bezittingen lagen in twee vorstendommen, Brabant en Holland. De kern ervan, de heerlijkheid Breda omvatte de gelijknamige stad, het land van Breda met 12 parochies, en een gebied dat samen met de heer van Bergen op Zoom werd bezeten met daarin onder meer de zoutstad Steenbergen. [6] De nieuwe heer van Breda zou vrijwel zeker lid worden van de hertogelijke raad en zo politieke invloed krijgen.
Wie wordt hertog van Brabant?
Politiek gezien stond er in Brabant in 1403 veel op het spel. De hoogbejaarde hertogin Johanna, geboren in 1322, was de laatste telg uit het geslacht Van Leuven dat afstamde van Karel de Grote. Wie zou na haar dood hertog van Lotharingen, Brabant en Limburg worden? Er waren twee kandidaten: de Duitse koning en de hertog van Bourgondië. Daarnaast was er een derde speler om wie geen der kandidaten heen kon: de Staten van Brabant. [7]
De Bourgondische hertog Filips de Stoute (1332-1404) had in 1403 reeds een groot aantal gebieden in Frankrijk en de Nederlanden in handen, maar dat weerhield hem er niet van te streven naar nog meer bezit. Brabant was als rijk en uitgestrekt vorstendom met zijn bloeiende steden en een talrijke adel begerenswaardig. Het grensde bovendien aan Vlaanderen dat Filips via zijn vrouw Margaretha, een nicht van Johanna van Brabant, al had. Johanna was weduwe van de hertog van Luxemburg, Wenceslas van Luxemburg. Wellicht dacht de sluwe en berekenende politicus Filips, een jongere zoon van de Franse koning Jan II, die niet voor niets de bijnaam le hardi (ondernemend, brutaal) droeg, al aan Luxemburg, en aan een verbinding van zijn zuidelijke en noordelijke gebieden, iets wat zijn achterkleinzoon Karel in zijn overmoed tevergeefs zou trachten te verwezenlijken.
Wenceslas, een neef van Wenceslas de hertog van Brabant, was in 1378 zijn vader Karel IV opgevolgd als rooms-koning van het Duitse Rijk en als koning van Bohemen. Als hoofd van de dynastie wilde hij de Luxemburgse Hausmacht in stand houden, maar dat viel niet mee. Weliswaar was in 1357 in Maastricht afgesproken dat mocht het geslacht Van Leuven uitsterven, de Brabantse erfenis zou toevallen aan het Luxemburgse huis, maar politiek gezien stond Wenceslas zwak. Als koning had hij weinig macht, alle rijksdomeinen waren weggegeven aan vazallen en de Duitse vorsten gingen hun eigen weg. In 1400 werd Wenceslas, waarvan de kronieken ons berichten dat hij een drankprobleem had, door deze vorsten wegens wanbeheer en wangedrag als rooms koning afgezet. Zijn opvolger kwam uit een ander geslacht. De hertog van Bourgondië kon het zich veroorloven om met jaarrentes leden van de Brabantse hertogelijke raad om te kopen opdat zij als het er op aan kwam zijn partij konden kiezen. Wenceslas was zo rijk niet. Uit geldnood moest hij zelfs zijn stamhertogdom Luxemburg verpanden.
De Staten van Brabant wilden, zoals al gebleken was tijdens de crisis van 1355-1356, de eenheid van het hertogdom behouden. Zij waren tegen een verdeling van de erfenis. Het leifste hadden zij een hertog zonder grootse wilde ideeën, want dat leidde alleen maar tot oorlog met in het kielzog daarvan schade voor de handel en de export, hogere belastingen en een aantasting van het hertogelijk domein wat vroeg of laat ook weer zou leiden tot hogere belastingen.
Partijen werden het eens in 1403-1404. Filips de Stoute gaf Antwerpen en Mechelen terug aan Brabant en schoof zijn tweede zoon Anton naar voren. De oudste zoon, Jan zonder Vrees, zou Vlaanderen krijgen, Anton zou hertog worden van Lotharingen, Brabant en Limburg en heer van Mechelen en de landen van Overmaze. De titel van hertog van Lotharingen hield geen politieke macht in, maar gaf wel veel prestige. De belangrijkste landen van Overmaze waren Valkenburg, Dalhem en Herzogenrath (toen meestal Rode of Rade genaamd). [8] Verder was de hertog voor de helft heer van de belangrijke stad Maastricht en graaf van Vroenhoven, een klein gebied ten zuidwesten van de stad. Met deze regeling behielden Brabant en Limburg hun eigen hertog.
Holland
De oude graaf van Holland, Zeeland en West-Friesland Albrecht van Beieren, die in 1404 overleed, had ook belang bij de keuze van een man voor Johanna. Deze zou immers een van zijn belangrijkste leenmannen worden.[9] De burcht van Polanen lag in het Westland bij Monster. Van Polanen hingen talrijke lenen verspreid over heel zuidelijk Holland af. De nieuwkomer zou ook heer van de heerlijkheid van de Lek worden. Deze bestreek het gebied aan weerszijden van deze visrijke rivier tussen Schoonhoven en Krimpen. De Van Polanens waren lid van de grafelijke raad.
Rond 1350 had er in Holland een hevige burgeroorlog gewoed tussen twee groepen van edelen met hun aanhang: de Hoeken en de Kabeljauwen. Nadat Albrecht zijn krankzinnige broer Willem V als ruwaard (= regent) was opgevolgd keerde de rust weer, maar de vete smeulde ondergronds voort en af en toe braken er weer brandjes uit. De Polanens, die stamden uit een van de oudste adellijke geslachten van Holland, de Van Wassenaars, behoorden tot de factie van de Hoeken. Enkele Hollandse lenen zoals Nieuwervaart (tegenwoordig Klundert genaamd) en Geertruidenberg grensden aan het land van Breda.
De graaf van Holland had nauwe banden banden met Bourgondië. Na bemiddeling van hertogin Johanna van Brabant was er in 1385 een dubbelhuwelijk gesloten: de oudste zoon van de graaf was getrouwd met een dochter van Filips, diens zoon Jan zonder Vrees was uitgehuwelijkt aan een dochter van Albrecht.
Keuze voor een buitenstaander?
Engelbrecht van Nassau had één troef in handen die de vorsten van Holland en Brabant goed van pas kwam. Als leenman van beide had hij entrée aan de vorstenhoven in Den Haag en Brussel en hij kon voor diplomatieke doeleinden worden ingezet.[10] Ik vermoed dat er nog een reden was om voor Engelbrecht te kiezen. Hij was een buitenstaander, een grote onbekende, geen Hoek of Kabeljauw, geen Bourgondiër, geen volgeling van de keizer, maar wel een man uit een oud en adellijk geslacht, waar je altijd mee voor de dag kon komen.
