Samuel Magnet

Uit Wiki Raamsdonk
Versie door Colani (overleg | bijdragen) op 14 aug 2026 om 15:56
Graf ds. Samuel Magnet op oude begraafplaats achter Lambertuskerk met bovenaan het 'memento mori'.
Adres en datum in 1775 aan de Molenstraat te Raamsdonk
Naam Samuel Magnet
Geboortedatum 2 november 1747 te ś-Gravenhage
Overlijdensdatum † 6 november 1831 te Raamsdonk ([ Akte 74])
Beroep predikant
Naam vrouw
Geboortedatum
Overlijdensdatum
Huwelijksdatum

Samuel was de zoon van Henrie Magnet & Johanna Thomas

Samuel is geboren op 2 november 1747 te 's Gravenhage, en overleden te Raamsdonk op 6 november 1831.

Hij liet zich 9 Maart 1765 inschrijven als student aan de hoogeschool te Leiden, en was predikant te Almkerk (1773-74) en Raamsdonk (1774) tot zijn dood.

Van hem verscheen: Gods oorspronkelijke genadige menschenliefde, volgens de leer van Jezus Christus en zijne apostelen (Dordrecht 1827), waarin hij trachtte te bewijzen, dat de gereformeerde belijdenis in haar soteriologie niet overeenkomt met de leer der evangeliën.

Uit Vaderlandsche letteroefeningen. Jaargang 1828

Gods oorspronkelijke genadige Menschenliefde, volgens de Leer van Jezus Christus en zijne Apostelen. Voorgesteld, door Samuel Magnet, Predikant te Raamsdonk, enz. Te Dordrecht, bij Blussé en van Braam. 1827. In gr. 8vo. 48 Bl. f :-50.

De ware Leer der Verzoening, volgens het echte Leerbegrip van onze Hervormde Belijdenis, niet strijdig met de Leer van Gods oorspronkelijke genadige Menschenliefde; tot eene noodige herinnering, bij het lezen van het onlangs omtrent dit onderwerp uitgegeven Geschrift van den Weleerw. Heer S. Magnet, voorgesteld door J.J. le Roy, Predikant te Oude-Tonge. Te Rotterdam, bij de Wed. P. van der Meer. 1827. In gr. 8vo. IV en 32 Bl. f :-40.

Indien er eenig leerstuk is, dat voor zich eene louter Bijbelsche verklaring vordert, dan is dit, voorwaar, het leerstuk der Verzoening. Juist behoort te worden bepaald, wat de Bijbelsche verzoening, welke van de wijsgeerige en onwijsgeerige evenzeer verschilt, in zich sluit, namelijk verzoening van menschen met God, zoodat niet God, maar de mensch met God, verzoend wordt. God was in Christus de wereld met zichzelven verzoenende, hun hunne zonden niet toerekenende; 2 Cor. V:19. Ook wordt die verzoening genoemd, wanneer het alleen een enkel persoon geldt, wiens afkeerigheid van Gods handelwijze ophoudt, vs. 18, waar paulus, gelijk dien ganschen Brief door, zichzelven bedoelt, bij het voorzetsel ἡμᾶς, zoo als dit aan naauwkeurige Bijbeluitleggers bekend is. Voorts wordt die verzoening ook bepaald tot menschen, of liever volken, onderling; zoo-

[pagina 374]

