Het geslacht Rosenbrand en Roosenbrand - in woord en beeld

Enkele woorden vooraf
Hoe kom je erbij om op zoek te gaan naar je voorouders?
Het zal omstreeks het begin van de vijftiger jaren van de vorige eeuw geweest zijn dat Johannes Rosenbrand (zie XIII-11) bij Janneke Pruijssers-de Jong, die bij hem in de buurt woonde, op verjaardagsvisite ging. Janneke Pruijssers-de Jong was een kleinkind van Janneke Rosenbrand en Pieter de Jong (zie XI-10)
Daar werd hem door Janneke de vraag gesteld: Johan mijn grootmoeder haar achternaam is ook Rosenbrand. Misschien zijn wij wel familie van elkaar?
Zou je dat eens uit willen zoeken voor me?
Nou daar werd Johan zijn belangstelling gewekt.
En jawel hoor, zo snel als maar mogelijk was, stapte hij naar het archief in Sprang-Capelle.
En wat ontdekte hij?
Dat zijn grootvader en de grootmoeder van Janneke broer en zus waren.
U begrijpt het al bij dit onderzoek bleef het niet en zo kwam al wat de naam Rosenbrand droeg aan bod.
Als zijn schoonzoon kwam ik in de vut en heb ik nog een zestal jaren met hem een aantal archieven in de regio Sprang-Capelle bezocht. Hierbij hebben we ook veel hulp gehad van Anieta van Geertrui, die het archief in het gemeentehuis van Sprang-Capelle beheerde. Haar zijn we dank verschuldigd. Ook hebben mijn schoonvader en ik veel bezoeken afgelegd bij mensen thuis, om zo gegevens te verzamelen die niet in de archieven te vinden zijn.
Helaas heeft hij zijn werk niet af kunnen maken.
Ik ben mijn schoonvader dan ook heel erg dankbaar voor al het materiaal dat hij voor de genealogie Rosenbrand verzameld heeft en waarmee ik verder kon gaan.
Verder wil ik Piet Konings van “Heemkundevereniging Sprang-Capelle” noemen die mij aan foto’s en tekst heeft geholpen en me verder bij heeft gestaan bij het bewerken en vormgeven van dit boekwerk.
Tevens mijn dank aan die heemkundevereniging, die het drukken van deze uitgave mogelijk gemaakt heeft (de vereniging draagt geen verantwoordelijkheid voor de inhoud van dit boek).
Ook wil ik nog noemen Martin Rosenbrand (XIV-83), die de herkomst van onze familienaam heeft uitgezocht.
Al deze mensen en vooral ook veel familie wil ik dan ook hartelijk bedanken voor hun medewerking.
Begrijp goed, deze genealogie is vanzelfsprekend niet compleet, er ontbreken altijd nog wel gegevens.
En helemaal af is hij ook niet, want de familie groeit immers maar door. Aan de andere kant vallen er natuurlijk ook weer mensen af. De genealogie is en blijft altijd in beweging. Mocht iemand van u nog aanvullingen, op- of aanmerkingen hebben, of onjuistheden vinden dan hoor ik het graag.
Wanneer je dan met genealogie van deze familie naam begint zul je ontdekken dat de naam van één en hetzelfde geslacht in de archieven veelal verschillend voorkomt. Het zijn vaak verschrijvingen. Men schreef nogal eens de naam op zoals hij klonk bij de uitspraak. Ook schreven mensen hun eigen naam soms verkeerd.
De naam van mijn overgrootvader was Rosenbrand en hij schreef Roozen Brand op zijn huwelijksakte.
De volgende schrijfwijzen van Rosenbrand kom je dan tegen: Rosebrand-Roosenbrand-Rozenbrand-Rosenbrant. En zelfs Rosenbrandt ben ik tegen gekomen.
Ga je bij al deze schrijfwijze terug naar hun voorouders, dan ontdek je dat het Rosenbrandt wordt. Zij het dat de eerste geslachten met een t in plaats van een d geschreven werden.
Waar stammen wij vanaf werd en wordt mij vaak gevraagd, zijn wij van Joodse afkomst? Nou zover ik heb kunnen nagaan zijn wij niet Joods of stammen daar ook niet vanaf. Ook tijdens de Duitse bezetting 1940-1945 kwam het ter sprake. Alle families met Joods klinkende namen moesten een "niet Jood verklaring” ondertekenen zie XII-100.
Wel hebben we in een uitgave van dr. Maartje Draak “Palet van Middelnederlandse Epiek", bij het hoofdstuk SEGHELIJN VAN JHERUSALEM, wat gevonden dat joods of bijbels overkomt. Daar wordt gesproken: “Dat de held zijn onoverwinnelijkheid heeft gekregen als een geschenk bij zijn geboorte, met als aanvullende gave dat -indien hij in nood raakt- niemand hem een bede zal kunnen weigeren. Aan dit laatste Is echter een voorbehoud verbonden: hij mag niet hebben gelogen.
De jonkvrouwen bij wie SEGHELIN zeven zonen heeft gewonnen (de Zeven Wijzen van Rome), zijn zeven prinsessen. Wanneer hij zijn geliefde Florret zweert geen zier om hen te geven, komt die meineed hem duur te staan.