Hendrik van der Lek: een man met ambities
Jan III van Polanen had in zijn testament van 1394 zijn broer Hendrik van der Lek benoemd tot voogd.[11] Na Jans dood kwamen Odilia en Hendrik met elkaar in aanvaring. Het conflict ging over geld en juwelen en de douarie van Odilia. Als weduwe van een hoogadellijk heer had zij, zolang zij niet hertrouwde, recht op een weduwegoed. Het conflict werd tenslotte bijgelegd middels arbitrage. Opvallend is dat de drie scheidslieden Hollandse edelen waren nadat de te hulp geroepen schepenen van Breda er niet uit waren gekomen. In 1394 had Odilia er nog een oude vriend, de bisschop van Utrecht Frederik van Blankenheim bijgehaald, maar dit had niet het door Odilia beoogde resultaat.[12]
Al met al lijkt het erop dat Hendrik op de erfenis van Johanna van Polanen aasde. Zij was nog maar een kind en kon toch overlijden? Heer Hendrik was dan de eerste die in aanmerking kwam om op te volgen. Het was blijkbaar nodig dat de oude hertogin Johanna eraan te pas kwam. In 1403 en nogmaals in 1404 bekrachtigde zij het tussen Johanna van Polanen en Engelbrecht van Nassau gesloten huwelijkscontract.[13] In datzelfde jaar 1403 verschenen Johanna en Engelbrecht persoonlijk voor hun leenvrouwe. Hendrik van der Lek was een van de getuigen. Het echtpaar verklaarde toen dat aan Engelbrecht een weduwnaarsgoed was toegewezen, te weten de helft van de inkomsten uit Steenbergen, Oudenbosch en enige daaromheen gelegen dorpen.[14] Met deze bekrachtiging gaf hertogin Johanna een signaal af: ik wil, hoe oud ook, dat dit doorgaat. Het huwelijkscontract, dat gezien het belang van de zaak op schrift moet zijn gesteld, is overigens onvindbaar. De opvolger van hertogin Johanna, Anton van Bourgondië, bekrachtigde in 1407 nogmaals de huwelijksovereenkomst.[15]
Een vreemde rechtshandeling
Het rommelde nog even door. Op 26 maart 1405 werd op de burcht in Breda in aanwezigheid van hertogin Johanna en vier Brabantse leenmannen een overeenkomst gesloten tussen Engelbrecht en Johanna enerzijds en Hendrik van der Lek anderzijds. Aan Hendrik werd toen beloofd dat hij, als Johanna kinderloos zou overlijden, voor 100.000 pond oude groten de heerlijkheid Breda in pand zou krijgen. Enkele weken later, op 12 april 1405, ontsloeg Hendrik Engelbrecht en Johanna van deze verplichting. Er staat niet bij waarom hij dit deed.[16]
Als we ervan uit gaan dat men met een pond een hoeveelheid van 240 heeft bedoeld, dan komt dit neer op 24 miljoen oude groten.[17] Dit geeft nog eens aan welke enorme waarde de heerlijkheid Breda toen had. Dat was wel een intrige waard. De groot was een zilveren munt die oorspronkelijk, in de late dertiende eeuw, gelijk was aan 12 penningen. Door de vanaf ca. 1290 sterk toenemende muntontwaarding kreeg de oude groot, zoals hij al spoedig genoemd werd, een veel hogere waarde in penningen. Vanaf 1307 kwam daarom in oorkonden waarin vaste, periodieke verplichtingen werden vastgelegd de clausule voor dat er voor 1 oude groot 16 en geen 12 penningen nodig waren. Deze clausule verdween weer in 1340.[18] De groot werd ook daarna steeds minder waard met als gevolg dat de koers van de oude groot steeds hoger werd. Hoewel de transactie niet doorging, vond men ook in later tijd de oorkonde dermate belangrijk dat hij werd bewaard en zich nog steeds in originali bevindt in het archief van de Nassause Domeinraad.
Het ging dus niet vanzelf, er was iets wat schuurde. Was dat soms Hendrik van der Lek?[19] In 1403 heeft Hendrik de strategisch gelegen, belangrijke burcht van Oosterhout in bezit en hij had daar zelfs een garnizoen in gelegd. Hij belooft dan dat het slot na zijn dood weer terug zou vallen aan Johanna van Polanen en haar erfgenamen.[20] Maar in 1406 woont Hendrik nog op de burcht van Oosterhout.[21] Hij blijft intensief betrokken bij de Brabantse èn de Hollandse politiek. In 1391 verpandde hertogin Johanna van Brabant het dorp Moergestel aan hem, in 1398 gevolgd door Schijndel. Hendrik maakt ruzie met de heren van Bergen op Zoom en Zevenbergen. In 1425 vertrouwt hertog Jan IV van Brabant aan hem het bewind toe over Brabant wanneer hij vertrekt naar Holland om dat namens zijn Jans vrouw Jacoba van Beieren in bezit te nemen. Hij schiet de hertogen van Brabant herhaaldelijk geld voor en dat zal niet voor niets gegaan zijn. Tussen 23 november 1428 en 9 februari 1430 is hij overleden.[22]
II. De Nassaus als Brabantse edelen
Lijn van de dynastie
Engelbrechts huwelijk met Johanna was rijk aan kinderen. Na zijn dood in 1442 werd hij opgevolgd door zijn oudste zoon Jan IV.
Deze huwde met Maria van Loon-Heinsberg, een telg uit een roemrijk en oud adellijk geslacht uit het gebied tussen Maas en Rijn dat vanaf het midden van de dertiende eeuw intense betrekkingen onderhield met de hertogen van Brabant. Een van de laatste mannelijke leden uit dit geslacht was bisschop van Luik. Na Jans dood in 1475 werd de erfenis gedeeld. De ene zoon Jan V kreeg de Nassause gebieden ten oosten van de Rijn, de andere Engelbrecht II de bezittingen in de Nederlanden waaronder Breda.
Engelbrecht trouwde met Cymburga van Baden, stammend uit een Zuid-Duits vorstelijk geslacht. Toen Engelbrecht in 1504 kinderloos stierf werd hij opgevolgd door een zoon van Jan V, graaf Hendrik III van Nassau. Deze sloot drie huwelijk waaronder het tweede met Claude de Chalons waarover verder meer. Hendrik werd opgevolgd door zijn enige zoon René van Chalons. Deze sneuvelde in de strijd in 1544 zonder uit zijn huwelijk met Anna van Lotharingen nageslacht na te laten. Met de onfortuinlijke René stierf de tak Nassau-Breda uit. Zoals afgesproken verviel de hele erfenis aan een neef, Willem, een zoon van Willem de Rijke en Juliana van Stolberg. Dit werd de latere Willem van Oranje, in oudere bronnen aangeduid als de Vader des Vaderlands en destijds ook wel bijgenaamd de Zwijger.
Intriges aan het Brabantse hof
Engelbrecht I draaide spoedig volop mee in het Brabantse politieke leven.[23] Hij werd al snel lid van de hertogelijke raad, maar moest daar weer uit omdat de Staten van Brabant bezwaar maakten tegen een nietgeboren Brabander. Geen nood, zijn baas hertog Anton gaf hem ander werk. Anton had, nadat zijn eerste vrouw in 1407 gestorven was, een oogje laten vallen op de zeventienjarige Elisabeth van Görlitz, een kleindochter van keizer Karel IV. Dit kon de nog steeds levende aanspraken van de Luxemburgers op Brabant wellicht versterken terwijl hertog Anton interesse had in het hertogdom Luxemburg. Anton zond Engelbrecht naar koning Wenceslas in Praag om te onderhandelen over een huwelijk. Dat kwam er in 1409. In 1411 kreeg Elisabeth het hertogdom Luxemburg toegewezen. Toen Anton probeerde deze nieuwe aanwinst in bezit te nemen stuitte hij op heftig verzet van de Luxemburgse adel die achter de schermen werd opgestookt door de factie aan het Franse hof die al decennia overhoop lag met de factie rond de Bourgondische hertog. Anton mocht dan hertog van Brabant zijn, maar op de eerste plaats was hij als hertog van Bourgondië een Franse vorst en dus betrokken bij Franse intriges. En dat waren er heel wat, want koning Karel VI was wegens bij vlagen optredende krankzinnigheid niet tot regeren in staat. Twee groepen edelen streden om de voogdij over de handelingsonbekwame vorst. De ene groep werd aangevoerd door de hertog van Bourgondië, de andere door Lodewijk van Orléans. Het kwam tot moord en doodslag. Als gevolg van al deze Franse perikelen sneuvelde Anton in 1415 bij Azincourt in een veldslag tegen de Engelsen.
Hij werd opgevolgd door de nog jonge Jan IV (1415-1427) die zich al spoedig ontpopte als volstrekt incompetent. En weer werd er een strategisch huwelijk beraamd, dit maal tussen de jonge hertog en zijn volle nicht Jacoba van Beieren het enigst kind van graaf Willem VI van Holland. Engelbrecht was hier nauw bij betrokken en het huwelijk kwam er. Er leek een nieuw conglomeraat te ontstaan van Holland-Zeeland-Henegouwen-Brabant en Limburg. Dit betekende een serieuze bedreiging voor de positie van Jan zonder Vrees in de Nederlanden, en dus intrigeerden hij en zijn zoon en opvolger Filips de Goede uit alle macht.
In 1418 kwam het tot een heuse crisis: Jan IV verpatste in twee verdragen de Hollandse bezittingen van zijn jonge vrouw aan haar oom Jan van Beieren, waarop zij haar man verliet. Jan kwam daarna in conflict met de Staten van Brabant omdat hij te veel geld uitgaf en zich omringde met een kliek van op geld en macht beluste edelen. Engelbrecht koos de partij van de Staten, een goede keuze want de Staten wonnen en hertog Jan werd in 1421 onder curatele gesteld.
