Cultuurhistorie van de Biesbosch
Ontstaan Biesbosch

We kennen allemaal het verhaal omtrent het ontstaan van de Biesbosch. Er zijn de zogenaamde legendes die u allemaal al wel eens gehoord zult hebben, zoals over het kind Beatrijs dat in een biezenmandje, samen met een kat die de mand voortdurend in evenwicht wist te houden, voortgestuwd werd door de golven en bij de muren van Dordrecht aankwam en gered werd. Ook het verhaal van de 72 verdronken dorpen en de 100.000 mensen die omgekomen zouden zijn in de golven is een dergelijke legende.
Laten we eens een paar zaken gaan ontrafelen.
Groote Waard
De Groote Waard was de naam voor twee verschillende begrippen die vaak door elkaar gehaald worden.
- Polder “Groote Waard”: Bij Geertruidenberg lagen de twee polders “de Venen beneden den Bergh” en “de Venen boven den Bergh” die samen de polder “Groote Waard” vormden. Deze polders werden door de rivier de Donge gescheiden. De noordgrens van deze beide polders werd gevormd door de Oude Maas.
-
- Hoogheemraadschap "de Groote Waard": een grote bestuurseenheid voor waterbeheer.
Het hoogheemraadschap omvatte een aantal polders met hun eigen dijken en eigen dijkgraven en heemraden, waaronder het Land van Putten en Strijen in het westen, de Tiesselenswaard in het noordwesten, de Dordtse waard in het noorden met o.a.
Dordrecht, Sliedrecht en Werkendam en de polder Groote Waard. Deze polders waren allemaal op zich zelf staande gebieden binnen Holland. Zo was de Land van Heusden in 1296 nog leengoed van de Graaf van Kleef en kwam in 1357 naar de Graaf van Holland.
De Tiesselenswaard had, net zo als de Groote Waard, in 1282 als Heer Floris V, Graaf van Holland. De heerlijkheden Putten en Strijen hadden ook hun eigen bestuur. De vorming van het Hoogheemraadschap en de inpoldering van dit gebied gebeurde tussen 1203-1222 door Graaf Willem I van Holland die zich erg interesseerde voor waterstaatszaken. Dit hele gebied werd door een buitendijk omgeven en stond onder het toezicht van het Hoogheemraadschap "De Groote Waard". Het was de Graaf van Holland die de dijkgraaf aanstelde van dit Hoogheemraadschap. De Dijkgraaf moest zijn rekening van inkomsten en uitgaven doen bij de tresorier (penningmeester)
van de graaf en aan de Grafelijke raad, zijnde het hoogste rechtscollege.
De Groote of Zuidhollandse Waard voor 1421.
- Ondergang Groote Waard
(zie bijlage bij 6) Om tot de bloei te komen die men aan het Hoogheemraadschap “Groote Waard” toeschrijft, moet het gedurende een lange periode betrekkelijk rustig geweest zijn, gevrijwaard van oorlogen en overstromingen. In de periode na 1375 ging het verkeerd.
Alleen al in de eerste 20 jaren van de 15e eeuw waren er al vier grote dijkdoorbraken geweest. Inmiddels was men al lang in de Hoekse en Kabeljauwse twisten verwikkeld geraakt en de mannen hadden hun hoofd meer bij de oorlogvoering dan bij de bescherming van land en volk. De dijken raakten dan ook langzaam maar zeker in verval en dijkdoorbraken bleven niet uit. Een andere bedreiging voor de dijken werd gevormd door de hebberigheid van de mens naar het witte goud uit die tijd, namelijk het zout.
Zoals al blijkt uit de namen van de polder rond Geertruidenberg, “De Venen”, bestond de grond in het zuidwesten van het gebied uit veen. Veen werd vroeger afgegraven voor brandstof, turfwinning. In deze omgeving was het zoutgehalte heel hoog in de turf en zout was een heel kostbaar product in die tijd. Het was één van de weinige manieren om vlees en groenten langer houdbaar te maken. Dordrecht was een belangrijk centrum in de zouthandel.