Het zwaard “Rose(n)brant”, dat een grote rol speelt in het fragment, is het wapen waarmee Petrus het oor van Malchus afsloeg. (Zie Joh. 18 vers 10.)
Fragmenten die verder in het rijm voorkomen:
Over Rosenbrande een roestig zweerd,
Dat niet was twee pennink weerd.
Van zinen wonden werd hi genezen,
Die ingel schied van hem mettezen,
Doe deed hi aan dat goede habijt,
Ende hi verblide op die tijd
Als hi zag Rosenbrande.
Ende Seghelijn sloeg en weder
Voor zijn borst, dat hi ter neder
Vallen kwam, die gule groot.
“Ai Rosenbrand! dijn genoot
Als hi metten zweerde sloeg,
Het brak ontwee ende Seghelijn loech,
Ende verdroeg Rosenbrande
Ende sloeg’en zo, dat in den zande
Zijn één been afviel metten die,
En spanne boven die knie
De stamboom
Als je aan je vader zou vragen:
Zeg vader, sta je graag alleen?
Dan zou hij, denk ik zeggen:
Geef mij maar mensen om me heen.
Als je aan je moeder zou vragen,
Aan wie geef jij het leven door?
Dan zou ze, denk ik zeggen:
Ja kijk, daar heb ik jou nou voor.
Zou je aan je oma vragen:
Jouw leven, waar komt dat vandaan?
Dan zou ze, denk ik zeggen:
Van oma’s die niet meer bestaan.
Jij, je vader en je moeder,
Dit 1s een soort levensboom;
Die tak een eindje verder,
Dat is een tante of een oom.
Maar die opa’s en die oma’s
Die jaren terug gestorven zijn.
Ja kijk, ik zal maar zeggen,
DE FAMILIENAAM ROSENBRAND
De naam Rosenbrand behoort onder de familie-, geslachts- of achternamen tot de categorie der patroniemen of vadersnamen. Dat zijn in het algemeen namen die beginnen met een voornaam en oorspronkelijk eindigden op —zoon. Het achtervoegsel —zoon is in de loop der tijden vaak afgekort, verbasterd of weggelaten. Zo ontstonden uit Hendrikszoon: Hendriksen, Hendrikse, Hendriks en zelfs vormen als Hendrikxs. In Twente en de Achterhoek gebruikte men in plaats van —zoon het achtervoegsel —ing of -ink en in Friesland het achtervoegsel —ma of —sma.
Een heel aparte ondercategorie van de vadersnamen vormen de Germaanse vadersnamen. De Germanen gaven in die namen aan wat zij als de beste eigenschappen van de mens beschouwden. Die eigenschappen hebben vaak betrekking op het leger, de krijger, zijn wapens, de strijd, de zege en de heldenroem. Een aantal van deze namen hebben de eeuwen getrotseerd en bestaan nog steeds.
Rosenbrand is zo’n naam. De namen bestaan uit twee elementen of stammen. De stam hréth (spreek uit: rooz) van Rosenbrand betekent roem en de stam brand betekent zwaard. De betekenis van de naam Rosenbrand is dus ongeveer: roem (door zijn) zwaard. Tot de ‘zwaard’-namen horen in Nederland onder andere ook: Hellenbrand, Hildebrand, Hillebrand, Liebrand, Siebrand en Willebrand.
De Germaanse vadersnamen (mannenvoornamen) gingen over van vader op zoon en fungeerden dus in feite als achternaam. Maar omstreeks 700 na Christus is het Oudgermaans (dat in heel Noordwest Europa gesproken werd) uiteengevallen in een aantal dialecten, die de voorlopers zouden worden van de huidige Germaanse talen. Men begreep op een gegeven moment de betekenis van de namen niet meer. Tot laat in de middeleeuwen bestond er een systeem van eennamigheid: personen werden alleen benoemd door een voornaam. Een verdere overlevering van onbegrepen namen is dan uitgesloten.
Hoe is het dan toch mogelijk dat een naam uit het Oudgermaans in de zeventiende eeuw wordt aangenomen door een keuterboertje uit Loon op Zand? Naamkundigen nemen aan dat in een vroeg stadium de Germaanse naam, door de drager daarvan, werd gegeven aan een gebouw (een huis, een boerderij, een herberg of iets dergelijks) of een stuk land, dat men in eigendom of pacht had. Dit werd kenbaar gemaakt door een uithangbord, een gevelsteen of een eenvoudiger naambord. Men gaf ermee aan waar men woonde: de naam werd een adresnaam. Dat was ok wel nodig: huisnummers bestonden niet en in veel kleinere plaatsen hadden wegen geen (officiële) straatnaam. Zo'n adresnaam kon eeuwen blijven bestaan En op een gegeven moment worden overgenomen door de (dan toevallige) bewoner van dat adres.
Zo is ook de familienaam Rosenbrand weer opgedoken.