Na de kinderloze dood van Jan IV in 1427 en zijn broer Filips van St. Pol in 1430 kon de kleinzoon van Filips de Stoute, hertog Filips de Goede na enige onbetekenende concessies aan de Staten van Brabant Brabant en Limburg aan zijn domein toevoegen. Bij al deze verwikkelingen was Engelbrecht betrokken, hij was lid van de hertogelijke raad en zegelde als getuige heel wat oorkonden mee. Oom Hendrik van der Lek vertoefde daar trouwens ook geregeld en zegelde ook talrijke oorkonden.
Een vroom sterfbed
Na 1430 trad de ouder wordende Engelbrecht op de achtergrond. Zijn in 1442 opgemaakt testament doet hem uitkomen als een vroom man die vele legaten schenkt aan goede doelen en een dagelijkse mis sticht voor zijn zieleheil.[24] De notaris voor wie het testament wordt verleden kondigt aan dat de illustris et magnificus domicellus Engelbertus comes de Nassouw et Vyanden dominusque temporalis de Grymberghen, Lecka et Breda’ in zijn laatste ziekbed ligt. Hij is tot de slotsom gekomen:
ende kerstelyck es dat elck kerstenmensche syn siele besorgt ende bedencke den wech die sy varen moet, soo begheere ick ende es myn wytterste wille ende in vormen van rechten testamente dat dit ghesciede ende volvuert worde
Elke christen moest letten op zijn ziel en denken aan het moment dat deze naar een andere wereld zou verhuizen. Om dit goed te laten verlopen kon volgens de toen vigerende opvattingen geven aan goede doelen nuttig zijn. En daar deed Engelbrecht met overgave aan mee. Zijn zijden kleren moesten worden bestemd voor het vervaardigen van liturgische gewaden zoals koorkappen en kazuifels voor de deken en het kapittel van Breda. Er moest in Breda een nieuwe kapelrie komen die na zijn dood zou worden gesticht in de nog bestaande Wendelinuskapel. De kerk van Breda was ooit door de heren van Breda gesticht; het was hun kerk, zij droegen de pastoor ter benoeming voor aan de aartsdiaken van Kempenland en zij lagen er begraven. De kerk is er nog en is, op de Sint Jan in 's-Hertogenbosch na, de mooiste gothische kerk van Noord-Brabant.
Het domein: expansie en consolidatie
Een middeleeuws vorst of heer had zijn domeinen. Deze bestonden uit de burcht, andere gebouwen en een opeenstapeling van goederen en rechten die inkomsten opleverden. De heer moest leven van zijn domein. Het was dus zaak dit goed te beheren en het als dat kon uit te breiden.[25] Dit beleid werd overigens al gevoerd door de voorgangers van Engelbrecht I.
Uitbreiding in de breedte betekende dat heerlijkheden, heerlijke rechten, tienden en goederen werden verworven door huwelijk of aankoop en dat eerder afgedwaalde domeinbestanddelen werden gerecupereerd. Hoewel het toeval ook een rol speelde, valt in de aankooppolitiek wel een lijn te bespeuren. Favoriet waren gebieden die grensden aan wat men al had. Een voorbeeld hiervan de ambachtsheerlijkheid Drimmelen die in 1411 van de Hollandse graaf werd aangekocht.[26] Drimmelen grensde aan twee zijden aan gebieden die al in bezit van de Nassaus waren. Versterking van de positie in Brabant en Luxemburg had eveneens prioriteit. Zo werden in 1417 van een ver familielid Elisabeth van Vianden verworven Vianden met Bütgenbach, Sankt-Vith en Dasburg en de halve heerlijkheid Grimbergen.[27]
Uitbreiding in de diepte hield in dat de meeste hertogelijke lenen in het land van Breda werden verworven. Toen de heer van Breda rond 1198 zijn bezit in en rond Breda had opgedragen aan hertog Hendrik I van Brabant, had deze dat in leen teruggegeven en daaraan het gezag over een uitgestrekt gebied in het noordwesten van zijn hertogdom toegevoegd.[28] Van deze uitbreiding werden echter uitgezonderd de leenmannen die de hertog daar al had. Aldus waren enclaves ontstaan in het land van Breda waar de heer van Breda geen zeggenschap over had.
De belangrijkste enclaves lagen in Zundert, Princenhage, Sprundel, Roosendaal, Wouw, Nispen en Baarle. Met succes wisten de Nassaus de meeste van deze enclaves te verwerven. Een goed voorbeeld is de heerlijkheid Zundert-Hertog die Jan IV in 1464 ruilde tegen Lummen in Limburg. Aangezien Lummen meer waard was dan Zundert-Hertog moest aan de andere partij, Willem van der Marck en zijn echtgenote Johanna van Schoonhoven bijbetaald worden.[29] Alleen de hertogelijke enclaves in Baarle ontsnapten aan deze consolidatiepolitiek, zodat een groot deel van het dorp Baarle nu nog steeds tot de Belgische gemeente Baarle-Hertog behoort.
Herstel van het domein betekende dat men probeerde domeinen die rond 1300 waren losgemaakt van de heerlijkheid Breda terug te winnen. Een voorbeeld hiervan is Oosterhout met de burcht dat in 1400 na de kinderloze dood van Willem van Duivenvoorde jr. volgens oude afspraken terugviel. We zagen al dat Hendrik van der Lek de burcht kort daarna in bezit had, maar later kwam Oosterhout toch in handen van Engelbrecht I. Ook een groot deel van de rond 1300 afgedwaalde lage heerlijkheid van Roosendaal werd kort na 1500 aangekocht.
Bemoeienis van rechtbanken zetelend buiten het land van Breda zoals de schepenbank van Antwerpen en de Soevereine Raad van Brabant in Brussel werd zoveel mogelijk ingeperkt. In de bronnenpublicatie van Cerutti getuigt een groot aantal oorkonden uit de vijftiende eeuw van de conflicten die dat met zich meebracht.[30] Ook de onder de hertog vallende St. Petersmannen van Leuven werd het leven zuur gemaakt.[31] De heer van Breda wenste geen pottenkijkers.
Tegenvallers: Ravenstein en de Grote Waard
Niet alle pogingen het domein uit te breiden lukten. Een voorbeeld van een avontuur dat op een mislukking uitliep was Ravenstein.[32] Engelbrecht I had zwakke rechten op Ravenstein via de moeder van zijn vrouw Odilia van Salm. De heerlijkheid Ravenstein-Herpen (met Uden) was in 1397 na enig duwen en trekken toegevallen aan de graaf van Kleef. Deze had het gebied als weduwegoed gegeven aan zijn zuster Elisabeth weduwe van de laatste heer Reinoud van Valkenburg-Born. Toen Elisabeth in 1421 in geldnood zat, verpandde zij alle rechten die zij zou kunnen hebben -zo staat het in de oorkonde- op Ravenstein aan Engelbrecht en Robert van Virneburg.[33] Beide heren waren schoonzoons van Odilia. De hertog van Kleef sloeg onmiddellijk terug en verbood in een brief de bestuurders en bewoners van land anderen als hun heer te erkennen. Hij was hun heer, niemand anders. Zij hadden hem trouw gezworen en daar hield hij hen aan; anders zouden er wellicht moeilijkheden komen.[34] Elisabeth was helemaal niet bevoegd om haar weduwegoed te verpanden. Zij bezat alleen het vruchtgebruik.
Engelbrecht en Robert waren echter al aan de slag gegaan. Zij versterkten, overigens op kosten van Elisabeth, de burcht van Ravenstein. Zij legden er een garnizoen in en lieten het bevoorraden. Er werd modern geschut aangeschaft, ‘donderbussen’ en ‘donderkloten’ genaamd, naast traditioneel wapentuig zoals 8000 pijlen.[35] Het kwam tot gevechten waarna er arbitrage plaatsvond. Daarover ontstond ook weer ruzie. Partijen wendden zich toen tot de rechter. Engelbrecht en zijn compagnon Robert gingen in beroep bij de Duitse keizer wat aantoont hoe onafhankelijk zij zich konden opstellen tegenover hun leenheer de hertog van Brabant. De keizer verwees de zaak echter terug naar Filips de Goede als hertog van Brabant waarna deze in 1444 de knoop doorhakte: Ravenstein werd voorgoed Kleefs, Jan IV werd schadeloos gesteld met een grote som gelds. Ondanks al deze capriolen heeft dit de verhouding tussen de hertog en zijn leenman de heer van Breda niet geschaad.