Dit vormde een belangrijke bedreiging. Zout werd gewonnen uit en nabij de rond de polders aangelegde dijken. Natuurlijk werd ook in die tijd wel onderkend dat het "moeren", zoals het zout delven werd genoemd, niet bevorderlijk was voor de sterkte van de dijken. Er werd in 1375 een verbod uitgevaardigd om binnen een afstand van 4 mijlen (4 x 1600 meter) van de dijk te moeren, maar het kwaad was eigenlijk al geschied en de zucht naar geld te groot. Het zou nog tot 1477 duren voor Maria van Bourgondië het moeren werkelijk verbood. Voor de “Groote Waard” was dat mosterd na de maaltijd. Een zware storm en vloedgolf hadden op St. Elizabethsdag 1421 de waard al van de kaart geveegd. De Biesbosch was bijna geboren.
De gevolgen
De gevolgen van de stormvloed waren enorm. Niet alleen voor dit gebied zoals wel eens gedacht wordt. Het ernstigste werd Zeeland getroffen - met name de Beverlanden, Tholen en Schouwen. Maar ook Voorne en Putten, het IJgebied bij Amsterdam, de Zaanstreek en Waterland leden een enorme schade. Het dorp Petten verdween deels in de golven net zo als Enkhuizen.
In Tiel stormden de daken van de huizen. De ravage was compleet en de ontreddering langs de hele Noordzeekust groot. Het was dus niet alleen deze streek waar zorg en aandacht naar uit moest gaan. Als je je realiseert dat men met de mogelijkheden van vervoer, transport en communicatie uit de 20ste eeuw 10 maanden nodig had om de 67 grote stroomgaten te dichten in Zeeland na de ramp van 1953, in combinatie met 11.500 mensen en al het beschikbare materieel, dan is het te begrijpen dat men in 1421 niet wist waar te beginnen.

Op diverse plaatsen in de omgeving begaven de dijken het en 42.500 ha land in de Groote Waard liepen onder. Volgens de schrijver van de Cronicon Tielense die toen leefde, zijn er 2.000 mensen in dit gebied omgekomen. Een geloofwaardig aantal. De 100.000 slachtoffers die genoemd worden, samen met de 72 dorpen die verdwenen zouden zijn, werden pas ten tonele gevoerd in de in 1517 verschenen Divisiekroniek van Aurelius. Met de gemiddelde levensverwachting van 50 jaar voor de mens zitten er dus al diverse generaties tussen de ramp en het verschijnen van deze wiki. Het is geen verhaal meer "uit de eerste hand".
Reinier Snoy, een tijdgenoot van Aurelius, beschreef in zijn boek Annales dat men wel met de herbedijking van de 16 ondergelopen dorpen van de Waard was begonnen en zelfs al bijna geslaagd was, maar dat o.a. door de gierigheid van de penningmeesters de dijkwerkers geen loon kregen en dus wegbleven. De Graaf van Holland was overtuigd van het belang van dijkherstel en deed daar zijn uiterste best voor. Mensen die weigerden mee te werken, mochten zelfs zonder pardon gedood worden. Maar als Dordrecht in 1420 nog Geertruidenberg plat brandde, mag je dan in 1422 verwachten dat men geld uitlegt voor het herstellen van elkaars waterschade? Ook kwam nu extra duidelijk naar voren dat alle polders zelfstandige gebieden waren met hun eigen belangen. Het motto lijkt:
"ieder voor zich, en God voor ons allen"
Het gebied stond dan wel onder water, maar was nog niet verloren. Er zal best hard gewerkt zijn, maar de natuur speelde ook zo zijn eigen spelletjes.
De winter van 1422 op 1423 was zeer extreem. Tussen 6 januari en 22 februari 1423 vroor het zo hard dat alle rivieren en de Zuiderzee kompleet dichtgevroren raakten. De vorstinval werd voorgegaan door zware sneeuwval. In Parijs viel zelfs zo veel als men in 30 jaar nog niet gezien had.
Hierdoor was de waterstand in de rivieren in het voorjaar weer extreem hoog. Echt ten onder ging de Waard in 1424 toen, weer op St. Elizabethsdag, een enorme vloedgolf over het land spoelden. De schade was weer enorm langs de hele kust. De Krimpenerwaard ging voor een paar jaar onder water, en de Groote Waard ontving zijn genadeslag.
Er wordt vaak gezegd dat de 15e eeuwse mens niet voldoende het belang kon overzien van wat er bij zijn buren gebeurde. Maar als je je realiseert wat de toenmalige faciliteiten waren, de oorlog waarin de onderlinge steden en de Adel verwikkeld waren, de slechte staat van onderhoud van de dijken en niet te vergeten de barre weersomstandigheden, dan moet je je misschien wel afvragen of ze ooit een kans gehad hebben.