In het midden van de veertiende eeuw evenwel begrepen sommigen de betekenis van de naam nog wel. Dat blijkt uit het berijmde Middelnederlandse ridderverhaal Seghelijn van Jherusalem, dat omstreeks 1350 in Vlaanderen door de verder totaal onbekende Loy Latewaert geschreven is. Het bizarre en sensationele verhaal, vol onwerkelijke avonturen, speelt zich af in de eerste eeuw na Christus. Hoofdpersoon is de onoverwinnelijke ridder Seghelijn. Die onoverwinnelijkheid heeft hij voor een niet gering deel te danken aan zijn zwaard. Dat zwaard zou hetzelfde geweest zijn als waarmee Petrus in de Hof van Gethsémane het oor van Malchus heeft afgeslagen. (zie Johannes 18:10). In middelnederlandse ridderverhalen is het gebruikelijk dat een ridder niet alleen zijn paard, maar ook zijn wapens (schild, zwaard) een naam geeft.
Welnu: het zwaard van Seghelijn heet Rosenbrand. De betekenis van de naam is iets gewijzigd: de stam hrôth fungeert nu als bijvoeglijk naamwoord met de betekenis: roemrucht, beroemd. Seghelijn heeft dus een mooie naam voor zijn zwaard gekozen: roemrucht zwaard. Het ridderverhaal Seghelijn van Jherusalem is zeker twee eeuwen behoorlijk populair geweest, maar nu (terecht) vergeten.
De naam Rosenbrand kent drie (spellings)varianten: Rosenbrand, Roosenbrand en Rozenbrand. De verschillen zijn zonder betekenis en moeten ontstaan zijn bij de na de naamsvastlegging in 1811 en 1825. (Zie ook: Naamsaanneming)
Zij kunnen dus op het conto van de toenmalige dienstdoende ambtenaren van de burgerlijke stand worden geschreven. Volgens het Meertens Instituut te Amsterdam (de autoriteit in Nederland op het gebied van naamkunde) waren er in 2007 449 personen met de familienaam Rosenbrand. Roosenbrand kwam 175 keer voor en Rozenbrand 127.
Ter vergelijking: zestig jaar daarvoor bij de volkstelling van 1947, waren de aantallen respectievelijk 272, 52 en 98. Bepalend hierbij is de geboortenaam. Vrouwen die bij een huwelijk de naam van hun man aannemen, blijven bij deze tellingen meetellen als een Rosenbrand. Ten opzichte van 1947 is het aantal Ro(o)s(z)enbranden met 80% toegenomen.
Opvallend is het volgende: woonden in 1947 nog vrijwel alle naamdragers in Noord-Brabant, in 2007 zijn zij over heel Nederland uitgezwermd. Maar de meesten wonen ook nu nog in (centraal) Noord-Brabant, met grote concentraties in de huidige gemeenten Waalwijk, Dongen en Loon op Zand. De familienaam Rosenbrand is relatief onbekend en het aantal dragers ervan vrij klein, maar de naam kan bogen op een eerbiedwaardige leeftijd!
Geraadpleegde literatuur:
- Palet van Middelnederlandse Epiek. Bijeengebracht en van commentaar voorzien door M. Draak. 2e druk. Culemborg, 1974. Klassieken Nederlandse Letterkunde.
- A.N.W. van der Plank, Het namenboek. De herkomst van onze _voornamen en de _hiervan afgeleide achternamen. 4° druk. Houten, 1986.
- J. Winkler en J. Nijen Twilhaar, Achternamen in Nederland en Vlaanderen. Oorsprong, geschiedenis en betekenis. Den Haag, 2006.
- Website van het Meertens Instituut: www.meertens.knaw.nl
HOE ZOEK JE NAKOMELINGEN OF VOOROUDERS OP IN DEZE GENEALOGIE?
Gekozen voor deze genealogie is de wat minder gebruikelijke horizontale vorm van opstelling: dus afwerking per generatie hetgeen bepaalde voordelen biedt, overzichtelijker, de nummering is eenvoudiger en een gemakkelijkere verwerking van aanvullingen en/of wijzigingen en verbeteringen.
leder lid heeft een eigen nummer zowel vrouwelijk als mannelijk.
De nummers zijn samengesteld uit het Romeinse getal voor de generatie en een volgnummer, zo is het volgen van een bepaalde tak naar boven of beneden vrij eenvoudig.
Zo staat er bij elk gezin “Kind(eren) volgen" met een Romeins getal plus een volgnummer (als er een kind is).
Wil je terug zoeken: dan staat er bovenaan bij het oudste kind van elk gezin “Kinderen van” met ook weer een Romeins getal plus een volgnummer.
Een voorbeeld: Bij gezin IX-1 staat boven “Kinderen van” VIII-2 terwijl onder het gezin staat “Kinderen volgen” X-1 t/m 9.
Zo kun je dus direct zien wie de ouders zijn of de kinderen.
“Kinderen volgen” wordt uiteraard alleen gebruikt bij mannelijke leden, kinderen van vrouwelijke leden staan direct bij het gezin.
Achterin bij bijlage “A” en “B” bevinden zich indexen met op alphabet de namen van aanverwante families en de voornamen van
alle “Ro(o)(s)(z)enbran(d)(t) en” die maken het geheel nog wat toegankelijker.
Genealogie Rosenbrand