Een andere tegenvaller was de ondergang van de Grote Zuid-Hollandse waard als gevolg van de St. Elisabethsvloed in november 1421 en daarop volgende stormvloeden in combinatie met een burgeroorlog in Holland. De Nassaus hadden daar enkele ambachtsheerlijkheden liggen. Het uit veengrond bestaande gebied veranderde in een binnenzee waar al spoedig volop zalm en andere vis werd gevangen. De Nassaus verpachtten de visgronden, voor zover die aan hen toebehoorden. Deze pacht bracht ieder jaar meer op. Later slibde het gebied, dat de naam van Biesbosch kreeg, weer op en aan. De Nassaus hadden als ambachtsheer het recht van aanwas. Vis maakte plaats voor vaak vruchtbare kleigrond. Zo verkeerde een ramp in een voordeel.
Diest: een voordelige ruil
In het midden van de vijftiende eeuw stierf het geslacht Van Heinsberg-Loon in mannelijke lijn uit. Er bleven twee vrouwen over waarvan er een, Maria, zoals we al lazen getrouwd was met Jan IV van Nassau en de andere met de hertog van Gulik-Berg. Maria bezat de plaatsen Millen, Gangelt en Waldfeucht, gelegen ten oosten van Sittard even over de grens. Deze drie plaatsen grensden aan Guliks gebied. In 1499 verdeelden de graaf van Nassau en de hertog van Gulik-Berg de buit. Engelbrecht II kreeg van Gulik de stad Diest, met Sichem, Meerhout en Vorst en het erfburggraafschap van Antwerpen, Gulik kreeg Millen, Gangelt en Waldfeucht. Met Diest en het weinig omvattende maar wel prestigieuze erfburggraafschap bouwde Engelbrecht II zijn positie in Brabant verder uit.[36]
Er werd dus volop gehandeld in onroerend goed en daarbij gingen grote geldbedragen over de toonbank. De laat-middeleeuwse maatschappij was al veel meer dan vaak wordt aangenomen een maatschappij waar veel om geld en invloed draaide. Beide waren wederkerig: geld leidde tot invloed, en invloed leverde geld op.
Bastaarden als pionnen
Buitenechtelijke verhoudingen kwamen in de Middeleeuwen onder de adel veel voor. De uit deze relaties geboren kinderen werden bastaarden genoemd. Zij deelden niet in de erfenis, maar werden vaak wel begiftigd met legaten en behoorden tot de familia van de heer.
Bovendien konden de jongens, als zij talent hadden, voor bestuurlijke taken worden ingezet.[37] Meisjes werden uitgehuwelijkt aan hoge functionarissen of lagere adellijke heren.
Bij de Nassaus en hun collega’s in Bergen op Zoom, de Glymes, was het niet anders. De al genoemde Jan III van Polanen was eerst gehuwd met Maria van Brabant, een bastaarddochter van hertog Jan III van Brabant. Jan van Nassau, een bastaardzoon van Jan IV, werd benoemd tot kastelein van Heusden. Deze Hollandse heerlijkheid had Jan IV in pand gekregen en er moest een kastelein komen als vertegenwoordiger van de heer. Voor dat werk had Jan IV geen tijd, maar geen nood, er was een bastaardzoon beschikbaar. Na zijn dood in 1505 werd bastaard Jan van Nassau als lid van de familie begraven in de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Breda.[38] Een van Jans achterkleinzoons was Hendrik, de jonker van Nassau genaamd Merwe. Deze werd in 1553 benoemd tot schout van Roosendaal en trad in het huwelijk met een bastaard uit het huis Glymes.[39] Bastaard ging hier met bastaard samen.
René van Chalons kreeg geen kans wettig nageslacht te verwekken maar liet wel een bastaardzoon na, Palamedes genaamd. Deze kreeg in 1546 van de voogden van de nog minderjarige Willem van Oranje een leenrente van 1.500 pond op de domeinen van Breda.[40] Voor deze mensen werd gezorgd en als het uitkwam werd van hen een wederdienst gevraagd.
Bouwactiviteiten
Grote mannen richten monumenten op voor zich zelf en hun nageslacht. Dat was in de Middeleeuwen niet anders dan nu. Veel van deze objecten behoren nu nog tot onze fraaiste monumenten. Favoriet waren paleizen, kerken, kapellen en grafmonumenten.[41] De heren van Breda hebben daar ijverig aan meegedaan. Ze moesten ook wel want hun rivalen deden hetzelfde. Jan III van Polanen begon in 1362 met de bouw van een grote burcht in Breda met vier hoektorens.[42] Jan IV voegde een nieuwe vleugel toe die in stijl leek op het nog bestaande markiezenhof in Bergen op Zoom.[43]
In 1411 begon Engelbrecht I in Breda met de bouw van een nieuwe gotische kerk die pas in de zestiende eeuw zou worden voltooid en met zijn bijna honderd meter hoge toren nog altijd een sieraad van de stad is.[44] Niet precies bekend is wat de Nassaus aan de bouw hebben bijgedragen, maar we mogen gerust aannemen dat dit veel is geweest. In 1449 liet Jan IV het heilig sacrament van de Nieuwervaart plechtig overbrengen naar de kerk in Breda. Het stadje Nieuwervaart was door de St. Elisabethsvloed en daarop volgende overstromingen nauwelijks bewoonbaar meer en kon de stroom van pelgrims niet goed meer opvangen. Nu kwamen die pelgrims naar Breda waar ze offerden en zo bijdroegen aan de financiering van de kerkbouw.[45]
Steun aan een religieuze hervormingsbeweging
Jan IV en zijn vrouw Maria stonden welwillend tegenover de hervormingsbeweging binnen de kerk die in het midden van de vijftiende eeuw op gang kwam. Een van de door de hervormers voorgestane maatregelen was het herstel van de tucht binnen kloosters. Voor vrouwenkloosters betekende dat een streng slot dat moest voorkomen dat zij contact hadden met mannen en de wereld buiten de muren van het klooster met al zijn verleidingen. Dat merkten de zusters van het norbertinessenklooster Catharinadal in Breda, dat even buiten de middeleeuwse stadsmuur stond en vanouds nauwe banden had met de heren van Breda. Hoewel de zusters wat tegenstribbelden werd de observantie in 1463 doorgevoerd. Voortaan mochten de zusters nadat zij de eeuwige geloften hadden afgelegd het klooster niet meer uit.[46]
Maria van Loon-Heinsberg stichtte twee vrouwenkloosters, dat van Vredenberch in de Boeimeer even buiten de stad en een klooster voor grauwe zusters in de stad.[47]
III. Van Brabants naar West-Europees
Stijging op de ladder
Vanaf Engelbrecht II gingen de Bredase Nassaus tot de hofadel van de Bourgondische en Habsburgse vorsten behoren.[48] Deze opgang werd gemarkeerd door de toelating van Engelbrecht II in 1473 tot de prestigieuze ridderorde van het Gulden Vlies, een eer die zijn vader niet te beurt was gevallen. Wie de keten met het gulden vlies om zijn hals droeg had direct toegang tot de vorst. Daar moesten de vliesridders wel wat voor doen. Engelbrecht en zijn opvolgers werden vaak uitgezonden met bestuurlijke, diplomatieke of militaire opdrachten. Vooral Engelbrecht II was voortdurend op veldtocht, Hendrik III deed veel diplomatiek werk voor zijn heer keizer Karel V.[49] Dat betekende ook dat zij niet zo vaak meer in Breda resideerden. Het Bourgondisch-Habsburgse rijk dijde steeds meer uit. In 1496 werd Engelbrecht II aangesteld tot stadhouder van de Nederlanden toen Filips de Schone naar Duitsland trok. Zij waren lid van wat we een imperial club kunnen noemen, geleid door het hoofd van de dynastie. Familierelaties en persoonlijke banden, liefst met een huwelijk als bindmiddel, speelden hierin een cruciale rol. Op aandringen van keizer Karel V huwde Hendrik III in 1524 met Mencia de Mendoza y Fonseca, een telg uit een hoogadellijk Castiliaans geslacht. De keizer zag graag dat de elites uit de verschillende delen van zijn rijk aan elkaar verwant raakten.
