Een historisch - geografische benadering van de naam en de ouderdom van bewoning omtrent Raamsdonk

Uit Wiki Raamsdonk

Door: Drs. H.J.M. Thiadens
In het Woordenboek van Dr. J de Vries lezen we bij Raamsdonk: is een donknaam, van, waarvan het eerste woord hramasa "look" kan betekenen, maar men kan het ook afleiden uit hramm naast hrafn "raaf". Dan is de naam Ransdorp te vergelijken. Evenals in Arendonk kan ‘dit Ravendonk het woord donk in de betekenis van "hoog nest " bevatten" [1].
In het etymologisch woordenboek van Dr.J. de Vries lezen we bij raam: "vgl.ohd. rama "steunsel, stut" naast mhd. rem reme “omlijsting”[2]

Een donk is een verhevenheid in een moerassige omgeving.
In de samenstelling Raamsdonk moet dus het eerste element iets naders zeggen omtrent de hoedanigheid van deze donk.

Op de top. kaart 's Gravenmoer schaal 1:25.000 zien we Raamsdonk liggen aan het uiteinde van een lage rug, die men in Kaatsheuvel kan laten beginnen. Niet ver van Raamsdonk ligt 's-Gravenmoer. We weten uit Noord-Nederland dat het oppervlakte veen tegen de hogere zandgronden opkroop tot een hoogte van wel +7m NAP. Kijkt men nu in Dongen naar de Oude Weg (dit was de Middeleeuwse verbinding tussen den Bosch en Breda) dan gaat de verkaveling ongeveer vanaf +7 m dwars door de grillige hoogtelijn van 5 meter (coordinaten 403/126.) Toen men dus in de vroege middeleeuwen vanaf de Dongense Rug ging ontginnen had men geen last van dit microreliëf.
Conclusie: Er lag een groot dik veendek, dat tot een hoogte reikte van +7 m. Door de veenontginning ging het veen inklinken, kwam er water vrij en gingen zich blijkbaar verstuivingen voordoen op de Dongense rug en uiteindelijk kwam het huidige microreliëf weer tevoorschijn.
--- Einde pagina 72 ---


--- Begin pagina 73 ---
Vanwege de inklinking schoven de akkers op-en ook de bewoning. Zie b.v. de bewoningsassen Klein Dongen-Klein Dongense straat en de as Dongense Vaart. Deze assen waren eerst dijkjes, die men aanlegde om het water tegen te houden, dat kwam uit het nog niet ontgonnen veen.

Al met al zie ik het zo, dat nu ik aantoonde, dat het veen tot 7 m opkroop te Dongen het gebied van Raamsdonk gewoon eens met veen was bedekt. Door de ontginning dus ontwatering, ook daar inklinking en oxydatie van het veen. Er kwam dus een moment, dat de donk te Raamsdonk tevoorschijn kwam. Terwijl het veen verder daalde zag men geruime tijd dat de donk als het ware weg gestut door het veenlichaam. Hier hebben we dan raam=stut. Raam in de betekenis van stut duidt m.i. op het veen tegen de donk, die dit als het ware stut. Ik weet niet wanneer Raamsdonk. voor het eerst in de bronnen opduikt, maar ik meen toch iets over de ouderdom te kunnen zeggen. Genoemde kaart geeft te Raamsdonk het hoogtecijfer 2,9 aan. Het veen lag te Dongen tot op 7m NAP. Dus boven de Raamsdonk lag 7 - 2,9 = 4,1 m.

We weten tevens, dat veen, dat steeds ontwaterd wordt, het maaiveld doet dalen met 60 cm in 100 jaar. Er was dus 680 jaar nodig om het hoogste punt van de donk te Raamsdonk veenvrij te krijgen. Er moeten dus bewoners zijn geweest, die het veen hebben ontgonnen, waardoor het maaiveld ging dalen. Deze bewoningsfase moet aan de naam Raamsdonk zijn voorafgegaan. Immers een donk, die aan de zijkanten door veen werd gestut, kon pas zichtbaar zijn nadat de donk te voorschijn kwam.

In "Kijk op Noordbrabant" lees ik: "Er staat een grotendeels 15e eeuwse kerk, met een toren die oorspronkelijk uit circa 13e eeuw dateert". Laten we dus globaal zeggen dat in 1250 Raamsdonk er is. We trekken hier 680 jaar af en komen in het jaar 570.
Er is dus sprake geweest van bewoning omtrent Raamsdonk, die tot de Merovingische-Frankische tijd.
--- Einde pagina 73 ---


--- Begin pagina 76 ---
teneinde, dan vielen de dansers als spreeuwen in de rietgors op de stoelen rondom de tafeltjes om te drinken, vaak (te) veel.
Arm in arm en in brede rijen liepen de feestvierders van de enw herberg naar de andere. Het was geen wonder, dat veldwachter Mooi en later z'n opvolger Speetjens met de handen in het haar zaten en geen raad wisten met de kermisvierders die te diep in het glaasje gekeken hadden. De Veerse gevangenis was van heel bescheiden afmetingen, wat pleit voor de Veerse burgers, maar met kermis was er plaats te kort.

Tussen haakjes: Veldwachter Mooi was een “figuur" in onze jongensjaren. De man was oud (overleden op 13 september 1898). Hij had een kaal hoofd, wat hem om z'n leeftijd wel te vergeven was, maar de kale schedel was het mikpunt van de jeugd. Zijn verdediging bestond uit een streng gezicht met de woorden "Podomische snuiters".