De Zuid-Hollandsedijk vormde en vormt nog steeds de grens tussen de gemeenten Loon op Zand en de vroegere gemeenten ‘s-Grevelduin-Capelle, Vrijhoeve-Capelle en Sprang (vanaf 1923-1997 Sprang-Capelle en vanaf | januari 1997 gemeente Waalwijk).
Voor 1798 was het zelfs de grens tussen de Noordelijke- en de Zuidelijke Nederlanden: Holland en Brabant (zie kaartje hieronder)
Het opvallende was in het verleden dat aan de Noordzijde van deze straat de Protestanten woonden en aan de Zuidzijde de Katholieken.
In deze buurt zijn de eerste sporen geyonden van het geslacht Rosenbrand. In het begin was dat de gemeente Loon op Zand later werd dat de gemeente ‘s-Grevelduin-Capelle. Vermoedelijk hebben de eerste Rosenbranden aan de Zuidzijde gewoond en later aan de Noordzijde.

Eerste generatie
Tweede generatie

Derde generatie
III. Adriaen Janszn. Rosenbrant

Vierde generatie
IV.
Jan was landbouwer en woonde in de Nieuwe Moerstraat te Loon op Zand.
Jan huwde met Geeritken Jansdr. Sijmens omstreeks 1635 te Loon op Zand.
2. Jaspar Adriaensz. Rosenbrant
3. Claes Adriaensz. Rosenbrant
4. Theodorus Adriaensz. Rosenbrant

Vijde generatie
V.
1. Johanna Rosenbrant
2. Theodora Joannis Rosenbrant
3. Gerarda Joannis Rosenbrant
4. Wouter Jasparszn Rosenbrand
5. Nog niet bekend
6. Jan Claeszn Rosenbrand
7. Adriaantje Rosenbrand
8. Dirck Rosenbrand (Paenacker)
9. Peter Niclaessen Rosenbrand



Eet van Jan Clasen
roosenbrant als vader ende
voocht van sijne onmondicge
kinderen verweckt aen
Mariken adriaenssen de bosser
ende jan de bosser als toe
siender van voorschreven
weesen