Strategische huwelijken
Voordat Hendrik III met Mencia trouwde had hij al een grote slag geslagen. Zijn tweede huwelijk met Claude de Chalon in 1515 leverde hem het prinsdom Orange op doordat Claudes broer Philibert kinderloos stierf. De zoon van Hendrik en Claude René mocht zich tooien met de titel ‘bij de gratie Gods prins van Orange’. Het prinsdom was namelijk een onafhankelijk vorstendom dat geen leenband had met de koning van Frankrijk, de Rooms koning of een andere vorst.
Op zijn sterfbed had Maximiliaan van Egmond in 1548 de wens uitgesproken dat zijn enigst kind, Anna van Buren, zou trouwen met Willem van Oranje. Drie jaar later werd het huwelijk in Buren (provincie Gelderland) gesloten. Anna was toen waarschijnlijk de rijkste vrouw in de Nederlanden. Haar bezittingen lagen in Zeeland, het Rivierengebied en in Brabant, waar zij de stad Eindhoven en de Baronie van Cranendonk met Maarheeze, Soerendonk, Gastel en Budel bezat.
Na twee kinderen gekregen te hebben, Filips Willem en Maria, stierf zij nog maar 25 jaar oud in 1558, haar man radeloos achterlatend.
Willem schreef daarover:
‘Haar dood veroorzaakte bij mij zulk een radeloosheid en onuitsprekelijke smart, dat ik een hevige koortsaanval kreeg gepaard gaande met zenuwtrekkingen.’[50]
Bouwactiviteiten
De bouwactiviteiten werden in deze periode opgevoerd. Engelbrecht II liet het al door Willem van Duivenvoorde in Brussel gebouwde hotel afbreken en herbouwen.[51] In Mechelen kocht hij een huis dat door zijn opvolger werd verbouwd.[52] In 1514-1516 liet Hendrik III de oude burcht in Diest slopen en gaf opdracht tot de bouw van een nieuw paleis. Volgens Van Wezel bevat het Italiaans-klassieke elementen[53] In 1530 gaf Hendrik III aan de Italiaanse kunstenaar-architect Tommaso Vincidor da Bologna opdracht tot de bouw van een nieuw paleis in Breda dat de onconfortabele middeleeuwse burcht moest gaan vervangen. Dit paleis was uitgevoerd in de toen voor de Nederlanden moderne renaissancestijl.[54]
Deze bouwwerken waren ook bedoeld om te imponeren. Zij gaven een signaal af aan de bezoeker: kijk eens wat ik mij kan veroorloven, voor mij speelt geld geen rol. De locatiekeuze was veelzeggend. De paleizen in Brussel en Mechelen lagen naast de residentie van de landvoogd. Macht zocht macht op. Het paleis in Breda stond in de oudste heerlijkheid die de Nassaus in Brabant hadden liggen. Dat zij ook in Diest een nieuw paleis wilden hebben geeft aan dat zij deze heerlijkheid erg belangrijk vonden, belangrijker nog dan Antwerpen waarvan zij burggraaf waren en dat in die tijd het centrum van de Europese internationale handel was. Ze hadden er zonder probleem een huis kunnen kopen en dat kunnen uitbouwen tot een stadspaleis. Deze keuze zegt veel over de oriëntatie van de Nassaus. Zij meden de handel en het daardoor vergaarde kapitaal. Hun voorkeur ging uit naar steden waar de regering zetelde en naar kleine landelijke steden als Diest en Breda.
Rond 1520 begon Hendrik III met de bouw van een nieuwe grafkapel in de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Breda. Hij richtte hierin een grafmonument op voor zijn oom Engelbrecht II. De bouw werd in 1526 voltooid, de decoratie dateert van 1530-1534. Het ontwerp is geïnspireerd door het werk van de Bossche bouwmeesters Alart Duhamel en Jan Heins.
Kapel en grafmonument hebben de tand des tijds goed doorstaan en zijn een bezoek meer dan waard.
Armenzorg
Engelbrecht II en zijn opvolgers waren minder dan hun voorgangers betrokken bij de kerk, maar Hendrik III heeft zich wel ingrijpend bemoeid met de Bredase armenzorg. Vertrekpunt waren de na ca. 1520 opkomende ideeën over een andere aanpak van het pauperisme. Ondersteuning mocht alleen nog gegeven worden aan mensen die te oud, te jong of te ziek waren om nog te kunnen werken.
Bedelen werd verboden en de bestaande armenzorgfondsen moesten worden samengevoegd in één instelling die door of vanwege de plaatselijke overheden werden bestuurd.[55] In 1536 voegde Hendrik III de Bredase armenzorgfondsen samen in de Aalmoezenierskamer.
In 1532 stichtte hij een fonds waarvan jaarlijks 100 armen gekleed en gevoed konden worden.[56] De uitverkorenen kregen ieder twee hemden, een tabbaard, een paar hozen, een paar schoenen, een bonnette (een soort hoed), 20 stuivers en een roggenbrood van één stuiver. Daarvoor moesten ze wel op Allerheiligenavond (31 oktober) biechten en op Allerzielen (2 november) communiceren. In aanmerking kwamen alleen lieden die oud, gebrekkig en ziek waren en daardoor niet meer de kost konden verdienen. Voor klaplopers en nietsnutten was dit fonds niet bestemd. Bij de begrafenis van Hendrik in 1538 liepen deze ‘echte’ armen achter de baar aan.
Trouw wordt beloond, ontrouw bestraft
Anders dan oudere auteurs meenden en nog vaak gedacht wordt, bleef het leenstelsel tot aan de revoluties van het einde van de achttiende eeuw springlevend. Voor alle duidelijkheid: ik bedoel hier het leenstelsel als een verhouding tussen een sterkere leenheer en een zwakkere vazal. De vazal beloofde zijn heer bij te staan in raad en daad. Dat kwam neer op het geven van adviezen en meetrekken ten strijde wanneer de leenheer daar om vroeg. In ruil daarvoor kreeg de vazal bescherming en een leengoed bestaande uit bijvoorbeeld een heerlijkheid of een vaste jaarlijkse uitkering op de vorstelijke domeinen. Het leenstelsel was een sociaal systeem dat mensen aan elkaar bond, over weer verplichtingen schiep en zo de samenleving structuur en vastigheid gaf. Dit werkte veel beter dan velen denken. Daarom bleef het ook langer bestaan.
In de late Middeleeuwen werden het lidmaatschap van een vorstelijke raad en het dienst doen in het leger meestal in een commanderende functie steeds lucratiever. De hoge adel waaronder dus ook de Nassaus verdiende al in de vijftiende eeuw véél meer aan leger en raad dan aan zijn domeinen.[57] Het contract tussen leenheer en leenman had ook een keerzijde: ontrouw werd bestraft aan lijf en goed, de ontrouwe leenman kon ter dood worden veroordeeld, het leen kon in beslag worden genomen door de leenheer.
IV. Van internationaal naar Noord-Nederlands
Keuze voor de Opstand
Het ging de dynastie voor de wind, het fortuin leek hen gunstig gezind, maar in 1567 veranderde dat plotsklaps. Willem van Oranje koos voor de Opstand wat betekende dat hij volgens de normen van die tijd zijn leenheer, zijn meester, ontrouw werd. De in 1568 tegen hem door de procureur-generaal van de Raad van Beroerten uitgebrachte aanklacht was daar heel duidelijk over. Op de allereerste plaats werd Willem ervan beschuldigd ontrouw te zijn geweest aan Zijne Majesteit de koning van Spanje. Hij had zich gedragen als de aanstichter en het hoofd van een opstand.[58] Wanneer hij niet voor de rechtbank verscheen zouden zijn leengoederen verbeurd worden verklaard. Willem was op tijd gevlucht, want zijn standgenoten de graven van Egmond en Hoorne, die van hetzelfde werden beschuldigd, werden op 5 juni 1568 op de markt van Brussel onthoofd.