Eens moest Mooi een franse booswicht voorgeleiden. Kort klonk z'n bevel: "podomische snuiter avec moi". De man wilde vluchten, maar Mooi greep hem bij de kraag. Later zou hij verklaren: "Als ik die podomische snuiter niet had gegrepen en geen frans had gekend, zou die podomische snuiter nog gevlucht zijn".
Ik herinner mij dat Mooi op Aswoensdag z'n plicht als katholiek ging vervullen. Zelfs in de kerk ontzag de jeugd zich niet om achtenswaardige dienaar van Hermandad lastig te vallen, ook niet toen hij in de kerk naar voren trad om een askruisje te ontvangen. Mooi werd kwaad, keerde zich om en riep in heilige toorn : “podomische snuiters". Maar juist toen Mooi zich omdraaide was de priester z'n plaats genaderd en drukte op. Mooi's kale schedel, die hij voor een gezicht aanzag - een groot askruis.
Sindsdien werd gezongen :"En Mooi die is pastoor geworden, Hi Ha Ho". Dan draaide Mooi zich om en zei: "podomische snuiters".

Maar keren we terug naar de kermis. Het middelpunt van de kermisdrukte was op "den Kant". Daar werden de inkopen gedaan, oliebollen gekocht, rondgedeeld en met smaak verorberd. Daar werd koek "geloterd" met prijs en premie. Ons hart popelde als we de premies zagen, die evenwel nooit werden uitgereikt. Het waren peperkoeken, in onze ogen van reusachtige afmetingen, rijk bestrooid met suiker. Ze waren eerlijk genummerd, dat wel, maar toch heb ik altijd het vermoeden gehad dat deze enorme koeken nooit werden gewonnen. Als alle nummers verkocht waren, werd een nummer uit de bus gehaald en de kermisgast riep dan vol statie:
--- Einde pagina 76 ---


--- Begin pagina 77 ---
"Mensen, de prijs is gevallen op nummer ....", maar weer geen premie! Als je voor het geluk geboren was gebeurde het wel dat je met stapels koek naar huis ging, want als de toeloop groot was en er dus veel nummers verkocht werden was er kans, drie, vier, ja zelf vijf koeken in één keer te winnen.

Het tweede amusement van de koekkraam was het koek slaan.
Evenals bij de Kop van Jut werd ook hier de mannenkracht gemeten. Wie het hardst kon slaan had de grootste kans de doormidden geslagen koek te winnen. De man in de kraam was onverbiddelijk, ook al zat de koek nog slechts met enige kruimeltjes vast, dan’ was de koek niet verdeeld en ging de kist in. Beroep aantekenen tegen zijn uitspraak was er niet bij.

Voor de kinderen vooral, maar ook voor de ouderen was er de mallemolen. Voor één cent mocht je plaats nemen op een mooi wit houten paard of zacht schommelen in een rijk met pluche beklede karos.
--- Einde pagina 77 ---


--- Begin pagina 80 ---
de lupinen tot ontwikkeling. Er was enige uitleg nodig om aan een kind begrijpelijk te maken waarom de boer die mooie lupinen tegen de grond werkte om ze vervolgens samen met de stoppels onder te ploegen.

Als veevoer werd de lupine aanvankelijk minder gebruikt.
Voornaamste oorzaak daarvan was de giftige, bittere stof die de plant bevat. Deze kan ziekte onder het vee veroorzaken, vooral schapen zijn daar blijkbaar gevoelig voor. Schapenhoudende zandboeren hielden hun diefen dan ook ver van de lupinenvelden verwijderd. De gifstoffen kon men door een speciale behandeling onwerkzaam maken maar ze verhinderden het gebruik op grote schaal van de lupine als veevoer. Omstreeks 1930 kwam een lupinesoort met een veel lager gehalte aan schadelijke stoffen, de z.g. zoete lupine, op de markt. De belangstelling voor de teelt van de lupine nam toe. Enige tijd was de eiwitrijke lupine, die tweemaal per jaar gemaaid kon worden, een waardevolle plant als groenvoer.

Een in volle bloei staand lupineveld trok door z'n schitterende kleuren de aandacht van menigeen: Het diepe geel van de bloem- trossen tussen het zachte groen ping de bladeren was een lust voor het. oog. Ook de geur die zo'n lupineveldje verspreidde was opvallend. Als het hoog zomer was zorgden geur en kleur van de lupine voor een apart sfeertje in het landschap van toen.

De goudgele kaboutermutsen met hun zoete parfum en een schijnbaar altijd aanwezige waterdruppel in de bladerenkrans maakten op mij indertijd schijnbaar nogal indruk. Als ik een enkele keer nog eens wandel op de plaats waar in mijn jeugd de lupinen groeiden en bloeiden, dan lijkt het alsof ik de lupinegeur weer ruik.
Maar lupinen zijn daar allang niet meer. Evenmin het vennetje even verderop in het bos. Dat is een laagliggende wildernis geworden, waar geen plaats meer is voor libellen, schrijvertjes en gele dotters. Ook het weiland erachter, waar je armen vol margrieten kon plukken, is er niet meer. Het zijn enkel nog de herinneringen die zijn gebleven, zoet geurende herinneringen aan de lupinevelden van weleer.





raamsdonkshistorie.nl
raamsdonkshistorie.nl
  1. Dr.J.deVries: Woordenboek Noord- en Zuidnederlandse. Plaatsen Aula 85 p. 138.
  2. Dr.J.deVries: Etymologisch Woordenboek - Aula 6 p. 146.