Gevolgen voor de bewoners
De Groote Waard stond vol met water, door de stroomgaten ontstonden nieuwe geulen en ook het getij kreeg vrij spel. Mede op basis van archeologisch onderzoek kunnen we nu stellen dat de waard aanvankelijk bij laag water nog grotendeels droog kwam te vallen. Maar ook al staat er steeds maar een laagje van een paar centimeter water op je land, het valt niet meer te bewerken, het levert niets meer op. Langzaam aan begonnen de bewoners hun heil elders te zoeken en raakte het gebied ontvolkt. Huizen, kastelen en burchten werden steen voor steen afgebroken en de steenjutters namen het materiaal mee naar andere gebieden.
Maar hoe zit het dan met het schilderij uit het Rijksmuseum waarop de overstroming afgebeeld staat?
Het schilderij is gemaakt in 1490. Het meest waarschijnlijke is dat het de actuele situatie van die tijd weergeeft. Hier en daar zijn nog dorpen of restanten daarvan zichtbaar hetgeen zou kloppen met het reisverslag van een Italiaan die ongeveer 100 jaar na de ramp door het gebied reisde en beschreef hoe de kerktoren en daken van hoge huizen boven het water uitstaken.
Misschien komt er meer inzicht in deze theorie door een grootschalig onderzoek dat enige jaren geleden in Dordrecht gestart is samen met TNO-NITG (Nederlands Instituut voor toegepaste geowetenschappen).
De eerste echte kaart waarop de situatie blijkt, is de kaart van Sluijter uit 1560. Daarop is de Biesbosch één grote binnenzee. Waarschijnlijk is de kaart getekend bij hoog water. De geleerden denken nu dat hier een situatie ontstond die vergelijkbaar is met de huidige Waddenzee.
De Verzanding
De eerste representatieve kaart is dus van de gebr. Sluijter uit 1560, waarschijnlijk getekend bij hoogwater.
Hier is al duidelijk op zichtbaar dat een aantal maatregelen zijn genomen door de besturen van de polders die het "overleefd" hebben, zoals bijvoorbeeld het Land van Altena. Al in 1460 hadden zij de westelijke bedijking van het gebied weer in orde gebracht tussen De Werken en Dussen. Het dorp Werkendam lag op het aller noordoostelijkste puntje van de Dordrechtse Waard en behoorde zodoende niet tot het nieuw bedijkte land van Altena. Als een puistje bleef het onbedijkt liggen. Op kaarten uit de 17e en zeker op die uit de 18e eeuw zien we aan de noordzijde steeds meer verlanding. Waarom alleen aan de noordzijde? De vissteken zijn hoofdzakelijk getekend aan de zuidzijde van de waterplas die bekend stond als het "Bergse Veld" en op het Nassause gebied. Aan de noordzijde, het gebied dat behoorde aan de Grafelijkheid, waren wel een paar zalmsteken, maar lang niet zo veel en bovendien zijn ze daar al snel verdwenen. Het zou op er kunnen duiden dat het water daar veel ondieper was en het daarom ook eerder droogviel. Met het droogvallen ontstond ook een klimaat waarop bies en zegge zich kon handhaven met alle gevolgen voor verlanding van dien.
Daarnaast speelde ook de belangen van Dordrecht een invloedrijke rol.
Dordrecht had, na veel geruzie met Gorinchem, in 1540 definitief het stapelrecht van Karel V verkregen, waardoor alle koopwaren, die over de rivier aangevoerd werden, niet doorgevoerd mochten worden voordat ze in Dordrecht opgeslagen en in het openbaar te koop aangeboden waren. Veel handelaren maar ook een aantal andere steden waren daar, op zijn zachtst gezegd, niet gelukkig mee en deden van alles om dit stapelrecht te ontlopen.
Doordat de Werkendamse killen breed en goed bevaarbaar waren, konden veel schepen, op weg naar Antwerpen, Dordrecht omzeilen. Het is vanzelfsprekend dat dit weer allerminst naar de zin van Dordrecht was.

Bron, Digitalisering en Wiki opmaak: Terry van Erp