Ik ga ervan uit dat de lezer de voornaamste feiten van de Opstand kent zodat ik mij verder kan beperken tot de minder vaak gesignaleerde gevolgen voor Brabant. De Opstand verliep aanvankelijk niet gunstig; in 1575 waren alleen nog Zeeland, Friesland en het grootste deel van Holland in handen van de ‘rebellen’, zoals de koningsgezinden hen noemden. Toen Willem in 1584 in een voormalig klooster in Delft, waar hij zijn intrek had genomen, werd vermoord door een agent van koning Filips II was het Huis Oranje-Nassau bankroet.[59] Bijna al zijn domeinen waren in Spaanse handen, Breda had een Spaans garnizoen, het omringende platteland was door de oorlog die toen al 12 jaar woedde totaal verwoest en de Brabantse economie was ingestort. Willem liet negen ten dele nog niet uitgehuwelijkte dochters en drie zoons na. De oudste zoon, Filips Willem, verbleef in gevangenschap in Spanje, de tweede zoon Maurits was 17 jaar oud en de jongste Frederik Hendrik lag nog in de wieg. Pas in 1609 werden de erfgenamen het eens over de verdeling van erfenis.
Geen katholieke tak
De deling van de erfenis was alleen al gecompliceerd doordat de oudste zoon Filips Willem , die vernoemd was naar zijn peetroom Filips II, in Spanje verbleef en katholiek was opgevoed. Hij had samen met zijn zuster Maria recht op de Brabantse bezittingen en die waren ook aan hem toebedeeld in het testament dat zijn vader kort vóór zijn dood had opgesteld.[60] In 1596 keerde Filips Willem terug naar de Nederlanden om daar in 1608 te worden ingehuldigd als heer van Breda. Op aandringen van de Franse koning Hendrik IV trouwde hij met een nicht van deze vorst, maar het huwelijk bleef kinderloos. In 1618 stierf Filips Willem, korte tijd later gevolgd door zijn nog zeer jonge echtgenote. Hij werd begraven voor het hoofdaltaar van de St. Sulpiciuskerk in Diest. Bij testament had hij al zijn bezittingen vermaakt aan zijn oudste halfbroer Maurits. Er ontstond dus geen katholieke tak van het Huis Oranje-Nassau. Als Filips Willem nageslacht had gehad was dat wel gebeurd en dit zou voor politieke complicaties hebben gezorgd. In de zeventiende eeuw was er nog een katholieke tak in het Huis Nassau, te weten de van Jan VI de oude afstammende tak Nassau-Siegen. Deze probeerde onder meer in 1625 zonder veel succes Breda in bezit te krijgen.[61]
Van Brabant naar Noord-Nederland
Prins Maurits stierf op zijn beurt in 1625 zonder ooit gehuwd te zijn geweest. Hij werd opgevolgd door zijn halfbroer Frederik Hendrik, waarmee de meeste bezittingen van Willem van Oranje weer in één hand kwamen. Maurits en Frederik Hendrik waren beide uitstekende veldheren en goede bestuurders.[62] Frederik Hendrik was daarenboven ook nog een goed diplomaat en in staat om mensen voor zich te winnen. Zijn vrouw Amalia van Solms-Braunfels ontpopte zich, ook na Frederiks dood in 1647, als een daadkrachtige en ambitieuze vrouw die zich de kaas niet van het Hollandse brood liet eten.
In 1647 was de positie van het Huis in de Republiek bijzonder sterk geworden. Formeel waren zij als stadhouder dienaren van het hoogste bestuurscollege, de Staten-Generaal, maar feitelijk was Frederik Hendrik de dirigent van het orkest geworden. In 1637 verleende de Franse koning Lodewijk XIII aan Frederik Hendrik de titel van Son Altesse, in het Nederlands Zijne Hoogheid.[63] Om zijn prestige te vergroten liet Frederik Hendrik nieuwe paleizen bouwen, maar deze stonden niet meer in Brabant, maar lagen rond Den Haag: Honselersdijk in het Westland en Nieuwburch onder Rijswijk terwijl Amalia van Solms daar nog de Oranjezaal aan toevoegde, het tegenwoordige Huis Ten Bosch, thans het privéverblijf van koning Willem-Alexander. In Den Haag zelf was er het Oude Hof (thans paleis Noordeinde) en het stadhouderlijk kwartier, de zuidwestelijke hoek van het Binnenhof. De zoon van Frederik Hendrik, Willem II voegde het jachtslot Dieren in Gelderland toe, diens zoon Willem III liet paleis het Loo bouwen bij Apeldoorn ook in Gelderland. Beide jachtsloten en bijbehorende uitgestrekte jachtgebieden lagen op de Veluwe, niet in Brabant.
Met de dood van Filips Willem in 1618 werd de band van het Huis met Brabant een louter zakelijke. De Oranjes resideerden niet meer in Brabant. Alleen Amalia van Solms werd na de dood van haar man vrouwe van Turnhout en resideerde daar op het kasteel.[64]
Symptomatisch voor deze accentverschuiving was dat het paleis in Diest niet werd afgebouwd en dat het paleis in Brussel in 1750 werd verkocht aan de landvoogd Karel van Lotharingen. De Van Polanens en de Bredase Nassaus tot en met René van Chalons werden begraven in de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Breda, maar Willem van Oranje en zijn opvolgers, op Filips Willem na, liggen begraven in de Nieuwe Kerk in Delft.
Brabant Oranjeland
Hoewel de leden van de dynastie weinig meer in Brabant kwamen, bleef dit gebied voor hen wel van belang. In 1686 gaf stadhouder Willem III opdracht het paleis in Breda te voltooien. Het werd goed onderhouden zodat het altijd, als dat moest, de prins en zijn hofhouding kon ontvangen. Een belangrijk deel van de domeinen van het Huis lag in Staats-Brabant. In het oosten bezaten zij Grave en het land van Cuijk, Eindhoven en omgeving en de baronie van Cranendonk. Ten westen van de Donge bezaten zij een uitgestrekt aaneengesloten territoor met als kern de baronie van Breda, Steenbergen en Willemstad en aan de Hollandse kant van de grens Zevenbergen, Klundert, de Zwaluwen, Made, Drimmelen en Geertruidenberg. Het huidige West-Brabant was een echt oranjeland.[65] De greep van het Huis op dit gebied was bijzonder sterk. Feitelijk kon niemand hier ook maar iets ondernemen zonder voorafgaande toestemming van de prins of zijn raad, de in Den Haag op het Binnenhof zetelende Nassause Domeinraad. De opbrengst van de hier gelegen domeinen was aanzienlijk en vormde een solide basis voor het Huis. De inkomsten uit politieke ambten zoals dat van stadhouder of kapitein-generaal waren immers afhankelijk van het politieke fortuin dat zoals altijd grillig en onzeker was. West-Brabant was het centrum van de Hausmacht van het Huis Oranje-Nassau.
V. Conclusie: de Oranjes als overlevers
Johanna van Polanen, het enigst kind van Jan III van Polanen heer van der Lek en Breda, werd vermoedelijk uitgehuwelijkt aan graaf Engelbrecht van Nassau omdat hij een buitenstaander was. Engelbrecht bleek politiek talent te hebben. In de vijftiende eeuw waren de Bredase Nassaus eerst en vooral hoge Brabantse edelen. Engelbrecht deed volop mee met de intriges aan het Brabantse hof en slaagde erin steeds op tijd van partij te wisselen. Bij zijn dood in 1442 was de Duitser een Brabander geworden.
Vanaf 1473 gingen de Bredase Nassaus behoren tot de West-Europees georiënteerde hofadel van de Habsburgers. In het kielzog van hun toenemende macht nam ook hun rijkdom toe. Strategische huwelijken speelden daarbij een cruciale rol. Macht moest zichtbaar zijn en dus lieten de Nassaus aan iedereen zien hoe rijk zij waren; aan andere rivaliserende edelen, aan de reiziger en aan het volk. Her en der verrezen paleizen, de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Breda werd herbouwd in de nieuwe stijl van de Brabantse gothiek, in deze kerk richtten zij voor zich zelf schitterende grafmonumenten op. In hun stad Breda waren zij bestuurlijk actief. In de zestiende eeuw entameerde graaf Hendrik III een nieuwe meer rationele sociale politiek; tegelijkertijd volgde hij het voorbeeld van zijn voorouders door aan goede werken te doen.