Wij Jan Claessen rosanbrant als vader ende
voocht van sijne onmondige kinderen venveckt
aen wijlen Mariken adriaenssen de bosser
ende jan de bosser als oom ende toesiender
der voorss(aide) weeskindem, ende gelooven
de voorss(eide) weeskinders, penningen ende goederen
wel te regeren tot voordeel van de voors(seide)
weesen de penninge van dion uijt tesetten
op behoorelijcke intrest, sonder eeniga
vandien te belasten offte beswaren sonder
consent van schout ende Heemraden
als opper voochden van alle weesen inge
volge de orde ende plichten daer toe staende
ende van alle twee jaren aen schout ende
Heemraden van haren ontffancq ende
uljtgave te doen behoorel(ijcke) reeckeninga
bewijs ad roliquer allent gene voorss(eid) is
gsloven den voorss(eide) voocht ende toesiender
naer te comen op dese woorden soo
Waerlijck helpt ons goat almachticgh
coram Jan Anenssen Cnaep ende
Carnells van(den) Hoeck Heemraden actum
dosan 20e febr(ruarij) 1685
De merken (handtekeningen van) merck van Jan de bosser
Jan Claes(en) Rosenbrant - Johan Cnaep
Cornelis van Houck

Zesde generatie
VI.
Kinderen van Jan Claeszn. Rosenbrand (uit eerste huwelijk)
1. Marie Rosenbrand
2. Adriaan Rosenbrand
3. Peter Rosenbrand
Kinderen van Jan Claeszn. Rosenbrand (uit tweede huwelijk)
4.
5.
6.

Zevende generatie
VII
Kinderen van Claes Rosenbrand & Geertiken Jacobs Nieuwenhuisen
1. Wilmke Claesdr. Rosenbrand
2. Huibertje Claesdr. Rosenbrand
3. Johannes Claeszn. "Jan" Rosenbrand
5. Jacobus Claeszn. Rosenbrand
6. Johanna Claesdr. Rosenbrand

VII
Kinderen van Antonie Janszn. Rosenbrand & Geertrui Jansdr. van Nieuwenhuysen
1. Dingena Antonijsse "Dina" Rosenbrand
2. Johannes Antonisse Rosenbrand
3. Johannes Antonisse Rosenbrand
4. Jan Antonijssen Rosenbrand

In 1747 werd door de Staten van Holland toestemming gegeven voor het bouwen van de kerk.
Het duurde echter nog twee jaar voor de bouw kon beginnen.
De oorzaak was, dat vanwege de oorlogshandelingen tussen Staats-Vlaanderen en Frankrijk de omgeving van Capelle onder water was gezet.
Deze achtzijdige Zaalkerk is aan de Zuidzijde op de oude fundamenten gebouwd en is de vierde kerk op deze plaats.
De kerk werd op 1 november 1750 in gebruik genomen en ingewijd door Ds. J Zeijlmans (Ook genaamd Seijlmans).[1]


Achtste generatie
VIII
Kinderen van Johannes Claeszn. Rosenbrand & Maria Cornelisse de Rooij
1. Nicolaes Jansz. Rosenbrand
2. Cornelis Jansz. Rosenbrand

3. Willem Jansz. Rosenbrand
4. Johanna Jansdr. Rosenbrand
5. Antonie Janszn. Rosenbrand
6. Geertrui Jansdr. Rosenbrand
7. Adriana Jansdr. Rosenbrand
8. Maria Jansdr. Rosenbrand
9. Clasina Jansdr. Rosenbrand

Voorbeeld van een borgbrief
Borgbrief 1726
Wij Gijsbert Verwiel officier, Johan
Hendrick Molengraef en Jan Ravens,
Schepenen der stede en vrijheijdt van Wael-
wijck doen te weten, dat voor ons gecompa-
reerdt is Pieter van Wel Provisoir der
Arme-Tafele alhier ter Stede den welcken
in die qualiteijt heeft beloofdt Gelijck hij doet
bij desen op verbintenisse van de revenuen
en inkomsten van deselve Arme-Tafele
den Huijs Armen der Heerlijckheijdt Meeu-
wen, ende alle andere in cas van noodt, te
sullen bevrijden kost en schadeloos te houden
van ‘t onderhoudt van Francisca Treffers,
Huijsvrou van Arendt Vinck ende van de
twee kinderen dewelcke alhier tot Waelwijck
uijt haer geboren sijn. Ende welcke Fran-
cisca Treffers haer nu onlangs binnen Meeuwen
voors. (voorseijt), metter woon heeft ter neder gesteldt.
Aldus gedaen en gepasseerdt binnen Waelwijck voornt. (voornoemt), op huijden (heden) den negenden April Seventien hondert ses en twintig.Bijt Oirkonde
C. Molengraef Secrets
(Secretaris)
Kinderen van Johannes Antonisse Rosenbrand & Elisabeth Adriaans de Rooij
1. Johanna Janse Rosenbrand
2. Adriaen Johanneszn. Rosenbrand
3. Geertrui Johannesdr. Rosenbrand
4. Johannes Johanneszn. Rosenbrand
5. Geertrui Johannesdr. Rosenbrand
6. Dingena Johannesdr. Rosenbrand
7. Gerrit Johanneszn. Rosenbrand

Kind van Jan Antonijssen Rosenbrand & Anna Fransdr. van Osch
1. Geertrui Jansdr. Rosenbrand

Negende generatie
Kinderen van Cornelis Janszn. Rosenbrand & Catharina Petersdr. van Kampen
1. Pieter Corneliszn. Rosenbrand
2. Maria Cornelisdr. Rosenbrand
3. Catharinina Cornelisdr. Rosenbrand

Kinderen van Antonie Janszn. Rosenbrand & Geertrui Barendse Dalmeijer
1. Jan Arieszn. Rosenbrand
2. Willemina Antonisse Rosenbrand
3. Maria Antonisse Rosenbrand