dat door het kruis van christus vrede op aarde wordt gesticht, Eph. II:11-22. Eindelijk zal zich nog die verzoening eens uitstrekken tot menschen en hemellingen, Col. I:19, 20. Het komt er dus op aan, eerst, door vergelijking van al die plaatsen, naauwkeurig aan te wijzen, wat het woord verzoening in den Bijbel aanduidt. Doch dan blijft nog over, op te merken, dat wij alleen uit ons standpunt hierover kunnen spreken. Het is de ongerijmdheid zelve, in den kring van onze gedachten, welke tijd noch ruimte overschrijden kunnen, het denkbeeld van Gods eeuwigheid b.v. te beperken. Zullen wij dan beter weten te zeggen, wat die verzoening is aan de zijde van God? Hier helpt ons alleen het geloof; en Hebr. II:10 wijst ons, hoe ver dit geloof moet gaan. Dit dient vooral opgemerkt te worden, bij gelegenheid, dat dit leerstuk nu veelvuldig ter sprake is gekomen. En uit ons standpunt, als menschen, dit leerstuk beschouwende, moeten wij de aanmerking van leroy op bl. 22 afkeuren, daar hetgeen hij van calvijn's gevoelen zegt, hem geen regt heeft, op dien toon te schrijven.

Magnet let vooral op Gods liefde, in de voordragt van de leer der verzoening, en verdedigt zijn gevoelen tegen de bedenkingen ‘van welmeenende menschen, die, uit vreeze van Gods heiligheid te miskennen, en de kracht van jezus verdiensten in het werk der verlossing meer of min te verloochenen, Gods liefde meenen te moeten bepalen, als een uitwerksel van jezus ontferming, die aan Gods strafvorderende geregtigheid door zijn lijden en zijnen dood voldeed.’ - De tachtiger magnet stelt, na ruim eene halve eeuw het Evangelie verkondigd te hebben, de leer der Verzoening voor, maar verheft zich, in deze zijne beschouwing, boven zijn standpunt als mensch. Wat de verzoening, naar ons inzien, volgens den Bijbel is, staat ons ter beoordeeling. Deze is de voor ons verlichte zijde van dit leerstuk. Ten opzigte van God bepale men niets, maar houde zich aan Hebr. II:10.

[pagina 375]

Dit geldt ook van het tweede stukje, dat leroy ten schrijver heeft, die als verweerder van calvijn's gevoelen optreedt, en daardoor weinig bijval zal vinden. Neen, leroy! de aanhef van uw stukje maakt, met al den lof aan uwen voormaligen ringbroeder magnet, niet goed, wat gij tegen 's mans gevoelen te berde brengt. Evenzeer wekt in ons een onaangenaam gevoel op, hetgeen gij, Voorrede IV, zegt van ‘der Leeraren nog in geenen deele te niet gedane verbindtenis aan de leer, in onze Hervormde Belijdenis overeenkomstig Gods woord begrepen, welke zeker nog iets, ja iets gewigtigs en voor allen geruststellends beteekent.’ Zulke snaren moet men niet roeren, vooral niet in stukjes, voor den zoogenaamden gemeenen man geschreven, die gewoonlijk de woorden: overeenkomstig Gods woord overslaat, omdat hij ze in derzelver eigenlijk doel en volle kracht niet verstaat. Ook le roy blijft niet op het grondgebied van beperkte menschen, door zijne beschouwing van de leer der Verzoening. Daarom stemmen wij niet toe, wat hij, in de boven aangehaalde aanteekening, zegt: ‘Calvinus begreep het beter, wanneer hij den dood van jezus eerst als een offer ter goedmaking onzer zonden aanmerkt, maar een offer, van God zelven uit liefde besteld, en ons zoo daarin een waarborg en pand, eene verklaring van Gods liefde doet vinden. Zoo is alles verstaanbaar en begrijpelijk, en hangt duidelijk zamen.’

De Godgeleerde Bijdragers hebben ons de moeite bespaard, uitvoerig verslag te geven van deze twee geschriftjes, wier dienst, bij het zamenstellen eener Geschiedenis der Leerstellige Godgeleerdheid, wel de grootste, zoo niet de eenige, zijn zal, of zijn kan.

Over het gehele werk:

  • titels: Vaderlandsche letteroefeningen
  • Over dit hoofdstuk/artikel - auteurs: S. Magnet / over Jacobus Johannes le Roy





raamsdonkshistorie.nl
raamsdonkshistorie.nl