Een keerpunt is het jaar 1567: Willem van Oranje kwam toen in opstand tegen zijn heer. Dit was een avontuur dat naar wij achteraf kunnen zeggen goed afliep, maar Willem zal zich wel eens afgevraagd hebben waar hij aan begonnen was. In de nieuwe staat die uit de Opstand ontstond, de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën, bekleedden de afstammelingen van Willem van Oranje een aparte positie, die ondanks tegenslagen, in de loop van de zeventiende en achttiende eeuw steeds sterker werd. Vanaf 1747 waren zij erfelijk stadhouder van alle gewesten én van de generaliteitslanden, en opperbevelhebber van leger en vloot. Het enige wat nog ontbrak was de koningstitel. Die zouden ze in 1815 na een nieuwe eclips, de Franse Revolutie, krijgen.
Van de grote dynastieën die schitterden aan het hof van keizer Karel V, de Aarschots, de Lalaings, de Egmonds, de Hoornes, is niets meer over. De Oranjes hebben het allemaal overleefd, doordat zij zich steeds op tijd aanpasten aan nieuwe omstandigheden. Meer-malen zag het er voor hen slecht uit, zoals in 1650, toen Willem II onverwacht stierf en alleen een posthuum geboren zoon naliet, in 1702 toen deze zoon kinderloos overleed en er een langdurig conflict over de erfenis ontstond, in 1711 toen Johan Willem Friso van Nassau-Dietz verdronk toen hij op weg van Brabant naar Holland bij de Moerdijk het Hollands Diep overstak en alweer een posthuum geboren zoon naliet, in 1795 toen de Bataafse Revolutie Willem V dwong te vluchten naar Engeland en alle bezittingen werden geconfisqueerd en in 1890 toen de populariteit van het Huis Oranje-Nassau na de dood van koning Willem III een dieptepunt bereikt had.
Talent maar ook geluk hielpen hen de positie te krijgen die zij nu nog hebben. Ze zochten steeds het centrum van de macht: in 1403 verhuisde Engelbrecht van Nassau-Dillenburg van Münster naar Breda waar hem een rijke erfdochter opwachtte, in de zestiende eeuw resideerden zij in Brussel en Mechelen, vanaf 1584 vestigden zij zich in Den Haag, het centrum van de politieke macht van de opkomende Republiek. In en rond Den Haag verrezen vier paleizen. Twee daarvan zijn nog steeds in gebruik: het paleis Noordeinde als werkpaleis voor het staatshoofd koning Willem Alexander en het Huis Ten Bosch als privéwoning voor de koning, koningin Maxima en hun drie kinderen.
Door: Ton Kappelhof
Den Haag, Nederland, juli 2020
Bron, Digitalisering en Wiki opmaak: Terry van Erp

- ↑ Terry van Erp - Gebruikte afkortingen:
KHA: Koninklijk Huisarchief Den Haag
NAG: Nationaal Archief Den Haag
NDR vóór 1581: Archief Nassause Domeinraad tot 1581 (verwezen wordt naar de nummers van de inventaris van Drossaers). - ↑ Thomas Ernst van Goor, Beschryving der stadt en lande van Breda. ’s-Gravenhage, 1744, p. 514.
- ↑ Thomas Ernst van Goor, Beschryving der stadt en lande van Breda. ’s-Gravenhage, 1744, p. 514.
- ↑ ‘Brabandsche Kronijk’ door NN in: Charles Piot ed., Chroniques de Brabant et de Flandre. Bruxelles, 1879, p. 69.
- ↑ Karl Kroeschell, Deutsche Rechtsgeschichte 1 (bis 1250). Reinbek bei Hamburg, 1972, pp. 268-270.
- ↑ Steenbergen bezat de heer van Breda in condominium met de heer van Bergen op Zoom. Beide heren ontvingen ieder de helft van de inkomsten.
- ↑ Voor een overzicht van de politieke geschiedenis van Brabant tussen 1356 en 1430: R. van Uytven, e.a. (red.), Geschiederis van Brabant van het hertogdom tot heden. 2de herziene druk, Zwolle/Leuven, 2011, pp. 157-169. Diepergaand is: André Uyttebrouck, Le gouvernement du duché de Brabant au bas moyen âge (1355-1430). Bruxelles, 1975, in het bijzonder pp. 470-523.
- ↑ Zie over Valkenburg: A.C.M. Kappelhof, ‘De Heren en Drossaarden van Valkenburg (1365-1672), in: Jaarboek Stichting ‘Historische Studies’ in en rond het Geuldal 1 (1991) 6-75.
- ↑ Antheung Janse, Ridderschap in Holland. Portret van een adellijke elite in de late Middeleeuwen. Hilversum, 2011, p. 235.
- ↑ Tamse, Nassau en Oranje, 25 (artikel van H.P.H. Jansen over de Bredase Nassaus).
- ↑ KHA, inv. nr. A-2, 166a 12 , d.d. 21 december 1394 (vidimus door deken en kapittel van Breda d.d. van het oorspronkelijke testament d.d. 10 augustus 1394).
- ↑ NAG, NDR vóór 1581, inv. nrs. 1289,828, 1289.840, 1289.843, 1289.944 en 1289.845. Op 24 augustus 1395 verklaarden Odilia en Hendrik zich aan de uitspraak van de scheidslieden te zullen houden. Frederik van Blankenheim was tot 1394 bisschop van Straatsburg geweest. Obersalm lag ten westen van Straatsburg.
- ↑ NAG, NDR vóór 1581, inv. nrs. 435.900 en 435.908, oorkonden respectievelijk d.d. 20 juni 1403 en 6 maart 1404.
- ↑ NAG, NDR vóór 1581, inv. nr. 435.900. Deze oorkonde was op 15 augustus 2012 onvindbaar en kon derhalve niet worden geraadpleegd.
- ↑ NAG, NDR vóór 1581, inv. nr. 435.937, oorkonde d.d. 1 januari 1407.
- ↑ NAG, NDR vóór 1581, inv. nr. 83.912, oorkonde d.d. 12 april 1405. Drossaers en in zijn navolging Cerutti dateerde in haar inventaris deze oorkonde ten onrechte op 23 maart 1404. De tekst van de door mij geziene oorkonde luidt: ‘so solde de borgh, stat unde lant van Breeda myd oere gantser tobe[hoeri]ngen mij, mijnen erven oft holder dys breves myd onsen wyllen versat, verpandt ende verkunden wesen v[ur] hundertdusent pundt aelder groten’. Zie voor de tekst ook: F.F.X. Cerutti ed., Middeleeuwse rechtsbronnen van stad en heerlijkheid Breda (deel I, Utrecht, 1956) p. 367-369; het citaat op p. 368. De taal van de oorkonde doet mij opvallend Oost-Nederlands aan, is in elk geval niet Brabants.
- ↑ Met dank aan Ron Fierst van Wijnandsbergen voor de op 2 april 2015 verstrekte inlichtingen omtrent deze transactie.
- ↑ Ron Fierst van Wijnandsbergen, Ghenghe ende gheve in Grave. Fondsvorming van armeninstelingen en middeleeuwse monetaire problematiek (Tilburg, 2013) 228.
- ↑ Zie voor biografische gegevens: Uyttebrouck, Le gouvernement, pp. 706-707 en het Biografisch Portaal op: www.huygens.knaw.nl
- ↑ A.C.M. Kappelhof, ‘In natte en in droge. De Nassause domeinen in westelijk Noord-Brabant tot 1566’, in: Jaarboek De Oranjeboom, 58 (2005), pp. 1-43, in het bijzonder p. 16. Oosterhout was in 1400 na de dood van Willem van Oosterhout, een bastaardzoon van Willem van Duivenvoorde als Bredaas leen teruggevallen aan de heerlijkheid Breda.