Kinderen van Adraen Johanneszn. Rosenbrand & Jenneken Machielse Swart
1. Machiel Adroaanszn. Rosenbrand
2. Johannes Adriaanszn. Rosenbrand
3. Gerrit Adriaanszn. Rosenbrand
4. Catharina Adriaansdr. Rosenbrand
Kinderen van Gerrit Johanneszn. Rosenbrand & Adriana Dirkse Swart
1. Johannes Gerritzn. Rosenbrand
2. [https://genealogie-raamsdonk.nl/family.php?tree_id=1&id=&main_person=I
3. [https://genealogie-raamsdonk.nl/family.php?tree_id=1&id=&main_person=I
4. [https://genealogie-raamsdonk.nl/family.php?tree_id=1&id=&main_person=I
5. [https://genealogie-raamsdonk.nl/family.php?tree_id=1&id=&main_person=I
6. [https://genealogie-raamsdonk.nl/family.php?tree_id=1&id=&main_person=I
7. [https://genealogie-raamsdonk.nl/family.php?tree_id=1&id=&main_person=I

Tiende generatie
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.

Kinderen van IX-7
1.
2.
3.

4.
5.
6.

7.
8.
9.
10.
11.
12.
Kinderen van IX-9
1.
2.
3.
4.
5.
6.




Straatbeeld gezien vanuit het westen met twee vrouwen aan de kant op de dijk.
Elfde generatie
Kinderen van X-1
1.
2.
3.
4.
Kind van X-3
1.
Kinderen van X-10
1.
2.
3.
4.
5.
6.

Kinderen van X-11 uit eerste huwelijk
1.
Kinderen van X-11 uit tweede huwelijk
1.
2.
3.


Kinderen van X-11 uit derde huwelijk
1.
2.

Kinderen van X-19
1.
2.
3.
4.
5.
Kinderen van X-23
1.
2.
3.

Twaalfde generatie
Gerrit Roosenbrand & Jo van Wijngaarden
1. Cornelis Johannes Rosenbrand
2. Dingena Rosenbrand
3. Dingena Anna Rosenbrand
4. Johannes Rosenbrand
5. Anna Pieternella Rosenbrand
Dertiende generatie
Gerrit Roosenbrand & Riek van Lieverlooy

1.
2.
3.
4.
5.
Veertiende generatie
1.
2.
Vijftiende generatie
1.
2.
3.
4.
5.
6.
Zestiende generatie
1.
2.
3.
4.
5.
Geschiedenis Sprang-Capelle

Sprang-Capelle, een gemeente in het noorden van Midden-Brabant, bestaande uit de voormalige dorpen en gehuchten Capelle, Hoge-Vaart, Nieuwe Vaart, Oosteind, Sprang, Sprangsevaart, Vrijhoeve-Capelle, Zandschel, Nederveen-Capelle, Zuidewijn-Capelle, ‘s-Grevelduin-Capelle.
Het gebied bestaande uit Capelle, Vrijhoeve-Capelle, Sprang, Zuidewijn en Labbegat, werd op het einde van de 13e eeuw door de graaf van Holland, Willem V van Holland, verkregen door de hertog van Brabant. Als eigenlijke geboortedag wordt 3 juli 1313 beschouwd toen Willem V Graaf van Holland, Henegouwen en Zeeland, Heer van Friesland aan Huno Laurenz van Wieldrecht twintig hoeven, moer en wildernis in erfpacht gaf. Twintig hoeven, die volgens de stichtingsakte, waarvan een kopie is bewaard, ten westen van het Loenremeer lagen voor St. Geertruidenberg, in de richting van Die Sprenghe, het beekje waaraan Sprang zijn naam te danken heeft.
Sprang-Capelle ligt vlak aan de snelweg A59 in de streek “de Langstraat”. “De Langstraat” bevindt zich tussen Den Bosch en Geertruidenberg. Nabij is de Efteling (Kaatsheuvel) en het natuurgebied “de Loonse en Drunense duinen”. Boven Capelle ligt de Bergsche Maas, Capelle bezit dan ook een mooie jachthaven.
In 1923 worden de gemeentes herzien en ontstond ook de gemeente Sprang-Capelle, bestaande uit Capelle, Vrijhoeven-Capelle en Sprang.
De nieuwe gemeente had ongeveer 5000 inwoners. De meeste inwoners kwamen uit Capelle (2005 ha.) : 2564.
De gemeente Sprang (423 ha.) zorgde voor 1872 inwoners en Vrijhoeve-Capelle (173 ha.) voegde er 559 inwoners aan toe. (in 1986: 8417 inw. en 2561 ha.)
Capelle had verreweg de grootste oppervlakte. In de nieuwe gemeente stonden drie raadshuizen. Aanvankelijk werd er bestuurd vanuit het gemeentehuis van Capelle. Er werd echter een plan gemaakt voor een nieuw raadhuis in het centrum van de gemeente namelijk Vrijhoeve-Capelle. De Capelse raadsleden verzetten zich hiertegen. Het mocht echter niet baten: op 5 december 1924 werd het nieuwe raadhuis in Vrijhoeve-Capelle in gebruik genomen. De eerste burgemeester van Sprang-Capelle, de heer Meijer (per. 1923-1934), was zich bewust van de onderlinge wrevel en anticipeerde hier telkens goed op. De heer Meijer, hij blonk uit in onpartijdigheid en was een goed bestuurder.
Capelle ontwikkelde zich verder. De glastuinbouw kwam op. De teelt van platglasproducten (meloenen, witte komkommers, sla en bospeen) kon zich vanwege een ideale waterbeheersing ontwikkelen.
De oorlog ging ook niet aan Sprang-Capelle voorbij. Sprang-Capelle werd eind oktober 1944 bevrijd, maar de oorlog was nog niet voorbij, tot eind januari 1945 lag Capelle, en vrijwel de hele Langstraat, midden in het frontgebied. De geallieerden hadden de Langstraat bevrijd, maar aan de overzijde van de Bergsche Maas (het Land van Heuden en Altena) waren de Duitsers nog heer en meester. Er volgden zware beschietingen. De trieste balans van de strijd rond het Capelse Veer: honderden doden en gewonden.
Na de oorlog moest er in Sprang-Capelle veel herbouwd worden, Capelle had in 1879 een schitterend raadhuis aan de Hoofdstraat gebouwd maar werd in de Tweede Wereldoorlog helaas verwoest door een verdwaalde V1.
In de periode 1886-1890 werd de spoorlijn Zwaluwe – ’s Hertogenbosch aangelegd. Deze spoorlijn kreeg al gauw de bijnaam “halve zolenlijntje”, omdat vooral de schoen- en lederindustrie er gebruik van maakte. Ook Capelle kreeg een station: het station Capelle-Kaatsheuvel. Voor de Capellenaren was de ligging van het station Capelle-Kaatsheuvel echter zeer ongelukkig, het lag helemaal aan de oostzijde van het dorp. In 1893 werd dat probleem opgelost, op de hoek van de Heistraat en Nieuwevaart kwam een nieuw station. Capelle beschikte vanaf dat moment over twee stations.
In 1950 stopte op de spoorlijn Zwaluwe – ’s Hertogenbosch het personenvervoer en niet veel later stopte ook het goederenvervoer. In 1953 ontkwam ook Capelle niet aan de watersnoodramp, er ontstond voor honderdduizenden guldens schade.
De binnenhaven van Capelle werd eind jaren 1950 gedempt. Aan het eind van de jaren 1960 kwam Sprang-Capelle aan een snelweg de liggen, de Maasroute (A59). In 1986 werd begonnen met het verwijderen van de rails en bielzen van de spoorlijn Zwaluwe – ’s Hertogenbosch. Momenteel ligt er een fietspad het Halve Zolenpad.
In 1997 was er opnieuw een gemeentelijke herindeling, Sprang-Capelle, Waspik en Waalwijk samengevoegd. Hoewel Sprang/Vrijhoeve zijn karakter verliest door nieuwbouw blijft Capelle echter zijn eigen karakter behouden. Een stukje van het “oude Capelle” is zelfs teruggekomen, in 1998 werd de binnenhaven van Capelle weer gedeeltelijk open gelegd. Ook in Capelle zelf is er sfeervol aan de bestrating en verlichting gewerkt.
Niettemin zijn er in Sprang/Vrijhoeve ook nog talrijke schitterende (monumentale) panden te vinden tussen de lelijke nieuwbouw.
Geschiedenis Capelle