- ↑ A. Verkooren, Arlette Graffart en René Laurent, Inventaire des chartes et cartulaires des duchés de Brabant et de Limbourg et des Pays d’Outre-Meuse (deel III Chartes originales et cartulaires; deel 3; Bruxelles, 1976), nr. 8226 (21 september 1406).
- ↑ Uyttebrouck, Le gouvernement, II, 706-707.
- ↑ Tamse, Nassau en Oranje, pp. 26-33. (artikel van H.P.H. Jansen) en Uyttebrouck, Le gouvernement, pp. 715-716.
- ↑ KHA, inv. nr. A2-169 (notariële akte d.d. 24 april 1442).
- ↑ Over de Nassause domeinen in Brabant en aangrenzend Holland: Kappelhof, ‘Het domein van de heren van Breda ca 1200 tot 1568’, versie mei 2020 op www.academia.edu. en: Cerutti, Middeleeuwse rechtsbronnen, deel I, p. xlv-lxxvi.
- ↑ NAG, NDR vóór 1581, inv. nr. 782.908 (oorkonde d.d. 13 juli 1411). Een Hollandse ambachtsheerlijkheid is te vergelijken met een Brabantse heerlijkheid.
- ↑ NAG, NDR vóór 1581, onder andere inv. nrs. 843.1033, 871.1045, 871.1059 en 872.1065 (diverse oorkonden uit 1415-1417).
- ↑ M. Dillo en G.A.M. van Synghel met medewerking van E.T. van der Vlist eds., Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312. Deel II. De heerlijkheden Breda en Bergen op Zoom. Den Haag, 2000, pp. 122-127, nrs. 924-925.
- ↑ NAG, NDR vóór 1581, inv. nr. 107.1876.
- ↑ F.F.X. Cerutti, Middeleeuwse rechtsbronnen van stad en heerlijkheid van Breda. Deel II. Utrecht, 1972, passim.
- ↑ A.C.M. Kappelhof, ‘Meisseniers en Sint Petersmannen; hun verhouding tot de heer van Breda’, in: Jaarboek De Oranjeboom, 30 (1977), pp. 83-115. De Sint Petersmannen waren oorspronkelijk onderhorigen van de St. Peterskerk in Leuven.
- ↑ G.F. van der Ree-Scholtens, De grensgebieden in het noordoosten van Brabant ca. 1200-1795. Assen/Maastricht, 1993, pp. 55-56.
- ↑ NAG, NDR vóór 1581, inv. nr. 792.1122 (oorkonde d.d. 12 maart 1421).
- ↑ NAG, NDR vóór 1581, inv. nr. 793.1130 (oorkonde d.d. 10 april 1321).
- ↑ NAG, NDR vóór 1581, inv. nrs. 792.1131 (oorkonde 12 april 1421), 794.1142 (oorkonde 29 juni 1421) en 795 (ongedateerde lijst van meubels en wapentuig, ca. 1421).
- ↑ NAG, NDR vóór 1581, inv. nrs. 919-924.
- ↑ A.C.M. Kappelhof, ‘Philips bastaard van der Lek: een avontuurlijk edelman (ca. 1370-1428)’, in: Jaarboek De Oranjeboom, 70 (2017) 191-211. Zie ook academia.edu.
- ↑ Johan Hendriks, Gerard Otten en Patricia Böschen, Het Breda boek. Zwolle, 2008, p. 100.
- ↑ A.W.E. Dek, Genealogie van het vorstenhuis Nassau. Zaltbommel, 1970, pp. 132-138.
- ↑ Dek, Genealogie, 144.
- ↑ Tamse, Nassau en Oranje, pp. 44-45.
- ↑ Placidus Pennings ofm cap., ed., ‘Het discours of de kroniek der heeren van Breda’, in: Bijdragen en Mededelingen van het Historisch Genootschap, 65 (1947), p. 364. G.W.C. van Wezel, Het paleis van Hendrik III graaf van Nassau te Breda. Zeist/Zwolle, 1999.
- ↑ Zie voor de stand van zaken rond het onderzoek naar het kasteel van Breda: Guido van den Eynde, ‘Van verf naar bakstenen’, in: Jeroen Grosfeld e.a., ‘… Een thans niet meer bestaande schilderij’ (Breda’s Museum,Breda, 2013) 39-44.
- ↑ Zie voor de stand van zaken rond het onderzoek naar het kasteel van Breda: Guido van den Eynde, ‘Van verf naar bakstenen’, in: Jeroen Grosfeld e.a., ‘… Een thans niet meer bestaande schilderij’ (Breda’s Museum,Breda, 2013) 39-44.
- ↑ Thomas Ernst van Goor, Beschryving, p. 89. Placidus Pennings ofm cap., ‘Geschiedenis der katholieke kerk te Breda’, in: D.Th. Enklaar e.a. red., Geschiedenis van Breda. Deel I, Schiedam, 1977 (ongewijzigde herdruk van de eerste editie uit 1948) , p. 134-135.
- ↑ Frans Gooskens, ‘Magister Anselmus Fabri van Breda en de stichting van een gasthuis voor oude mannen aan de Haagdijk te Breda in 1455. Deel 3. Het functioneren van zijn netwerk in de regio Breda-Gilze-Zundert vóór en na zijn overlijden in 1449’, in: Jaarboek De Oranjeboom, 64 (2011), pp. 44-51.
- ↑ Valentijn Paquay, ‘De laatste vrouwe van Breda op Huize Valkenbergh: Maria van Loon-Heinsberg (1502)’, in: Jaarboek De Oranjeboom, 43 (1990), pp. 135-207.
- ↑ Tamse, Nassau en Oranje, pp. 36-44.
- ↑ Charles Piot ed., ‘Vlaamsche Kronyk‘ door NN, in : Chroniques de Brabant et de Flandre. Bruxelles, 1879, pp. 256-274.
- ↑ Ditzhuyzen, Oranje-Nassau, p. 39.
- ↑ Wezel, Paleis Hendrik III, p. 73.
- ↑ Wezel, Paleis Hendrik III, p. 77.
- ↑ Wezel, Paleis Hendrik III, p. 77-80.
- ↑ Hendriks, Het Breda boek, p. 115.
- ↑ Joke Spaans, Armenzorg in Friesland 1500-1800. Hilversum/Leeuwarden, 1997, pp. 40-43.
- ↑ Goor, Beschryving, pp. 481-485 (oorkonde d.d. 6 januari 1532).
- ↑ R. van Uytven, ‘De Brabantse adel als politieke en sociale groep tijdens de late Middeleeuwen’, in: J. Verbesselt en anderen, De adel in het hertogdom Brabant . Brussel, 1985, pp. 75-88, in het bijzonder pp. 83-87
- ↑ Piot, ‘Vlaamsche Kronyk’, p. 371-372 (tekst van de aanklacht met mogelijk kopiïstenfouten).
- ↑ Pieter Scherft, Het sterfhuis van Willem van Oranje. Leiden, 1966.
- ↑ Scherft, Sterfhuis, pp. 1-2 en 15-21.
- ↑ Ada Peele, Een uitzonderlijke erfgenaam. De verdeling van de nalatenschap van Koning-Stadhouder Willem III en een consequentie daarvan: Pruisisch heerlijk gezag in Hooge en Lage Zwaluwe, 1702-1754. (Hilversum, 2013) p. 83.
- ↑ Ada Peele, Een uitzonderlijke erfgenaam. De verdeling van de nalatenschap van Koning-Stadhouder Willem III en een consequentie daarvan: Pruisisch heerlijk gezag in Hooge en Lage Zwaluwe, 1702-1754. (Hilversum, 2013) p. 83.
- ↑ J.J. Poelhekke, Frederik Hendrik Prins van Oranje. Een biografisch drieluik. Zutphen, 1978, pp. 475-481.
- ↑ Harry de Kok, ‘Amalia van Solms en Turnhout’, in: Jaarboek Oranje-Nassau, 2008, pp. 31-48.
- ↑ A.C.M. Kappelhof, ‘Het fortuin van de Oranjes. De betekenis van de West-Brabantse domeinen voor het huis Oranje-Nassau tijdens de Republiek’, in: Jaarboek De Oranjeboom, 57 (2004), pp. 132-145.