Capelle ca. 2005 ha. (Sprang-)Capelle ligt vlak aan de snelweg A59 in de streek “de Langstraat”. “De Langstraat” bevindt zich tussen Den Bosch en Geertruidenberg.
Voor de insiders:
- Capelle wordt in het oosten begrensd door de Loonsestraat, Julianalaan en Hogevaart. Capelle begint dus vanaf het oosten gezien bij de Zuidhollandsedijk (vanuit het oosten gezien de rechterzijde van deze straat; de linkerzijde hoort bij Kaatsheuvel), Heistraat (Zidewinde) en de kruising Winterdijk/Hogevaart;
- Capelle wordt in het westen begrensd door Waspik. Vanuit het westen begint Capelle vanaf onder andere de Waspiksedijk en de Juffrouwsteeg (sportpark s.v. Capelle);
- in het noorden wordt Capelle begrensd door de Bergsche Maas;
- in het zuiden wordt Capelle voornamelijk begrensd door Kaatsheuvel.
De naam Capelle komt waarschijnlijk het eerst voor in 1353.
Op de maandag na St.Laurens, 12 augustus 1353, gaf graaf Willem V van Holland aan Gerrit van Nederveen een moer (moerassig land, veenslik), 500 roede (maateenheid) breed, “gelegen zuydwaerts af te Brabant waert jegens het ambacht Cappellen”.
De gemeente was ontstaan uit een drietal ambachtsheerlijkheden, namelijk Nederveen-Capelle, ‘s-Grevelduin-Capelle en Zuidewijn-Capelle.
- In 1441 wordt Adriaan Schrevel beleend met een deel van Capelle.
- In 1479 wordt Beatrix/Barbara Schrevel beleend met een deel van Capelle.
- In 1514 stonden er in Capelle 104 haardsteden. De bewoners leefden van de turfnering en het vervoer van de turf naar Holland en Zeeland op kleine schuiten en zo’n 53 grote schepen. In de winter werd ruim een derde van de bevolking onderhouden door de Tafel van de Heilige Geest, zoals het Armenfonds toen genoemd werd. Volgens de verpondingslegger van 1732 stonden er in dat jaar 233 huizen.
In 1809 telde de gemeente 1429 inwoners en 272 huizen. Op de grens van Nederveen en Zuidewijn stond de parochiekerk van Capelle. Na de St.Elisabethsvloed bleef de plaats bekend als “het out kerkhoff”. Achter de Winterdijk werd een nieuw bedehuis gebouwd. De kerkgangers kwamen zowel van ’s Grevelduin als van Vrijhoeve-Capelle. Ter fundering werden elzenpalen gebruikt, in 1591 stortte het gebouw in. Het werd herbouwd en deze kerk hield stand tot in de 18e eeuw. Hoewel de openbare uitoefening van de katholieke godsdienst in het gewest Holland al in 1576 verboden was, kreeg de Reformatie in deze streken pas haar beslag tijdens het Twaalfjarige Bestand. De Staten van Holland benoemden in 1610 Cornelius Polletz, werkzaam in Uitwijk en Waardenhuizen, tot predikant van Capelle, Raamsdonk en Waspik.
De laatste twee plaatsen kregen na respectievelijk twee en zes jaar een eigen voorganger. Het kerkgebouw moest voor de Hervormde eredienst worden afgestaan. Op de noordelijke fundamenten van de bouwvallige kerk werd in het midden van de 18e eeuw de thans nog bestaande achthoekige zaalkerk gebouwd, die door ds. J. Zeijlmans op 1 november 1750 werd ingewijd.
Toen het geringe aantal katholieken op de grond van het zesde additionele artikel van de Staatsregeling van 1798 pogingen ondernamen om het kerkgebouw weer als het hunne te mogen beschouwen, maakten ze geen schijn van kans.
In 1809 telde Capelle 1238 Gereformeerden, 175 Rooms-katholieken, 1 Lutheraan en 15 Joden.
De ambachtsheer van Capelle bezat 3/4 van het tiendrecht, dat geheven werd bij de Hoge Vaart, bij de kerk en bij het Stapeleind. Het laatste kwart berustte in 1806 bij mevrouw de weduwe J.Verster de Ballien, Maarten Konings en Pieter Boezer. Zij hieven van de plaatselijke bewoners een tiende deel van de oogst en van het jonge vee. Oorspronkelijk was de opbrengst bestemd voor de instandhouding van de kerk en het onderhoud van de voorganger.
Bij de kerk woonde de predikant en stond de school, ter plaatse van het huidige adres Hoofdstraat 17. Een schoolmeester kwam al voor in 1571.
Het gebied behoorde tot 1795 bij Holland.
De ontginners van het gebied Capelle legden vaarten aan voor de afvoer van de turf naar de Hollandse steden. Door de turfvaart vestigden zich in de Langstraat ook vele schippers en scheepswerven. Ook de landbouw begon zich gaande weg te ontwikkelen. In 1822 is te Capelle op de Langstraat in Noord-Brabant een scheepswrak gevonden. Het schip is opgegraven en onderzocht door Glavimans, die ook een model van het schip heeft vervaardigd.
In het schip van Capelle zijn tegels gevonden die uit de tweede helft van de 16e eeuw dateren. Een rapport over het onderzoek is in 1824 gepubliceerd door het Koninklijk Nederlandsch Instituut, de voorloper van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen. Het onderzoek trok indertijd grote belangstelling. Zo schreef de bekende Nederlandse archeoloog C.J.C. Reuvens een verslag, dat verscheen in het tijdschrift Antiquiteiten. Andere berichten verschenen in de regionale pers en in de Konst- en Letterbode (1822).
Geschiedenis Sprang

Twintig hoeven, die volgens de stichtingsakte, waarvan een kopie is bewaard, lagen ten westen van het Loenremeer voor St.Geertruidenberg, in de richting van Die Sprenghe, het beekje waaraan Sprang zijn naam te danken heeft. Sprang behoort tot het dorp Sprang-Capelle.
Het gebied bestaande uit Capelle, Vrijhoeve-Capelle, Sprang, Zuidewijn en Labbegat, werd op het einde van de 13e eeuw door de graaf van Holland, Willem V van Holland, verkregen door de hertog van Brabant. Op 3 juli 1313 gaf Willem V Graaf van Holland, Henegouwen en Zeeland, Heer van Friesland aan Huno Laurenz van Wieldrecht twintig hoeven, moer en wildernis in erfpacht.
Twintig hoeven, die volgens de stichtingsakte, waarvan een kopie is bewaard, ten westen van het Loenremeer lagen voor St.Geertruidenberg, in de richting van Die Sprenghe, het beekje waaraan Sprang zijn naam te danken heeft.
Huno Laurenz van Wieldrecht kreeg toen tevens het recht om over de bewoners recht te spreken “van sinen moer op den Spranc bi Beysoeyen”.
Het was toen nog een onherbergzame, gevaarlijke streek “vol quade moeren ende laechten”, die in het Brabantse land uitliepen maar aan Holland toebehoorden. Al eerder had graaf Willem III van Holland omstreeks 1305 aan twintig vrije lieden met hun gezinnen “twintch hoeven moers vuyt elcke hoeve van XVI morgen”, uitgegeven. De grond werd uitgedolven en er werden dijkjes en staatjes aangelegd. Toen men eenmaal zover was, bleven 240 morgen bruikbaar land “wesende licht bruikbaar land” over. Op die plek verrees het dorp “Dye Sprancke oft Spranghe” genoemd.
Het ambachtsheerlijkheid Sprang behoorde in de 15e en 16e eeuw toe aan het adellijke geslacht Van der Duin, de Van der Duinstraat in Sprang refereert hier nog naar. Verondersteld is, dat deze Heren begonnnen waren als schout, die met de heemraden, later schepenen, de dorpsrechtbank uitmaakte.
Na 1440 werd de Winterdijk aangelegd, als gevolg van de St.Elisabethsvloed (1421). Er bleven toen enkele wielen (wiel= plas die na een dijkbreuk of overstroming is ontstaan) over, o.a. die van Zuidewijn.
In 1500 had het dorpje nog maar 600 inwoners, in 1600 waren dat er 1000, die in de Nieuwstraat, de Oudestraat en aan de Vaart woonden.
De landbouw was vanaf het begin af aan een middel van bestaan, maar voldoende was dit niet, ook het turfsteken speelde er een grote rol. De meeste inwoners van Sprang waren echter aangewezen op werk elders, zoals uit een archiefstuk blijkt: Omdat het “den schamelen ingeseten onmogelijck is den cost te winnen moeten sy op andere plaetsen ende in andere landen met haeren arbeyt den cost gaen winnen”, zoals “in de Vriese ender Gelderse venen”. Daarom ook gingen ook anderen werk zoeken in omliggende dorpen, Holland, Brabant en zelfs Zeeland. De turfgraverij had ook tot gevolg gehad, dat het dorp te kampen kreeg met een slechte ontwatering. Grote gebieden ten zuiden van de banddijk van de Langstraat waren door de St.Elisabethvloed onder water komen te staan in 1421. Veenbanken konden hierdoor niet meer worden ontgonnen.
Aanvankelijk was Sprang een katholiek dorp, waar al vrij vroeg een kapel kwam te staan, waarvan de kerk van Loon op Zand de moederkerk was. In 1325 stond er al een bedehuis en in 1329 noemde de pastoor van Loon op Zand, Henricus Stiercken, zich “pastoir van Venloen en Spranghe”. Vanuit zijn oude parochie leidde hij de kapelaandienst van Sprang. De helft van de tienden waren voor de pastoor de andere helft voor de graaf. Graaf Philips van Bourgondië wees die tienden in 1464 toe aan pastoor Jan van Beringen van Loon op Zand en Sprang, maar als voorwaarde werd uitdrukkelijk gesteld, dat de pastoor er voor moest zorgen, dat de katholieken van Sprang zouden worden bediend en dat er minstens tweemaal per week, op zondag en op donderdag, een mis zou worden gelezen. Verder bepaalde graaf Philip van Bourgondië dat de kapel van Sprang na de dood van deze pastoor “zou geenigeert worden in eender parochiekercke”. De pastoor overleed omstreeks 1474. De kapel werd verbouwd en vergroot; omstreeks 1475 waren toren en kerk voltooid. Op een klok vastgelegd: ‘S butendyc maeckte mi, 1475. Elck eere my, al ic bescrey de doden ende roep den levende toe Godes dienste. Een eigen pastoor heeft Sprang nooit gekregen, de parochie bleef onder supervisie van Loon op Zand.
Tijdens de Tachtig Jarige Oorlog, in 1610, werd de kerk op staat van de Staten van Holland aan de hervormden gegeven. De eerste predikant was Cornelis Hanecop. Al vrij gauw raakte de kerk in verval. Rond 1600 was er bij Sprang het Cnoppen Ambacht deze moest gelegen zijn aan/bij de Sprangse Sloot.
In 1624 slaat de Prins van Oranje voor de winter zijn kamp op in de Langstraat, waarbij de graaf van Mansveld zijn Franse, Engelse en andere buitenlandse troepen in Sprang en Vrijhoeve laat logeren. Gevolg: alle granen en ander voedsel wordt in beslag genomen en gedurende de winter worden inwoners telkens als gijzelaar vastgezet.
In 1625 breekt na het vertrek van de legers uit de Langstraat de pest uit. “Deze epidemie is zo hevig “dat het meeste part der menschen daeraff alsdoen zijn gestorven, daerdoer vele landerijen eenige jaeren lanck ledich ende vogelweije zijn blijven liggen”. (bron: Stichting Adriaean Snoermans Fond)
In 1636 liggen de troepen van de prins van Oranje te Sprang, maar de brigade van de hertog van Bouillon slaat het kamp gedurende twee maanden op binnen de heerlijkheid, namelijk aan de Vaart. Deze brigade rooft en vernielt alle rogge, boekweit en andere veldgewassen, maar breekt ook nog eens zo’n zeventig huizen en schuren af, om het hout te gebruiken voor het opbouwen van eigen hutten en barakken. (“sijnde alsdoen bij ende doer het leger ende voetvolck int maecken van henne hutten, boijen ende bracken wel LXX huijssen en schueren totaliter inden gront afgebrooken, ende allen het hout soe opgaende als andere tenemael afgehouwen ende vernielt”). In een verklaring, afgelegd door twee inwoners van Sprang, lezen we nog over de afbraak van de huizen: dat “inde voors. heerlicheijt ende dorpe van Loon opt Sant doer het voetvolck ende infanterije desselffs legers gansselijck affgebroken ende geruineert zijn drije en vijfftich woonhuijsen ende schueren, negen turffhuijsen, sulcx dat noch kelders noch schoorsteenen daer aff overgebleven zijn”.
In 1666 heerschte hier ene pest, die er reeds lang gewoed en vele menschen ten grave gebragt hadt. In 1748 lagen op de heide, tusschen Loon op Zand en Waalwijk, de Staatsche en Duitsche hulpbenden gelegerd. Hier was, van den 30 October tot den 27 November, hunne laatste legerplaats, wijl de vrede, te Aken getroffen, den 18 November dadelijk werdt getekend; waarover, zo door het klein geweer, als door het kanon, door deze gelegerde benden ene grote vreugde werdt bedreven. (bron: Steph. Hanewinkel Geschied- en aardrijkskundige beschrijving der Stad en Meierij van ’s Hertogenbosch (1803) Stichting Adriaean Snoermans Fond)
=== 1811: ===
In 1811 moest de torenspits voor de helft worden gesloopt. Deze plek werd uitverkozen om een seintoestel op te plaatsen, dat in 1816 weer werd opgeruimd en er werd een kleine spits op de toren geplaatst. In het begin van de 19e eeuw bemerkte men dat de kerk aan het verzakken was. In 1911 werd zij gerestaureerd. Ondertussen was Sprang van de turfstekerij steeds meer overgeschakeld op de hooibouw, veeteelt en veehandel. Naast de landbouw gingen de bewoners zich ook toeleggen op de industrie van de Langstraat, namelijk schoenen en leer. Sprang is tot 1813 Hollands grondgebied gebleven, in 1923 onstaat uit de voormalige gemeenten, Vrijhoeve-Capelle, Sprang, Capelle, de nieuwe gemeente Sprang-Capelle.
Bijlage A
Bijlage B
Index
Bron: Het geslacht Rosenbrand - in woord en beeld, Joh. Rosenbrand en L.J. Rosenbrand
OCR, Digitalisering en Wiki opmaak: Terry van Erp

- ↑ Terry van Erp - Bij de kerk woonde de predikant en stond de school, ter plaatse van het huidige adres Hoofdstraat 17. Een schoolmeester kwam al voor in 1571.
